Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-005736-18 Uitspraak d.d.: 30 januari 2020 TEGENSPRAAK Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem- Leeuwarden , zittingsplaats Leeuwarden , gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 18 oktober 2018 met parketnummer 18-121714-18 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 01-135445-14, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] , wonende te [woonplaats] . Het hoger beroep De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 16 januari 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van de verdachte ter zake van het aan hem ten laste gelegde tot een gevangenisstraf van drie weken. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de verdachte in het hoger beroep tegen de vordering tot tenuitvoerlegging, met parketnummer 01-135445-14, niet ontvankelijk zal worden verklaard. Tot slot heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering van de benadeelde partij geheel zal toewijzen tot een bedrag van € 1.083,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het ontstaan van de schade en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsman, mr. H.W. Lagraauw, naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep De politierechter heeft de verdachte bij vonnis van 18 oktober 2018, waartegen het hoger beroep is gericht, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie weken. Daarnaast heeft de politierechter de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 1.083,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het ontstaan van de schade en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ten slotte heeft de politierechter de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke taakstraf afgewezen. Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen, omdat het tot een andere bewezenverklaring komt, en daarom opnieuw rechtdoen. De tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: hij in of omstreeks de periode van 6 april 2018 tot en met 9 april 2018, althans in of omstreeks april 2018, in de gemeente [gemeente] , althans in Nederland, opzettelijk een elektrische fiets (merk [merk] ), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde] , althans aan [eigenaar] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten in het kader van een huurovereenkomst, althans een overeenkomst, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend. Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Overweging met betrekking tot het bewijs De raadsman heeft vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit. Daartoe heeft de raadsman – kort gezegd – aangevoerd dat van verduistering geen sprake is, omdat bij de verdachte het opzet op de wederrechtelijke toe-eigening van de fiets ontbrak. Het hof is van oordeel dat het namens de verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het ten laste gelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof overweegt daarbij als volgt. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte tot 9 april 2018 de fiets anders dan door misdrijf onder zich had, te weten uit hoofde van een huurovereenkomst. Na die datum is verdachte als heer en meester over de fiets gaan beschikken door na te laten de fiets terug te brengen, onbereikbaar te zijn op het door hem aan de eigenaar van de fiets gegeven telefoonnummer en voorts die eigenaar een e-mailbericht te sturen met daarin een – naar eigen zeggen – smoes waarom hij de fiets niet terug zou kunnen brengen. Verdachte heeft, door aldus te handelen, naar uiterlijke verschijningsvorm opzet op de wederrechtelijke toe-eigening van de fiets gehad. Het verweer wordt verworpen. Bewezenverklaring Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij in april 2018, in Nederland, opzettelijk een elektrische fiets, merk [merk] , toebehorende aan [benadeelde] , en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten in het kader van een huurovereenkomst, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend. Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezen verklaarde levert op: verduistering. Strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn. Oplegging van straf De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verduistering van een elektrische fiets. Hij heeft daardoor inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van een ander en hierbij het vertrouwen dat die ander, te weten de eigenaar van [benadeelde] , in hem stelde en ook behoorde te kunnen stellen, beschaamd. Daarnaast heeft hij die rijwielhandel materiële schade en overlast toegebracht. Het hof heeft bij de strafoplegging acht geslagen op de omstandigheid dat het een elektrische fiets betreft – dat wil zeggen een duurdere fiets dan een reguliere fiets – en eveneens in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 20 december 2019, eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Deze eerder opgelegde straffen hebben verdachte er kennelijk niet van weerhouden opnieuw soortgelijke strafbare feiten te plegen. Het hof heeft ook acht geslagen op artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht. Namens de verdachte is aangevoerd dat de door de politierechter opgelegde gevangenisstraf fors is en dat niet blijkt dat met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht rekening is gehouden. Het hof is echter, net als de advocaat-generaal en de politierechter in eerste aanleg, van oordeel dat een gevangenisstraf van nader te noemen duur passend en geboden is en dat een lichtere strafmodaliteit thans niet aan de orde is. Gelet op deze omstandigheden zal het hof een gevangenisstraf voor de duur van drie weken opleggen. De toepasselijkheid van artikel 63 Sr doet daar niet aan af, nu - rekening houdend met de na de pleegdatum van het hier aan de orde zijnde feit opgelegde straffen - er nog voldoende ruimte resteert om die straf op te leggen. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.083,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.