GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.256.165 (zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht 472458) arrest van 3 november 2020 in de zaak van [appellant] , wonende te [A] , appellant, in eerste aanleg: eiser, hierna: [appellant] , advocaat: mr. S.G. Blasweiler, tegen: de stichting Stichting Het Juridisch Loket, gevestigd te Utrecht, geïntimeerde, in eerste aanleg: gedaagde, hierna: HJL, advocaat: mr. S.M.G. Weitjens. 1Het verdere verloop van het geding in hoger beroep 1.1 Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 16 april 2019 hier over. 1.2 Het verdere verloop blijkt uit: - het proces-verbaal van de zitting van 21 mei 2019; - het bericht van mr. Blasweiler dat wordt doorgeprocedeerd; - de memorie van grieven, tevens houdende een verzoek op grond van art. 843a Rv, met producties; - de memorie van antwoord met een productie; - de akte van [appellant] met een productie; - de antwoordakte van HJL. 1.3 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald. 2De vaststaande feiten 3.1 Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 en 2.2 van het bestreden vonnis van 8 februari 2019. 3Het geschil en de beslissing van de voorzieningenrechter 3.1 [appellant] heeft in de procedure bij de voorzieningenrechter – samengevat – gevorderd dat het besluit van HJL van 11 september 2018 waarbij hem een pandverbod is gegeven en het besluit van 15 oktober 2018 waarbij hem een contactverbod is gegeven zullen worden geschorst totdat in een (eventuele) bodemprocedure vonnis is gewezen en voorts dat door HJL aan [appellant] een “afschrift” wordt gegeven van de camerabeelden die op 10 september 2018 zijn gemaakt van de gebeurtenissen waarbij [appellant] was betrokken, op verbeurte van een dwangsom en met veroordeling van HJL in de proceskosten. 3.2 De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 8 februari 2019 de vorderingen van [appellant] afgewezen. 4De motivering van de beslissing in hoger beroep 4.1 Het gaat in deze zaak, kort gezegd, om het volgende. HJL heeft tot taak de verlening van (laagdrempelige) kosteloze juridische bijstand door middel van het geven van adviezen, het ondernemen van pogingen om te komen tot een vergelijk met een (eventuele) wederpartij en het verwijzen van partijen naar een mediator. Daarnaast heeft HJL een filterfunctie ten aanzien van de inschakeling van een advocaat. Voor de (eventuele) afgifte van een toevoeging door de Raad voor Rechtsbijstand geeft HJL een zogenoemd diagnosedocument af. Dit document betekent, indien door de Raad voor Rechtsbijstand een advocaat wordt toegevoegd, dat een korting van € 50,- op de eigen bijdrage wordt gegeven. Het diagnosedocument is geen voorwaarde, noch een garantie, dat een toevoeging wordt verstrekt. 4.2 [appellant] is een frequent gebruiker van HJL. Uit de door HJL overgelegde contactmomenten in de jaren 2017 en 2018 blijkt dat hij 11 keer aan de balie is geweest of een telefonisch verzoek heeft gedaan tot afgifte van een diagnosedocument. Van de contactmomenten met [appellant] zijn registraties opgemaakt. Op 10 september 2018 is een baliecontact met [appellant] uit de hand gelopen. Hierop heeft HJL aan [appellant] op 11 september 2018 een pandverbod gegeven voor de duur van één jaar. In dat besluit is opgenomen: “… Tijdens het gesprek met een van onze medewerkers vraagt u om een verwijzing. U heeft geen stukken bij u en onze medewerker wil graag voor u nakijken of u voor de besproken zaak recht zou kunnen hebben op gefinancierde rechtsbijstand. Zij verzoekt u daarom even plaats te nemen, maar u weigert dit. Tijdens het gesprek komt u intimiderend op onze medewerker over en u begint op een gegeven moment te schelden en met een folder te gooien. Uw gedrag wordt als zeer dwingend ervaren wanneer u onze vestiging bezoekt. Indien u zich voor hulp tot het Juridisch Loket wendt, dient u zich aan onze huisregels te houden. Eén van onze huisregels is, dat wij geen hinderlijk, aanstootgevend en/of respectloos gedrag accepteren. De huisregels worden op alle vestigingen duidelijk tentoongespreid d.m.v. beeldschermen en/of affiches. Uw gedrag is als intimiderend en dwingend ervaren en voor het Juridisch Loket aanleiding geweest u voor de periode van één jaar de toegang tot alle vestigingen van het Juridisch Loket te ontzeggen, dus tot en met 10 september 2019. Gedurende dit jaar kunt u telefonisch of via e-mail contact met ons opnemen, wanneer u advies wenst.” 4.3 In de periode daarna heeft [appellant] strafrechtelijke aangifte gedaan tegen de medewerker die hem op 10 september 2018 te woord heeft gestaan en heeft hij op verschillende momenten per telefoon en email contact opgenomen met HJL en zich ook aan de balie van het hoofdkantoor gemeld. Omdat de medewerkers van HJL de opstelling van [appellant] als bedreigend hebben ervaren is hem op 3 oktober 2018 een waarschuwing gegeven. Nadat [appellant] op 10 oktober 2018 aan HJL bericht dat hij zich niet neerlegt bij het pandverbod en een aantal eisen stelt, die kort gezegd neerkomen op rehabilitatie en rectificatie en een schadevergoeding, heeft HJL op 15 oktober 2018 aan [appellant] een contactverbod opgelegd met als inhoud: “In eerdere correspondentie vraagt u om toelichting op het aan u opgelegde pandverbod. Hiervoor blijft u contact zoeken via verschillende wegen, zo ook via ons hoofdkantoor. Door middel van dit schrijven reageer ik op uw laatste brief, die u op woensdag 10 oktober jl. aan een van onze medewerkers heeft overhandigd. Hoewel ik u in mijn brief van 3 oktober jl. met klem heb verzocht om geen contact meer op te nemen over het aan u opgelegde pandverbod, heeft u een brief overhandigd waarin u verschillende eisen stelt. Ook verzoekt u weer om opheffing van het aan u opgelegde pandverbod. Hoewel ik verstrekking van het pandverbod reeds schriftelijk aan u heb gemotiveerd, blijft u verzoeken op opheffing daarvan. Daar heeft u nu een aantal eisen aan toegevoegd, waar ik niet op in zal gaan of tegemoet aan zal komen. Tevens blijft het pandverbod onverminderd van kracht. Nu u zich wederom heeft gemeld voor bovenstaande kwestie wordt u, naast het al geldende pandverbod, ook een contactverbod opgelegd voor de duur van één jaar, dus tot en met 10 oktober 2019. Daarmee is u de toegang tot alle vestigingen van het Juridisch Loket en ons hoofdkantoor ontzegd. Bovendien is ook telefonisch, schriftelijk contact of contact via de email niet toegestaan. Indien u toch op enigerlei wijze contact met het Juridisch Loket opneemt, dan zal aangifte gedaan worden bij de politie.” 4.4 Eerder, op 10 juli 2013, heeft [appellant] door HJL te Groningen een waarschuwing gekregen wegens intimiderend gedrag. 4.5 Tegen het vonnis van de voorzieningenrechter heeft [appellant] vier grieven gericht. In hoger beroep heeft [appellant] zijn oorspronkelijke vorderingen gehandhaafd en tevens een verzoek gedaan tot overlegging van de camerabeelden van 10 september 2018, op verbeurte van een dwangsom. 4.6 HJL heeft allereerst aangevoerd dat [appellant] geen (spoedeisend) belang meer heeft bij de procedure, omdat de termijnen waarover de verboden zich hebben uitgestrekt inmiddels zijn verlopen. Dat verweer wordt door het hof verworpen. Ook indien het oorspronkelijk spoedeisende belang inmiddels is weggevallen, kan de partij die in eerste aanleg in het ongelijk is gesteld en in de proceskosten is veroordeeld, zich nog steeds tot de appelrechter wenden. Deze dient vervolgens inhoudelijk te beoordelen of de vordering in het kort geding in eerste aanleg terecht is toe- of afgewezen, nu daaruit blijkt of de proceskostenveroordeling in stand kan blijven of niet. 4.7 In zijn eerste grief stelt [appellant] zich op het standpunt dat HJL moet worden beschouwd als een bestuursorgaan in de zin van art. 1, lid 1 aanhef en onder b Awb. Het hof volgt hem hierin niet. Vaststaat dat HJL niet is ingesteld krachtens publiekrecht. [appellant] heeft dit ook niet gesteld. Volgens hem voldoet HJL echter aan de vereisten van de zogenoemde b-organen: (organen van privaatrechtelijke rechts)personen of colleges die niet tot de overheid worden gerekend, maar die wel met openbaar gezag zijn bekleed. Bepalend daarvoor is of hen een of meer overheidstaken zijn opgedragen en de daarvoor benodigde publiekrechtelijke bevoegdheden zijn toegekend. Organen van deze categorie (rechts)personen of colleges zijn slechts aan te merken als bestuursorgaan in de gevallen waarin zij hun publiekrechtelijke bevoegdheden uitoefenen. Zij zijn derhalve slechts voor een deel van hun werkzaamheden aan de Awb onderworpen. In de rechtspraak wordt “bekleed zijn met enig openbaar gezag” aangenomen wanneer sprake is van een op de wet steunende bevoegdheid de rechtspositie van de bestuurde (de burger) eenzijdig te bepalen. Dat hiervan sprake is, kan naar het oordeel van het hof niet uit de stellingen van [appellant] worden afgeleid. Het enkele feit dat HJL volledig wordt gesubsidieerd, zoals door [appellant] wordt betoogd, is hiervoor onvoldoende. Niet is gebleken dat het afgeven van een diagnosedocument moet worden gezien als de uitoefening van een publiekrechtelijke taak, noch dat op basis daarvan kan worden gesteld dat sprake is van een op de wet steunende bevoegdheid de rechtspositie van de burger eenzijdig te bepalen. [appellant] heeft ook geen enkel argument aangedragen dat aanleiding geeft hier anders over te denken. Voor zover [appellant] heeft willen betogen dat het pand- en contactverbod besluiten zijn in de zin van de Awb, wordt dat op de hierboven weergegeven gronden verworpen. 4.8 De tweede grief van [appellant] richt zich tegen de weigering van de voorzieningenrechter om een prejudiciële vraag te stellen aan de Hoge Raad over de vraag of HJL moet worden beschouwd als een bestuursorgaan. Ook deze grief slaagt niet. In art. 392 Rv is bepaald dat de rechter in een procedure op verzoek van een partij of ambtshalve de Hoge Raad een rechtsvraag kan stellen ter beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing, indien een antwoord op deze vraag nodig is om op de vordering of het verzoek te beslissen en rechtstreeks van belang is: a. voor een veelheid aan vorderingsrechten die gegrond zijn op dezelfde of soortgelijke feiten en uit dezelfde of soortgelijke samenhangende oorzaken voortkomen, of b. voor de beslechting of beëindiging van talrijke andere uit soortgelijke feiten voortvloeiende geschillen, waarin dezelfde vraag zich voordoet. Hoewel in beginsel denkbaar is dat ook in een kort geding zich een situatie kan voordoen die valt onder de reikwijdte van art. 392 Rv, is in het onderhavige geschil niet gebleken dat aan één van de voorwaarden, genoemd in dat artikel, is voldaan. Daarbij komt dat aan de rechter een discretionaire bevoegdheid toekomt om een dergelijke prejudiciële vraag aan de Hoge Raad te stellen. Het enkele feit dat [appellant] daarom heeft verzocht, verplicht de rechter niet dat verzoek in te willigen. Ook het hof ziet geen reden om het verzoek alsnog te honoreren, omdat het voorshands van oordeel is dat de beantwoording van de door [appellant] opgeworpen rechtsvraag niet nodig is voor de beslissing op de vordering en op geen enkele wijze is gebleken dat de door hem aangekaarte problematiek zich op grote(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.