GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummers gerechtshof 200.280.545/02 en 200.280.545/03 (zaaknummers rechtbank Gelderland 346514 en 352031) beschikking van 29 oktober 2020 op het verzoek tot schorsing en tot voorlopige voorzieningen als bedoeld in artikel 223 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) inzake [verzoeker] , wonende te [A] ,verzoeker, verder te noemen: de man, advocaat: mr. S. Roodhof te Reduzum, gemeente Leeuwarden, en [verweerster] , wonende te [A] , verweerster, verder te noemen: de vrouw, advocaat: mr. S.W.F. Rouwette te Apeldoorn. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 1 mei 2020, uitgesproken onder de voormelde zaaknummers (hierna ook: de bestreden beschikking). Bij deze beschikking heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, beslist dat de man een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] van € 392,- per maand en een bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw van € 7.197,- per maand dient te betalen en deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard. 2. Het geding in hoger beroep in de hoofdzaak en met betrekking tot de verzoeken tot schorsing en voorlopige voorzieningen ex artikel 223 Rv 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het beroepschrift tevens wijziging/aanvulling dan wel vermeerdering van eis, tevens houdende voorwaardelijk verzoek als bedoeld in artikel 223 Rv(schorsing/zekerheidsstelling) en/of (voorwaardelijk) verzoek tot schorsing (van de werking van) de uitvoerbaarheid bij voorraad met producties, ingekomen op 9 juli 2020; - een akte voorwaardelijke vermeerdering van eis (ter zake echtscheiding) met producties; - het verweerschrift tegen verzoek voorlopige voorzieningen en schorsing uitvoerbaarheid bij voorraad met producties; - het verweerschrift tegen beroepschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep met producties; - een journaalbericht van mr. Roodhof van 17 september 2020 met bijlagen. 2.2 De mondelinge behandeling heeft op 1 oktober 2020 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. 3De motivering van de beslissing 3.1 Aan de orde zijn de verzoeken van de man schorsing te bevelen van de werking van de bestreden beschikking, voor zover het de onder 1 genoemde beslissingen betreft en het verzoek om ex artikel 223 Rv een provisionele voorziening te treffen. De man verzoekt het hof voor de duur van de procedure en tot dat in de hoofdzaak (in het principaal hoger beroep) zal zijn beslist: - te bepalen dat de beschikking van 1 mei 2020 niet uitvoerbaar bij voorraad is, dan wel deze niet uitvoerbaar te verklaren dan wel de uitvoerbaar bij voorraad verklaring daaraan te ontnemen; subsidiair - te bepalen dat de vrouw (jegens de man, noch jegens derden, waaronder de aan de man verbonden vennootschappen) geen beroep kan doen op de tussen partijen gewezen beschikking van 1 mei 2020 voor dit betreft de kinder- en partneralimentatie; meer subsidiair -te bepalen dat de vrouw volledige zekerheid dient te stellen voor alle betalingen van de man (“1 op 1”) op basis van de beschikking van 1 mei 2020 ter zake kinder- en/of partneralimentatie (op deze wijze als bedoeld in artikel 6:51 BW), dan wel te bepalen dat de vrouw een dwangsom verbeurt van € 100.000,- indien en voor zover door haar aanspraak wordt gemaakt op betaling krachtens deze beschikking, danwel betaling wordt verlangd dan wel door dan wel namens de man op grond hiervan wordt gedaan; meest subsidiair - een zodanige regeling te treffen voor de duur van de procedure in hoger beroep als in deze juist en redelijk wordt geacht, door te bepalen dat de man bijvoorbeeldvoor de duur van de procedure en voor zover daaraan rechtens ( in de meest subsidiaire situatie) wordt toegekomen de partner- en kinderalimentatie (respectievelijk € 1.068,- en € 256,- per maand) dient te betalen conform de beslissing van de rechtbank in het kader van de voorlopige voorzieningen. 3.2 De vrouw voert hiertegen gemotiveerd verweer. De vrouw verzoekt het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken dan wel deze af te wijzen, zo nodig onder aanvulling van gronden, met veroordeling in de kosten van de procedure. 3.3 Allereerst stelt de man dat de echtscheidingsbeschikking ten onrechte is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand met als gevolg dat de in de bestreden beschikking vastgestelde alimentatieverplichting niet kan gelden. Het hof - en kennelijk ook de man, gelet op de uitlating ter zake van diens raadsman ter zitting - is van oordeel dat, wat er daarvan verder ook zij, uitgegaan dient te worden van de feitelijke situatie ten tijde van de mondelinge behandeling van onderhavige verzoeken in hoger beroep. Gebleken is dat de echtscheiding op 5 augustus 2020 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Gesteld noch gebleken is dat dit inmiddels anders is, zodat het hof daar in het kader van deze procedure vanuit gaat. Schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad 3.4 Hoger beroep schorst de werking, tenzij de beschikking uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Op grond van artikel 360 lid 2, tweede volzin, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan de hogere rechter, indien hoger beroep is ingesteld tegen een beschikking die uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, alsnog de werking schorsen. 3.5 Het hof stelt, onder verwijzing naar HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026, het volgende voorop: a. Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar dient te zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, of diens belang bij zekerheidstelling, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan of bij deze uitvoerbaarheid zonder dat daaraan de voorwaarde van zekerheidstelling wordt verbonden. b. Bij de toepassing van de onder a genoemde maatstaf in een incident of in kort geding moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende of nog aan te wenden rechtsmiddel buiten beschouwing, met dien verstande dat de rechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.