Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-000103-19 Uitspraak d.d.: 3 november 2020 Tegenspraak Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 27 december 2018 met het parketnummer 18-730036-17 in de strafzaak inzake de verdachte [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1949, wonende te [woonadres] , [woonplaats] . Het hoger beroep De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het gerechtshof van 20 oktober 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het gerechtshof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, inhoudende dat het gerechtshof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen, met uitzondering echter van de beslissingen van de rechtbank inzake de vorderingen van de benadeelde partijen. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het gerechtshof: de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij1] en [benadeelde partij2] zal afwijzen; de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij3] gedeeltelijk zal toewijzen, tot het bedrag van de gevorderde materiële schade van € 193,- vermeerderd met de wettelijke rente, en de schadevergodingsmaatregel zal opleggen; de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij3] voor het overige zal afwijzen. Het gerechtshof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. A.L. van Onna, ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd. Het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht Bij het hierboven genoemde vonnis, waartegen het hoger beroep is gericht, is de verdachte ter zake van de aan hem ten laste gelegde feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van de periode die is doorgebracht in voorarrest. Voorts heeft de rechtbank de vorderingen van de benadeelde partijen geheel toegewezen, telkens met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het gerechtshof is van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden heeft beslist en zal het vonnis van de rechtbank bevestigen, zij het met vernietiging van de strafoplegging, waaronder de beslissingen inzake de vorderingen van de benadeelde partijen, en de motivering daarvoor. Ten aanzien van die onderdelen van het vonnis waarbij het gerechtshof komt tot een andere beslissing dan de rechtbank zal het vonnis dan ook worden vernietigd. Het gerechtshof is van oordeel dat de rechtbank voor het overige op juiste wijze heeft beslist Het gerechtshof zal het vonnis met verbetering van de gronden in zoverre bevestigen. Het gerechtshof overweegt hiertoe het volgende. Oplegging van straf De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van de bewezen verklaarde delicten en de omstandigheden waaronder die delicten zijn begaan, mede gelet op de persoon van de verdachte, zoals daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Met betrekking tot de aard en de ernst van de bewezen verklaarde delicten heeft het gerechtshof in het bijzonder acht geslagen op: de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd; de omstandigheid dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van PGB-fraude, ten koste van kwetsbare personen die zichzelf niet in staat hebben geacht hun geld te beheren en dat in vertrouwen hebben overgelaten aan de verdachte. Daarmee heeft de verdachte het vertrouwen dat de gedupeerden in hem hebben gesteld op ernstige wijze geschonden. Daarnaast heeft de verdachte het algemene vertrouwen in het maatschappelijk functioneren van het PGB-systeem aangetast; de omstandigheid dat het totale benadelingsbedrag bijna € 400.000,- bedraagt; de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht ter zake van fraude. In het geval dat bij een fraudedelict, zoals verduistering, sprake is van een benadelingsbedrag tussen € 250.000,- en € 500.000,- kan in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van twaalf tot achttien maanden worden opgelegd. Als strafvermeerderende en/of strafverminderende factoren kunnen daarbij in aanmerking worden genomen: - de duur van de gedraging; - de mate waarin de verdachte door de overtreding voordeel heeft verkregen; - de vraag of de verdachte de gedraging uit eigen beweging heeft beëindigd; - de mate waarin het ontstane nadeel ongedaan is gemaakt; - de rol van de verdachte ten opzichte van mededaders; - de vraag of de verdachte een natuurlijke persoon of een rechtspersoon betreft; - de mate waarin de verdachte medewerking heeft verleend aan het onderzoek; - de mate waarin de gedraging heeft geleid tot marktverstoring; - de mate waarin door de gedraging het vertrouwen in de markt is geschaad; - de financiële draagkracht van de verdachte; - recidive(gevaar); - de duur van de strafprocedure; - de vraag of verdachte heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf; - het type slachtoffer (professional, leek, overheidsinstantie) en de rol van het slachtoffer bij de gedraging; - de vraag of aan de verdachte een bestuursrechtelijke maatregel (niet zijnde een bestuurlijke boete voor hetzelfde feit als bedoeld in art. 5:44 van de Algemene wet bestuursrecht) is opgelegd (bijvoorbeeld intrekking vergunning, last onder dwangsom). Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het gerechtshof in het bijzonder acht geslagen op: de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 14 september 2020, waaruit blijkt dat hij na het plegen van de thans aan de orde zijnde strafbare feiten onherroepelijk is veroordeeld ter zake van het plegen van soortgelijke strafbare feiten, welke zijn gepleegd in ongeveer dezelfde pleegperiode als de thans aan de orde zijnde strafbare feiten; de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep is gebleken. Bij het bepalen van de strafmaat heeft het gerechtshof aansluiting gezocht bij de straffen die gebruikelijk door dit gerechtshof in gevallen vergelijkbaar met deze zaak worden opgelegd. Wanneer het gerechtshof de hierboven genoemde strafverzwarende en strafverminderende factoren nader beschouwt is het volgende van belang. Eén van de gedupeerden is gedurende ruim zes jaren benadeeld, twee andere gedupeerden zijn gedurende ruim drie jaren benadeeld en een andere gedupeerde is gedurende ruim twee jaren benadeeld. Géén van deze benadeelden is tot op heden gecompenseerd. Ingrijpen door de politie is nodig geweest om een einde te maken aan de verduisteringen, waarna door de verdachte is meegewerkt aan het politieonderzoek. De verdachte heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep. De gedupeerden zijn personen die zich in een kwetsbare, afhankelijke positie bevonden. Anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal kennelijk hebben gedaan, heeft het gerechtshof in het politieonderzoek, dan wel het onderzoek ter terechtzitting onvoldoende aanknopingspunten aangetroffen voor de constatering dat de verdachte de verduisterde geldbedragen voor een groot deel zou hebben besteed aan zijn persoonlijke uitgaven. Uit het verrichte onderzoek door de politie blijkt dat de aan de benadeelden toekomende door de verdachte ontvangen bedragen niet of niet geheel door hem zijn besteed aan zorg van deze benadeelden, waarvoor ze bedoeld waren. Vele bedragen ten behoeve van zorg aan zijn cliënten zijn op verdachtes rekening gestort; de verdachte heeft aldus ten belope van honderdduizenden euro’s zorggelden verduisterd. Ten aanzien van de vraag naar wat er gebeurd is met deze gelden overweegt het gerechtshof dat de verdachte heeft verklaard niet te weten waar het geld is gebleven maar dat hij er geen specifieke besteding voor heeft gehad. Uit het genoemd politieonderzoek blijkt aan de uitgavenkant niet dat er sprake is geweest van (exorbitante) uitgaven door de verdachte voor hemzelf. Van een wezenlijke zelfverrijking door de verdachte gaat het gerechtshof daarom niet uit. Er lijkt meer sprake te zijn geweest van een - verwijtbare en kwalijke - wijze van budgetbeheer door de verdachte die hem gaandeweg boven het hoofd is gegroeid, mede door een gebrekkige boekhouding door hem en zijn verkeerde keuze om zich niet te laten bijstaan door een gedegen boekhouder. Alhoewel de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep niet goed heeft kunnen uitleggen waaraan die vier ton nu concreet is besteed, en het gerechtshof het aannemelijk acht dat de verdachte, wegens de vermenging van privégelden en gelden van de benadeelden dit deels ook ten bate van zichzelf zal hebben uitgegeven, geniet de verdachte het voordeel van de twijfel voor zover het betreft de (volledige en) moedwillige besteding van het verduisterde geld enkel ten behoeve van zichzelf. Dat maakt het bewezenverklaarde feit niet minder ernstig maar betekent wel dat het gerechtshof het beeld van de verdachte enigszins nuanceert. Een en ander leidt het gerechtshof tot een andere straf dan de rechtbank heeft opgelegd en de advocaat-generaal heeft gevorderd. Het gerechtshof heeft tevens gelet op de overschrijding van de redelijke termijn, nu de rechtsgang in eerste aanleg en in hoger beroep tezamen iets langer dan vier jaren heeft geduurd. Als startdatum van de redelijke termijn hanteert het gerechtshof hierbij de datum van de inverzekeringstelling van de verdachte, te weten 27 oktober
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.