Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-002274-06 AV-nummer: 001809-19 Uitspraak d.d.: 15 juli 2020 Beschikking van de meervoudige kamer voor strafzaken op het verzoek ex artikel 577b, tweede lid, (oud, nu artikel 6:6:26, eerste lid,) van het Wetboek van Strafvordering van: [verzoeker] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1969, wonende te [woonplaats] , hierna te noemen verzoeker. Procesgang Aan de verzoeker is bij arrest van dit hof van 16 oktober 2009 de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 575.580,30 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Door en namens verzoeker is bij een op 21 november 2019 per e-mail ter griffie van dit gerechtshof ingekomen verzoekschrift op grond van artikel 577b, tweede lid, (oud, nu artikel 6:6:26, eerste lid,) van het Wetboek van Strafvordering verzocht om het resterende ingevolge de ontnemingsmaatregel te betalen bedrag van € 567.330,30 kwijt te schelden dan wel te matigen. Het hof heeft het verzoek behandeld in raadkamer van 1 juli 2020, waarbij zijn gehoord de advocaat‑generaal en de verzoeker, bijgestaan door mr. J.P.A. van Schaik, advocaat te Veenendaal. Bevoegdheid van het hof Met de op 1 januari 2020 in werking getreden Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (hierna: Wet USB) is artikel 577b (oud) van het Wetboek van Strafvordering komen te vervallen. Daarvoor in de plaats is getreden artikel 6:6:26 van het Wetboek van Strafvordering. De strekking van het eerste lid van dat artikel komt overeen met die van artikel 577b, tweede lid, (oud) van het Wetboek van Strafvordering. Zowel artikel 577b, tweede lid, (oud) als het huidige artikel 6:6:26, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering biedt de rechter de mogelijkheid tot vermindering of kwijtschelding van het ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel vastgestelde bedrag. Het huidige artikel 6:6:1 van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat het gerecht dat in eerste aanleg kennis heeft genomen van het strafbare feit waarvoor de sanctie is opgelegd waarop de beslissing ziet, tevens bevoegd is om van een verzoek tot vermindering of kwijtschelding van het ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel vastgestelde bedrag kennis te nemen. Dit gerecht, doorgaans de rechtbank, kan de zaak evenwel, gelet op het bepaalde in het vierde lid van artikel 6:6:1 van het Wetboek van Strafvordering, verwijzen naar een ander gerecht indien een goede rechtsbedeling dit vereist. Bij de inwerkingtreding van de Wet USB is niet voorzien in overgangsrecht met betrekking tot de bevoegdheid kennis te nemen van verzoeken tot kwijtschelding of vermindering die vóór 1 januari 2020 zijn ingediend. Naar het oordeel van het hof is de rechtspraktijk ermee gediend en is het in het belang van een goede rechtsbedeling dat een verzoek dat vóór 1 januari 2020 bij het (toen) bevoegde gerecht is ingediend, verder door dat gerecht wordt behandeld. Nu het verzoek vóór 1 januari 2020 bij het hof is ingediend acht het hof zich, met de advocaat‑generaal en de raadsman, bevoegd van de inhoud van het verzoekschrift kennis te nemen. Beoordeling van het verzoek Volgens de brief van het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) van 18 december 2019 resteert van de ontnemingsmaatregel nog een onbetaald gebleven bedrag van € 567.330,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.