← Nederland

ECLI:NL:GHARL:2020:9090

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer : Wahv 200.211.041/01 CJIB-nummer : 194226774 Uitspraak d.d. : 4 november 2020 Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Nederland van 6 februari 2017, betreffende [betrokkene] (hierna: de betrokkene), wonende te [A] . De gemachtigde van de betrokkene is mr. J.M.C. Niederer, kantoorhoudende te Helmond. De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is door de kantonrechter toegewezen tot een bedrag van € 124,-. Het verloop van de procedure De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. Op 12 oktober 2017 is nog een brief van de gemachtigde ontvangen. Een afschrift daarvan is aan de advocaat-generaal gezonden. Op 16 juli 2018 is ook nog een brief van de gemachtigde ontvangen. De griffier van het hof heeft de gemachtigde op 23 april 2020 een afschrift van het procesdossier toegezonden en een termijn gegeven om de gronden van het beroep aan te vullen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. De beoordeling

  1. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de beslissing van de kantonrechter om een aantal redenen dient te worden vernietigd. De einduitspraak en de tussenuitspraak zijn door verschillende rechters gedaan. De gemachtigde wijst op het arrest van het hof van 6 maart 2002, VR 2002/
  2. Ook ontbreekt een proces-verbaal van het verhandelde ter zitting. De gemachtigde wijst op het arrest van het hof van 31 maart 2016, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2016:2589
  3. Geen rechtsregel schrijft voor dat de kantonrechter die de einduitspraak geeft, ook betrokken moet zijn geweest bij een daaraan vooraf gegeven tussenuitspraak. De verwijzing door de gemachtigde naar voornoemd arrest van het hof faalt. In die zaak was de kantonrechter die op het beroep had beslist een andere kantonrechter dan die het beroep ter zitting had behandeld.
  4. Het hof stelt met de gemachtigde vast dat in deze zaak een proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter d.d. 23 januari 2017 ontbreekt. Het hof ziet in dit geval evenwel aanleiding om hieraan geen gevolgen te verbinden en neemt daartoe het volgende in aanmerking. In de beslissing van de kantonrechter is een zakelijke weergave opgenomen van hetgeen ter zitting is voorgevallen, waaronder het uitgebreid weergegeven standpunt van het openbaar ministerie, zodat de betrokkene door het ontbreken van het proces-verbaal niet in zijn belangen is geschaad.
  5. De gemachtigde van de betrokkene voert verder aan dat de kantonrechter ten onrechte niet heeft beslist op een gemotiveerd verzoek om aanhouding en dat de betrokkene door het buiten aanwezigheid van de gemachtigde en de betrokkene behandelen en beslissen beperkt is in zijn recht op een eerlijke behandeling van de zaak zoals bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
  6. Het hof stelt vast dat de gemachtigde van de betrokkene bij brief van 13 januari 2017 een aantal gronden heeft aangevoerd en heeft verzocht om de behandeling van de zaak aan te houden, omdat hij nog niet het gevraagde afschrift van het procesdossier heeft ontvangen.
  7. In de procedure bij de kantonrechter geldt dat op verzoeken om toezending van de op zaak betrekking hebbende stukken slechts hoeft te worden gereageerd in samenhang met de mededeling ex artikel 11, vierde (thans: vijfde) lid, van de Wahv. Op verzoeken om toezending van stukken buiten het bestek van die mededeling gedaan, hoeft de griffier niet te reageren. Die situatie doet zich hier voor. De gemachtigde heeft in de procedure bij de kantonrechter slechts verzocht om een afschrift van het procesdossier in het beroepschrift tegen de beslissing van de officier van justitie (prematuur) en buiten de termijn die hem daarvoor is gegeven in de brief waarbij hij is opgeroepen voor de zitting van 31 oktober 2016, namelijk tot één week voor die zitting (tardief).
  8. Gelet op het voorgaande hoefde de kantonrechter geen gevolg te geven aan het verzoek van 13 januari 2017 om toezending van stukken en het daaraan verbonden verzoek om de behandeling van de zaak aan te houden om nadere gronden in te dienen (vgl. het arrest van het hof van 14 augustus 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:7308). Dat neemt niet weg dat de kantonrechter dit in zijn beslissing had moeten vermelden. Dit gebrek leidt echter niet tot vernietiging van de beslissing van de kantonrechter, maar leent zich voor bevestiging van de beslissing met verbetering van gronden.
  9. Met betrekking tot de gedraging (voor een bromfiets niet de vereiste verzekering afsluiten en in stand houden) wordt aangevoerd dat de bromfiets niet functioneerde en in een garage stond. Onder verwijzing naar een uitspraak van het hof van 1 september 2017, ECLI:GHARL:2017:7647, stelt de gemachtigde dat bij het openbaar ministerie sprake is van een gewijzigd inzicht voor wat betreft de verhouding tussen de hoogte van het sanctiebedrag en de ernst van de gedraging. Gelet hierop is hij van mening dat in de onderhavige zaak, die identiek is aan de zaak in voornoemd arrest, aanleiding bestaat het bedrag van de sanctie te matigen.
  10. Het hof ziet geen aanleiding om tot matiging van het bedrag van de sanctie over te gaan. Dit behoeft geen nadere motivering, aangezien het hof in eerdere uitspraken heeft gemotiveerd waarom de onder
  11. vermelde argumenten niet leiden tot matiging van het sanctiebedrag (vgl. het arrest van het hof van 15 februari 2019, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2019:1478).
  12. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen, zij het met verbetering van gronden gelet op hetgeen onder
  13. is overwogen.
  14. Nu de betrokkene niet in het gelijk is gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336). De beslissing Het gerechtshof: bevestigt de beslissing van de kantonrechter, met verbetering van gronden; wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af. Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Smeitink als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.