GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.280.170/02 (zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 482900) beschikking van 22 september 2020 op het verzoek tot schorsing inzake [verzoeker] , wonende te [A] ,verzoeker, verder te noemen: de man, advocaat: mr. D. Rezaie te Amsterdam, en [verweerster] , wonende op een geheim adres, verweerster, verder te noemen: de vrouw, advocaat: mr. C.A.T. Philipsen te Utrecht. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 2 april 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. Bij deze beschikking heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, beslist dat dat de man aan de vrouw een bedrag van € 39.115,- dient te voldoen ter voldoening van de bruidsgave van 3.500.000 Afghani, en deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard. 2. Het geding in hoger beroep in de hoofdzaak en met betrekking tot het verzoek tot schorsing 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het beroepschrift tevens verzoek tot schorsing met producties, ingekomen op 1 juli 2020; - een journaalbericht van mr. Rezaie van 16 juli 2020 met producties; - het verweerschrift in het incident; - een journaalbericht van mr. Rezaie van 4 september 2020 met producties. 2.2 De mondelinge behandeling heeft op 7 september 2020 plaatsgevonden. De man is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn advocaat. Namens de vrouw is haar advocaat verschenen. 3De motivering van de beslissing 3.1 Aan de orde is het verzoek van de man schorsing te bevelen van de werking van de bestreden beschikking, voor zover het de onder 1 genoemde beslissing betreft. De vrouw voert hiertegen gemotiveerd verweer. 3.2 Hoger beroep schorst de werking, tenzij de beschikking uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Op grond van artikel 360 lid 2, tweede volzin, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan de hogere rechter, indien hoger beroep is ingesteld tegen een beschikking die uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, alsnog de werking schorsen. 3.3 Het hof stelt het volgende voorop onder verwijzing naar HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026. a. Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar dient te zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, of diens belang bij zekerheidstelling, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan of bij deze uitvoerbaarheid zonder dat daaraan de voorwaarde van zekerheidstelling wordt verbonden. b. Bij de toepassing van de onder a genoemde maatstaf in een incident of in kort geding moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende of nog aan te wenden rechtsmiddel buiten beschouwing, met dien verstande dat de rechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.