← Nederland

ECLI:NL:GHARL:2020:9573

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer : Wahv 200.267.433/01 CJIB-nummer : 199242725 Uitspraak d.d. : 18 november 2020 Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland van 22 augustus 2019, betreffende [betrokkene] (hierna: de betrokkene), gevestigd te [A] . De gemachtigde van de betrokkene is mr. J.J.O. Zandt, advocaat te Amsterdam. De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard. Het verloop van de procedure De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. Er is daarnaast gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen. De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend. De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht. De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. De zaak is behandeld op de zitting van 4 november

  1. De gemachtigde van de betrokkene is niet verschenen. De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door mr. [B] . De beoordeling
  2. Bij arrest van 19 juni 2019 heeft het hof de beslissing van de kantonrechter van 26 juni 2017 vernietigd omdat de officier van justitie niet na het instellen van beroep bij de kantonrechter op de verplichting tot zekerheidsstelling heeft gewezen. Het hof heeft de zaak teruggewezen naar de rechtbank Noord-Holland en heeft geoordeeld dat voor zover er nog geen zekerheid is gesteld, de kantonrechter na terugwijzing van de zaak een nieuwe termijn dient te bepalen waarbinnen alsnog zekerheid moet worden gesteld. Daarvan moet door de griffier van de rechtbank aan de gemachtigde mededeling worden gedaan met inachtneming van artikel 11, vierde lid, van de Wahv.
  3. Bij brief van 4 juli 2019 heeft de griffier van de rechtbank erop gewezen dat uiterlijk binnen vier weken na verzending van deze brief het volledige bedrag van de zekerheid door bijschrijving op de rekening van het CJIB dient te zijn betaald. Verder is in deze brief aangegeven dat bij niet tijdige betaling het beroep niet-ontvankelijk zal worden verklaard en niet inhoudelijk zal worden behandeld. Bij de thans bestreden beslissing van 22 augustus 2019 heeft de kantonrechter het beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat er geen zekerheid is gesteld.
  4. De gemachtigde stelt zich op het standpunt dat de kantonrechter het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. De gemachtigde heeft slechts een ontvangstbevestiging, verstuurd op 4 juli 2019, ontvangen. In deze brief is geen verzoek gedaan om zekerheid te stellen. In ieder geval is duidelijk dat er geen herinnering is gestuurd.
  5. De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt gesteld dat aannemelijk is dat de zekerheidsbrief van 4 juli 2019 aan de gemachtigde is toegezonden en voorts dat in dit geval één zekerheidsbrief volstaat, mede in aanmerking genomen dat de gemachtigde als professioneel rechtsbijstandverlener kan worden aangemerkt.
  6. Het hof stelt vast dat de officier van justitie in de procedure die heeft geleid tot het arrest van 19 juni 2019 geen enkele zekerheidsbrief heeft verzonden. Het is vaste rechtspraak dat er twee zekerheidsbrieven aan de betrokkene dienen te worden verstuurd (vgl. het arrest van dit hof van 30 november 2018, te vinden op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2018:10471). De kennelijke opvatting van de kantonrechter en de advocaat-generaal dat in dit geval na de terugwijzing volstaan kan worden met één brief, vindt geen steun in het recht. De omstandigheid dat de gemachtigde een professioneel rechtsbijstandverlener is doet hieraan niet af, nu het verzenden van twee brieven een voorwaarde is waaraan moet zijn voldaan om tot niet-ontvankelijkverklaring te kunnen overgaan. De vraag of de zekerheidsbrief van 4 juli 2019 is verzonden behoeft gelet hierop geen bespreking.
  7. Gelet hierop moet de beslissing van de kantonrechter worden vernietigd en de zaak worden teruggewezen naar de rechtbank.
  8. Nu de betrokkene niet in het gelijk is gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336). Dit neemt niet weg dat de kantonrechter, als hij de inleidende beschikking vernietigt dan wel deze wijzigt voor wat betreft het sanctiebedrag, de feitcode of de omschrijving van de gedraging en besluit tot toekenning van een proceskostenvergoeding, de in hoger beroep gemaakte proceskosten voor vergoeding in aanmerking kan brengen. Dat betreft als kosten van rechtsbijstand de indiening van een hoger beroepschrift (1 procespunt) en de nadere toelichting op het hoger beroep (0,5 procespunt). Het gewicht van de zaak in hoger beroep is licht (wegingsfactor 0,5).
  9. Ter zitting heeft de gemachtigde van de advocaat-generaal erop gewezen dat de vastgestelde verhogingen van de sanctie ten onrechte zijn opgelegd en ongedaan moeten worden gemaakt. De beslissing Het gerechtshof: vernietigt de bestreden beslissing en wijst de zaak terug naar de rechtbank ter behandeling en beslissing met inachtneming van dit arrest; wijst het verzoek om vergoeding van kosten af; stelt vast dat de verhogingen van de sanctie ten onrechte zijn toegepast. Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Pranger als griffier en op een openbare zitting uitgesproken. De griffier is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.