Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-002502-20 Uitspraak d.d.: 10 november 2020 TEGENSPRAAK Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 15 juli 2020 met parketnummer 16-263649-18 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996, thans ingeschreven en verblijvende in de PI Vught - Nieuw Vosseveld 2 GEV te Vught. Het hoger beroep De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 27 oktober 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bewezenverklaring van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag en oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van voorarrest, oplegging van de maatregel terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege en gehele toewijzing van de vordering van de benadeelde partij vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. T.J.F. Wassenaar, naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep De rechtbank heeft de primair ten laste gelegde poging tot doodslag bewezen verklaard en aan verdachte een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 25 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De rechtbank heeft daarbij geen bijzondere voorwaarden opgelegd. Voorts heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 3.422,83 vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij is niet-ontvankelijk verklaard in het overige deel van de vordering. Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen. De tenlastelegging Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep - tenlastegelegd dat: primair: hij op of omstreeks 22 december 2018 te [plaats] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [benadeelde partij] van het leven te beroven, met dat opzet met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen, althans eenmaal, in de buik en/of rug en/of (rechter)schouder en/of (linker)hand, althans in het lichaam, van die [benadeelde partij] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; subsidiair: hij op of omstreeks 22 december 2018 te [plaats] , althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade aan [benadeelde partij] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen, althans eenmaal, in de buik en/of rug en/of (rechter)schouder en/of (linker)hand, althans in het lichaam, van die [benadeelde partij] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Overwegingen met betrekking tot het bewijs van het primair ten laste gelegde Vrijspraak voorbedachte raad Het hof is met de advocaat-generaal en de raadsman en in lijn met de beslissing hieromtrent van de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van wettig en overtuigend bewijs voor voorbedachte raad, zodat verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging moet worden vrijgesproken. Opzet Door de raadsman is ter zitting van het hof naar voren gebracht, dat er bij het handelen van verdachte geen sprake was van een aanmerkelijke kans op de dood. De raadsman heeft geen gevolgen verbonden aan deze stelling, maar het hof zal het betoog van de raadsman opvatten als een verweer gericht tegen een bewezenverklaring van opzet op de dood. De raadsman heeft hieromtrent verder naar voren gebracht dat het mes waarmee verdachte aangever heeft gestoken, volgens een getuige tijdens het incident vrijwel direct afbrak en dat er slechts sprake was van oppervlakkig letsel. Verdachte heeft hieromtrent ter zitting van het hof verklaard dat het klopt dat hij aangever heeft gestoken, maar dat het niet zijn bedoeling was dat aangever dood zou gaan. Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Op grond van die bewijsmiddelen stelt het hof de volgende feiten vast. Verdachte, die ten tijde van het tenlastegelegde in het kader van een PIJ-maatregel (plaatsing in een inrichting voor jeugdigen) verbleef in een justitiële jeugdinrichting, stond met een mes, dat wordt omschreven als een fileermes, een appel te schillen. Hij keek in de richting van aangever, met wie hij vlak daarvoor een gesprek had gehad dat verdachte als zeer intimiderend en bedreigend had ervaren en zei: “Nu is hij van mij.” Hij liep op aangever toe die op een bank zat met de rug naar verdachte toe. Verdachte legde zijn linkerarm om aangever heen en stak met het mes meermalen richting het bovenlichaam van aangever. Hierbij raakte hij aangever minstens vijf keer. Uit de medische verklaring blijkt dat aangever steekwonden had: onder meer ter hoogte van de borstholte (rugzijde), de buik en twee op zijn rechterschouder. Ook blijkt uit deze medische verklaring dat als gevolg van het steken de lever van aangever was geraakt. Terwijl verdachte nog steekbewegingen maakte in de richting van aangever, werd hij overmeesterd door twee medewerkers van de inrichting. Een van deze medewerkers had gezien dat tijdens het steken iets wegschoot bij verdachte. Na afloop werd het mes in twee stukken aangetroffen: het lemmet en het handvat waren van elkaar gescheiden. Verdachte heeft met een fileermes gestoken in de borst en buik van aangever, waar zich vitale organen bevinden. Dit levert op een aanmerkelijke kans dat fataal letsel wordt veroorzaakt. Dat het mes op een gegeven moment tijdens het steken is afgebroken en het feit dat het letsel van aangever relatief beperkt bleek, doet daar niet aan af. Deze gedragingen van verdachte zijn naar hun uiterlijke verschijningsvorm gericht geweest op het teweegbrengen van de dood van aangever. Dat verdachte de bedoeling heeft gehad om aangever te doden, vindt bovendien bevestiging in zijn vlak na dit handelen tegenover getuige [getuige] geuite woorden: “Ik hoop dat die jongen doodbloedt. Wie denkt hij dat ik ben.”. Ook blijkt uit het dossier dat verdachte terwijl hij werd overmeesterd riep: “Ik weet wat de consequenties van het voorval zijn, maar hij moet dood!”. Op grond van voorgaande wordt het verweer van de raadsman verworpen. Bewezenverklaring Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 22 december 2018 te [plaats] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [benadeelde partij] van het leven te beroven, met dat opzet met een mes in de buik en rug en rechterschouder en linkerhand van die [benadeelde partij] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: poging tot doodslag. Strafbaarheid van de verdachte Het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, locatie Pieter Baan Centrum, heeft op 24 maart 2020 een rapport Pro Justitia uitgebracht over verdachte (hierna te noemen: het PBC rapport of het rapport). Het rapport is opgemaakt door de deskundigen H.T.J. Boerboom, psychiater, en I. Schilperoord, psycholoog. De deskundigen concluderen dat bij verdachte sprake is van een beneden gemiddelde intelligentie en ook dat sprake is van een aangeboren hersenafwijking, die te classificeren is als een neurobiologische ontwikkelingsstoornis met prenatale blootstelling aan alcohol (partiële FASD). Daarnaast concluderen de deskundigen dat bij verdachte door een onveilig opvoedklimaat, geweld, het getuige zijn van seksueel geweld en de onvoorspelbaarheid van verschillende opvoeders – naast het feit dat sprake is van een partiële FASD en mogelijke erfelijke aanleg – sprake is van een onveilige hechting, waarschijnlijk van een gedesorganiseerde onveilige hechting. Mogelijk vanuit de partiële FASD en de mogelijke erfelijke aanleg, maar ook vanuit de onmacht van verdachte om met zijn emoties op te gaan (met mede de oorzaak in de hechting en de traumatische ervaringen) heeft verdachte een geschiedenis van fors middelengebruik. De deskundigen spreken dan ook van een stoornis in het middelengebruik (cocaïne, alcohol, cannabis) in gedeeltelijke remissie, onder gecontroleerde omstandigheden. De deskundigen overwegen verder dat het waarschijnlijk is dat het gedrag van verdachte ten tijde van het tenlastegelegde is beïnvloed vanuit zijn pathologie. Op basis van hetgeen in het rapport is omschreven en verdachtes voorgeschiedenis, concluderen de deskundigen dat het waarschijnlijk is dat bij verdachte ten minste sprake is van verminderde toerekeningsvatbaarheid. Het hof neemt deze conclusie van de deskundigen op de in het rapport genoemde gronden over. Het hof concludeert daarom dat het hiervoor bewezen verklaarde in verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend. Verdachte is wel strafbaar aangezien geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid volledig uitsluiten. Oplegging van straf De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Verdachte, die ten tijde van het bewezenverklaarde in het kader van een PIJ-maatregel in een justitiële jeugdinrichting verbleef, heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag op een medegedetineerde. Verdachte heeft deze medegedetineerde onverhoeds aangevallen en meermalen met een mes in het bovenlichaam gestoken, waardoor het slachtoffer het leven had kunnen verliezen. Dat het slachtoffer niet dodelijk gewond is geraakt, is niet aan verdachte te danken. Aan het geweld kwam een eind toen medewerkers van de inrichting verdachte overmeesterden. De aanval van verdachte is voor het slachtoffer een angstige ervaring geweest. Slachtoffers van dit soort feiten kunnen nog lange tijd nadelige psychische gevolgen ondervinden van hetgeen hen is overkomen. Dat het handelen van verdachte daadwerkelijk grote impact heeft (gehad) op het slachtoffer, blijkt uit zijn schriftelijke slachtofferverklaring die zich in het dossier bevindt en de toelichting die zijn advocaat ter zitting van het hof heeft gegeven. Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, dient naar het oordeel van het hof een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf opgelegd te worden. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 20 maanden een passende en geboden bestraffing is, mede in aanmerking genomen de maatregel die aan verdachte zal worden opgelegd, zoals hierna aan de orde zal komen. Dit betekent dat verdachte op korte termijn aan deze behandeling in het kader van voornoemde maatregel zal kunnen beginnen. Het hof zal deze straf aan verdachte opleggen. Oplegging van maatregel De advocaat-generaal heeft gevorderd om aan verdachte een terbeschikkingstelling (hierna: TBS) met verpleging van overheidswege op te leggen. Door de verdediging is verzocht om conform de uitspraak van de rechtbank een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. De raadsman heeft nog aangevoerd dat deze op te leggen straf eventueel kan worden aangevuld met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. De verdediging heeft met klem verzocht om geen TBS op te leggen. Het hof overweegt als volgt. Een verdachte bij wie tijdens het begaan van een feit een gebrekkige ontwikkeling en/of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond, kan op last van de rechter ter beschikking worden gesteld indien het door hem begane feit een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld en de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen het opleggen van die maatregel eist. Zoals hiervoor reeds overwogen, is door deskundigen vastgesteld dat bij verdachte ten tijde van het begaan van de bewezen verklaarde feiten een gebrekkige ontwikkeling en/of een ziekelijke stoornis bestond. Het hof neemt deze conclusie over. Voorts betreft het bewezen verklaarde feit een misdrijf, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. De deskundigen Boerboom en Schilperoord hebben zich ook uitgelaten omtrent de kans op recidive en hebben aanbevelingen gedaan om dit recidivegevaar te beperken. Zo is in het PBC-rapport opgenomen, zakelijk weergegeven: In betrokkenes leven blijven de partiële FASD en de onveilige, gedesorganiseerde hechting terugkomen. De partiële FASD is een levenslange diagnose, die niet door behandeling kan worden ‘genezen’. Betrokkene zou hier wel middels psycho-educatie meer inzicht in kunnen en moeten verkrijgen. Hetzelfde geldt voor de hechtingsproblematiek. Op het gebied van emotieregulatie kan betrokkene in principe ook wel zaken leren, zoals het leren differentiëren tussen verschillende emoties, en het aanleren van andere vormen van ‘coping’ (manieren om met deze emoties om te gaan). Dit is in het verleden ook wel gebeurd. Het probleem is alleen dat betrokkene op het moment dat hij door prikkels en emoties wordt overspoeld, hij hier dermate door in beslag wordt genomen dat hij het geleerde niet in de praktijk kan brengen. Er zijn in de kern bij hem geen gewelddadige opvattingen. De respons op behandeling is slecht geweest en is nog steeds slecht. Betrokkene heeft nauwelijks tot geen inzicht in zijn stoornissen en de noodzaak van behandeling. Er is sprake van een ernstige psychische stoornis en er is affectieve, gedragsmatige en cognitieve instabiliteit. Hij heeft een klein netwerk en de behandel-/begeleidingsrespons is sterk afhankelijk van stress en de onder druk staande coping. De kans op recidive op gewelddadig gedrag wordt dan ook als hoog ingeschat, als hij niet begeleid en behandeld gaat worden. Betrokkene is door de FASD slecht leerbaar. Er moet in de behandeling/begeleiding uitgegaan worden van het handicapmodel, waarbij de behandeling gericht zal moeten zijn op het verminderen van interne en externe prikkels, zodat betrokkene niet overbelast wordt. Psycho-educatie is van het grootste belang. Daarbij moet heel praktisch gekeken worden op zijn niveau wat hij aankan. Het advies omtrent medicatie uit het rapport uit 2018 (toevoeging hof: rapport van de observatieafdeling van Teylingereind d.d. 31 mei 2018) blijft nog steeds valide. Medicatie kan het overprikkeld raken verminderen en het is dus van belang dit vanuit de psycho-educatie gedegen uit te proberen. Verder moeten praktische zaken voor hem geregeld worden. Een pedagogisch behandelklimaat, waarbij men gericht is op eigen verantwoordelijkheid en vaardigheden ontwikkelen, moet vermeden worden. Eigen verantwoording en vaardigheden leren kan alleen vanuit een situatie waarin duidelijk is dat betrokkene niet overspoeld wordt. Dit is een traject van vallen en opstaan. Daarbij moet er voor hem uitzicht zijn op een toekomst en resocialisatie. Dit laatste is van groot belang om betrokkene gemotiveerd te houden voor de behandeling. Ondanks dat betrokkene een grote drang heeft naar autonomie, beseft hij ook dat geheel zelfstandig wonen voor hem lastig zal zijn en dat hij blijvend ondersteuning nodig zal hebben. Hij toont zich gemotiveerd om te zijner tijd begeleid te gaan wonen, met aandacht voor ondersteuning, toezicht op medicatie en middelenabstinentie en relatieve prikkelarmoede. Indien mogelijk zou op deze leerpunten en toekomstdoelen die betrokkene zelf (ook) ziet aangegrepen kunnen worden. Omdat betrokkene zoals beschreven geen man is die primair gericht is op agressie naar mensen zou, indien de strafmaat het toelaat, de hierboven behandeling/begeleiding vorm gegeven kunnen worden in het kader van een TBS met voorwaarden. Een klinisch begin is noodzakelijk, waarbij gezien de mogelijkheden qua afdelingen (langdurige zorg afdelingen met voldoende rust) en expertise (gezien de complexe problematiek) een FPK geïndiceerd is. Ook heeft het hof gelet op de inhoud van het rapport van de reclassering d.d. 17 juni
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.