GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.264.338 (zaaknummer rechtbank Gelderland 7619574) beschikking van 27 oktober 2020 inzake [verzoeker] , wonende te [A] ,verzoeker in hoger beroep, verder te noemen: de rechthebbende, advocaat: mr. C.J. van der Sloot te Woudenberg. Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt: [de bewindvoerder] , bureau voor bewind & curatele B.V., gevestigd te [B] , verder te noemen: de bewindvoerder; [de vader] , wonende te [C] , verder te noemen: de vader; [de moeder] , wonende te [C] , verder te noemen: de moeder; en [de zus] , wonende te [C] , verder te noemen: de zus. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 28 mei 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (verder ook te noemen: de bestreden beschikking). 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het beroepschrift met producties, ingekomen op 14 augustus 2019; - een brief van mr. Van der Sloot van 27 juli 2020 met producties. 2.2 De mondelinge behandeling heeft op 11 augustus 2020 plaatsgevonden. De rechthebbende is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn advocaat. Namens de bewindvoerder is de heer [D] verschenen. Hoewel behoorlijk opgeroepen, is verder geen van de belanghebbenden verschenen. 3De feiten 3.1 De rechthebbende is geboren [in] 1974 te [C] . 3.2 Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank op 22 februari 2019, heeft de rechthebbende verzocht bewind in te stellen over de goederen die aan hem (zullen) toebehoren. 3.3 Naar aanleiding van dat verzoek heeft op enig moment een gesprek plaatsgevonden tussen de rechthebbende en een juridisch medewerker van de rechtbank. 3.4 De kantonrechter heeft geen mondelinge behandeling van het verzoek bepaald en heeft het verzoek van de rechthebbende bij de bestreden beschikking toegewezen. 4De omvang van het geschil 4.1 De rechthebbende is in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking en verzoekt het hof deze beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende zijn inleidend verzoek tot het instellen van bewind over de goederen die hem (zullen) toebehoren af te wijzen. 4.2 De bewindvoerder voert verweer en, zo begrijpt het hof, verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen. De overige belanghebbenden zijn niet in de procedure verschenen. 5De motivering van de beslissing 5.1 De rechthebbende is het niet eens met de beslissing van de kantonrechter. Hij voert aan dat hij de onderbewindstelling als zodanig nooit heeft gewild. Hij heeft het intakeformulier ondertekend, maar kende de inhoud daarvan onvoldoende. De rechthebbende is niet goed geïnformeerd over de inhoud en de gevolgen van de onderbewindstelling. Pas na de bestreden beschikking werd hem duidelijk dat het bewind voor onbepaalde tijd is, aldus de rechthebbende. De rechthebbende wenst weliswaar hulp met zijn financiën, maar het is nooit zijn bedoeling geweest om zijn vermogensbeheer voor onbepaalde tijd volledig uit handen te geven aan een bewindvoerder. Een minder ingrijpende maatregel, zoals budgetcoaching of budgetbeheer, was passender geweest gelet op de persoon, de situatie en de wensen van de rechthebbende. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de rechthebbende bovendien verklaard dat hij in eerste aanleg tijdens zijn gesprek met de juridisch medewerker zijn bedoeling naar voren heeft gebracht en dat uit dit gesprek al had moeten blijken dat zijn wil niet overeenkomt met de inhoud van zijn verzoek tot onderbewindstelling. 5.2 Het hof overweegt als volgt. De rechthebbende heeft zelf een verzoek tot onderbewindstelling ingediend en de kantonrechter heeft dat verzoek toegewezen. De rechthebbende erkent dat hij het verzoek tot onderbewindstelling heeft ondertekend. Uit de ondertekening van het verzoek tot onderbewindstelling kan in beginsel worden afgeleid dat de rechthebbende de door de kantonrechter gegeven beslissing heeft gewild. Van belang is echter dat de rechthebbende thans nadrukkelijk betwist dat zijn wil overeenkomt met de inhoud van het verzoekschrift en dat hij stelt dat dit tijdens zijn gesprek in eerste aanleg met een juridisch medewerker door hem naar voren is gebracht. 5.3 Uit artikel 279 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) volgt dat als uitgangspunt heeft te gelden dat een verzoeker op een mondelinge behandeling op het verzoek dient te worden gehoord door de rechter: “De rechter bepaalt, tenzij hij zich aanstonds onbevoegd verklaart of het verzoek toewijst, onverwijld dag en uur waarop de behandeling aanvangt. Hij beveelt tevens de oproeping van de verzoeker (…)” Het ten tijde van het indienen bij de kantonrechter van het verzoekschrift door verzoeker geldende procesreglement sluit daarbij aan: “De kantonrechter bepaalt dag en tijdstip van de mondelinge behandeling, tenzij hij het verzoek aanstonds toewijst (…)”. Ook Aanbevelingen meerderjarigenbewind gaan daarvan uit: “A Het instellen van meerderjarigenbewind
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.