Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-003596-17 Uitspraak d.d.: 6 november 2020 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 29 juni 2017 met parketnummer 18-720347-15 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985, wonende te [woonadres] , [woonplaats] . thans uit anderen hoofde verblijvende in PI Rijnmond - Hoogvliet Stadsgev. R'dam te Hoogvliet Rotterdam. Het hoger beroep De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 23 oktober 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van het hem onder 1 en 3 tenlastegelegde tot gevangenisstraf van drie maanden met aftrek van voorarrest. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. S.A.S. Jansen, naar voren is gebracht. Ontvankelijkheid van het hoger beroep Verdachte is bij vonnis waarvan beroep vrijgesproken van het onder 2 en 4 tenlastegelegde. Hoger beroep tegen deze vrijspraak staat voor verdachte niet open. Het hof zal verdachte daarom in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep. Het vonnis waarvan beroep Verdachte is bij voornoemd vonnis ter zake van het hem onder 1 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie maanden met aftrek van voorarrest. Het hof zal het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen. De tenlastelegging Aan verdachte is -na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg- tenlastegelegd dat: 1.hij op of omstreeks 10 oktober 2015, te [plaats1] , althans in de gemeente [gemeente] [benadeelde partij] heeft mishandeld door die [benadeelde partij] tegen diens keel/hals te slaan/stompen en/of onverhoeds bij de keel te grijpen en/of hard te duwen. 3.hij op of omstreeks 19 november 2015, te [plaats2] , althans in de gemeente [gemeente] , een of meer wapens van categorie III, te weten twee, althans een gaspisto(o)l(en), merk: [merk] , type [type] , en/of munitie van categorie III, te weten 46, althans een aantal, knalpatronen en/of dertien, althans een aantal, centraalvuur kogelpatronen, voorhanden heeft gehad. Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Bewijsoverweging ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde Standpunt van het openbaar ministerie De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het tenlastegelegde. Daartoe heeft de raadsman de verschillende voor verdachte belastende verklaringen bestreden. Volgens de verdediging kan niet worden vastgesteld dat er sprake is geweest van letsel bij het slachtoffer, nu verbalisanten geen uitwendig letsel hebben waargenomen en het dossier geen geneeskundige verklaring bevat. Ten aanzien van het bestanddeel ‘het grijpen bij de keel’ bevat het dossier slechts één verifieerbaar bewijsmiddel, te weten de verklaring van getuige [getuige] . Cliënt heeft verklaard dat hij het slachtoffer met twee handen tegen zijn borst heeft geduwd. Oordeel van het hof Het hof is van oordeel dat de namens verdachte gevoerde verweren strekkende tot vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde feit worden weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Op basis van de in het dossier opgenomen bewijsmiddelen komt het hof tot de volgende reconstructie en wordt het volgende overwogen. Aangever [benadeelde partij] heeft op 10 oktober 2015 aangifte gedaan tegen verdachte wegens mishandeling, gepleegd op 10 oktober 2015, omstreeks 22:15 uur in [plaats1] . Hij heeft verklaard dat verdachte hem tegen de hals op het strottenhoofd sloeg, waardoor aangever pijn voelde. Getuige [getuige] heeft onder meer gezien dat de man (het hof leest: verdachte) aangever boven bij de keel greep. Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt dat een getuige telefonisch is gehoord. De getuige wenste anoniem te blijven uit angst voor represailles. De anonieme getuige heeft gezien dat verdachte een grijpende-, dan wel slaande beweging maakte in de richting van de keel van aangever. Op grond van vorenstaande bewijsmiddelen is naar het oordeel van het hof buiten redelijke twijfel komen vast te staan dat verdachte het slachtoffer heeft mishandeld. Uit de aangifte en getuigenverklaringen leidt het hof af dat verdachte een grijpende- dan wel slaande beweging heeft gemaakt tegen de keel/hals van het slachtoffer. Hierdoor heeft het slachtoffer pijn ondervonden. Het hof acht de verklaring van aangever, in combinatie met de verklaringen van getuigen betrouwbaar en zal deze ook voor het bewijs bezigen. Het hof acht de verklaring van verdachte ter zitting in hoger beroep, dat hij het slachtoffer enkel met twee handen tegen zijn borst heeft geduwd, niet geloofwaardig. Voorts is het hof van oordeel dat het slaan tegen de keel/hals naar algemene ervaringsregels kan leiden tot pijn, hetgeen aangever in onderhavige zaak ook heeft aangegeven. Daarmee komt het hof tot een bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde. Bewijsoverweging ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde Standpunt van het openbaar ministerie De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het tenlastegelegde feit, nu verdachte enkel defecte onderdelen van twee alarmpistolen voorhanden heeft gehad. Verdachte erkent dat hij munitie voorhanden heeft gehad. Oordeel van het hof Ten aanzien van de wapens De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat verdachte enkel defecte onderdelen van twee alarmpistolen voorhanden heeft gehad. Dat betekent volgens de raadsman dat nu verdachte geen werkend alarmpistool heeft kunnen maken van de onderdelen van die twee alarmpistolen, omdat het defecte onderdelen waren, verdachte van de tenlastelegging dient te worden vrijgesproken. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Op basis van de in het dossier opgenomen bewijsmiddelen komt het hof tot de volgende reconstructie. Uit het dossier blijkt dat op 19 november 2015 verbalisanten naar de [adres] te [plaats2] gaan om verdachte aan te houden. Verbalisant [verbalisant1] treft aldaar in de dakgoot van de schuur een plastic tas aan met voorwerpen, zijnde twee vuurwapens en een patroonhouder van het merk [type] . Uit het proces-verbaal van onderzoek wapen blijkt dat de twee onderzochte wapens vuurwapens zijn in de zin van artikel 1 onder 3, gelet op artikel 2, lid 1, categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie. Conclusie Het hof is van oordeel dat de aangetroffen semiautomatische gaspistolen, ook in onderdelen, naar hun aard wapens zijn waarmee kan worden geschoten. Dit oordeel blijft zo, ook al is het betreffende wapen door een defect op enig moment niet geschikt om projectielen door een loop af te schieten. Het defect staat op zichzelf er niet aan in de weg dat het voorwerp kan worden aangemerkt als een wapen als bedoeld in artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie (vgl. HR 5 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3503). Het verweer wordt verworpen. Ten aanzien van de munitie Met betrekking tot het voorhanden hebben van munitie is sprake van een bekennende verdachte. Gelet op het bepaalde in artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering, volstaat het hof met een opsomming van de bewijsmiddelen. De bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 23 oktober
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.