GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummers gerechtshof 200.280.808/02 (schorsing) en 200.280.808/03 (voorlopige voorzieningen) (zaaknummer rechtbank Gelderland 360001) beschikking van 27 oktober 2020 op het verzoek tot schorsing en het verzoek voorlopige voorzieningen inzake [verzoeker] , wonende te [A] ,verzoeker, verder te noemen: de man, advocaat: mr. A.C.M. Scharenborg te Aalten, en [verweerster] , wonende te [A] , verweerster, verder te noemen: de vrouw, advocaat: mr. P.J. Jans te Groningen. 1Het geding in de hoofdzaak in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 5 december 2019 en 8 juni 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. De beschikking van 8 juni 2020 wordt verder genoemd: de bestreden beschikking. 2De procedure 2.1 Het verloop van de procedures tezamen blijkt uit: het beroepschrift, tevens verzoek schorsing uitvoerbaarheid bij voorraad, tevens verzoek voorlopige voorzieningen, met producties, ingekomen op 13 juli 2020; het verweerschrift tegen het verzoek schorsing uitvoerbaarheid bij voorraad en het verzoek voorlopige voorzieningen; het verweerschrift in hoger beroep; een journaalbericht van mr. Scharenborg van 7 september 2020 met als bijlage een brief van mr. Scharenborg en een productie; een journaalbericht van mr. Scharenborg van 17 september 2020 met producties; een journaalbericht van mr. Jans van 22 september 2020 met producties. 2.2 De mondelinge behandeling heeft op 5 oktober 2020 plaatsgevonden door middel van Telehoren. De man is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn advocaat en [B] , ambulante begeleidster van Stichting [C] , aan wie door het hof bijzondere toegang is verleend met instemming van de vrouw. De vrouw is in persoon verschenen, bijgestaan door haar advocaat. Namens de raad voor de kinderbescherming (hierna: de raad) is [D] verschenen. 3De feiten 3.1 Partijen zijn [in] 2014 te [E] met elkaar gehuwd. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de echtscheiding tussen hen uitgesproken. De echtscheiding is op 18 augustus 2020 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. 3.2 Partijen zijn de ouders van: [de minderjarige1] , verder te noemen: [de minderjarige1] , geboren [in] 2013 te [A] , en [de minderjarige2] , verder te noemen: [de minderjarige2] , geboren [in] 2016 te [A] , gezamenlijk verder te noemen: de kinderen. Partijen oefenen gezamenlijk het gezag uit over de kinderen. 3.3 In de bestreden beschikking heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, uitvoerbaar bij voorraad: - bepaald dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw zal zijn; - de zorg- en opvoedingstaken over de kinderen verdeeld aldus, dat zij gedurende een weekeinde per veertien dagen van vrijdagavond 19.00 uur tot en met zondagavond 19.00 uur bij de man zullen verblijven, waarbij de kinderen door de man worden gebracht en gehaald; - bepaald dat de man met ingang van 1 oktober 2019 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen aan de vrouw zal betalen € 250,- per kind per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen. 4De beoordeling 4.1 Aan de orde zijn de verzoeken van de man de werking van de bestreden beschikking te schorsen voor zover het de beslissingen betreft ten aanzien van de hoofdverblijfplaats, de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (verder te noemen: de zorgregeling) en de kinderalimentatie en als voorlopige voorzieningen te bepalen dat: - de kinderen aan hem worden toevertrouwd; - de kinderen iedere week van dinsdag na schooltijd tot en met woensdag voor schooltijd alsmede om het weekend van vrijdag na schooltijd tot en met zondag 18.30 uur - naar het hof begrijpt - bij de vrouw verblijven, althans een zorgregeling te bepalen die het hof juist acht; - tijdens de vakanties en feestdagen de kinderen conform de onder punt 32 van het beroepschrift verzochte regeling bij de desbetreffende ouder verblijven, althans een verdeling vast te stellen die het hof juist acht; - de kinderalimentatie op nihil wordt gesteld, subsidiair – naar het hof begrijpt – dat de ouder aan wie de kinderen niet worden toevertrouwd of aan wie een kind niet wordt toevertrouwd, aan de andere ouder € 25,- per kind per maand dient te betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding, althans een bedrag per ingangsdatum die het hof juist acht, - kosten rechtens. Het verweer van de vrouw strekt tot niet-ontvankelijkverklaring dan wel afwijzing van de verzoeken van de man, kosten rechtens. in de zaak met nummer 200.280.808/02 (schorsingsverzoek) 4.2 Hoger beroep schorst de werking, tenzij de beschikking uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Op grond van artikel 360 lid 2, tweede volzin, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan de hogere rechter, indien hoger beroep is ingesteld tegen een beschikking die uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, alsnog de werking schorsen. 4.3 Het hof stelt het volgende voorop onder verwijzing naar HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026. a. Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar dient te zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, of diens belang bij zekerheidstelling, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan of bij deze uitvoerbaarheid zonder dat daaraan de voorwaarde van zekerheidstelling wordt verbonden. b. Bij de toepassing van de onder a genoemde maatstaf in een incident of in kort geding moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende of nog aan te wenden rechtsmiddel buiten beschouwing, met dien verstande dat de rechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.