GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.220.027 (zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, 4921309) arrest van 24 november 2020 in de zaak van [appellant] , wonende te [A] , appellant, hierna: [appellant] , advocaat: mr. S.J.W.M. Vonken, tegen: de coöperatie Coöperatieve Rabobank U.A., gevestigd te Amsterdam, geïntimeerde, hierna: Rabobank, advocaat: mr. O.F. Blom. 1Het geding in eerste aanleg Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 8 februari 2016, 13 april 2016, 29 oktober 2016 en 29 maart 2017, die de kantonrechter (rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht) heeft gewezen. 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding in hoger beroep d.d. 20 juni 2017, - de memorie van grieven tevens houdende wijziging van eis, - de memorie van antwoord in principaal hoger beroep, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep (met producties), - de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep, - de pleidooien overeenkomstig de pleitnotities, gehouden op 2 oktober 2020. 2.2 Vervolgens heeft het hof arrest bepaald. 2.3 [appellant] vordert, verkort weergegeven, dat het hof, uitvoerbaar bij voorraad, het tussenvonnis van 19 oktober 2016 en het eindvonnis van 29 maart 2017 zal vernietigen en de subsidiaire vorderingen alsnog zal toewijzen door: -voor recht te verklaren dat de clausule in de “Regeling voor EK-leden” en de Rabobank CAO, inhoudende dat “de hoogte van de beëindigingsvergoeding wordt afgetopt op het inkomen dat het EK-lid/de medewerker verdiend zou hebben als hij tot 65 jaar was blijven werken” in strijd is met de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid (WGBLA), met de Richtlijn 2007/78 en met het beginsel van gelijke behandeling als algemeen beginsel van het Unirecht en daarom nietig is, -Rabobank te veroordelen tot terugbetaling van hetgeen ter uitvoering van de bestreden vonnissen is voldaan, vermeerderd de wettelijke rente, en -tot voldoening van de proceskosten in beide instanties. 2.4 Rabobank vordert in het incidenteel hoger beroep dat het hof de vonnissen van de kantonrechter van 19 oktober 2016 en 29 maart 2017, zo nodig met verbetering van gronden, zal bekrachtigen. 3. De beoordeling van de beslissing in het principaal en incidenteel hoger beroep Inleiding 3.1 [appellant] , geboren [in] 1954, is [in] 1981 in dienst van Rabobank. Vanaf 1 april 2009 was hij werkzaam als [functie] van de Rabobank Hilversum-Vecht en Plassen, laatstelijk tegen een salaris van € 20.816,66 bruto per maand. Dit kantoor is in het kader van een reorganisatie samengevoegd met enkele andere kantoren tot Rabobank Gooi en Vechtstreek. [appellant] heeft gesolliciteerd op de functie van [functie] van dit kantoor maar is in die functie niet benoemd. [appellant] is in december 2015 boventallig verklaard per 1 mei 2016. Op hem is van toepassing de “Regeling voor EK-leden in geval van een reorganisatie met personele gevolgen” (hierna: de EK-regeling). Hierin is – onder meer – bepaald dat het boventallig verklaarde EK-lid gedurende maximaal 10 maanden gebruik kan maken van door Rabobank geboden begeleiding bij het vinden van ander werk. Vindt het EK-lid geen ander werk, dan ontvangt hij van Rabobank een beëindigingsvergoeding overeenkomstig de tot 1 juli 2015 in ontbindingszaken toegepaste kantonrechtersformule met correctiefactor 1. In de EK-regeling is bepaald dat de beëindigingsvergoeding waarop het EK-lid aanspraak heeft wordt ‘afgetopt’: “De hoogte van de beëindigingsvergoeding wordt afgetopt op het inkomen dat het EK-lid verdiend zou hebben als hij tot 65 jaar was blijven werken” (hierna: de aftoppingsclausule). De arbeidsovereenkomst tussen partijen is per 1 juni 2017 met wederzijds goedvinden geëindigd. De in dat kader gemaakte afspraken zijn vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst. Daaruit blijkt dat [appellant] een beëindigingsvergoeding heeft ontvangen van € 595.144,35 bruto, die is gebaseerd op de kantonrechtersformule met correctiefactor C=1. Deze vergoeding is ingevolge de aftoppingsclausule beperkt tot de hoogte van het salaris dat [appellant] had kunnen verdienen als hij tot het bereiken van de leeftijd van 65 jaar zou zijn blijven werken. [appellant] bereikt per 1 maart 2021 de AOW-gerechtigde leeftijd. Het geschil en de beslissing 3.2 Inzet van deze procedure is de vraag of Rabobank gerechtigd was de beëindigingsvergoeding van [appellant] af te toppen. [appellant] meent dat dat niet het geval is en dat hij aanspraak kan maken op de volledige vergoeding. Hij baseert zijn vordering op twee grondslagen. Allereerst stelt hij dat de aftoppingsclausule zo moet worden uitgelegd dat de beëindigingsvergoeding wordt afgetopt op het inkomen dat het EK-lid verdiend zou hebben als hij tot de AOW-gerechtigde leeftijd was blijven werken (I). Hoewel dit in het petitum van de dagvaarding in hoger beroep niet is opgenomen, is ter zitting is besproken dat het zijn bedoeling is om ook in hoger beroep de op die grondslag gebaseerde, in eerste aanleg gevorderde, verklaring voor recht voor te leggen, zoals ook door Rabobank is begrepen. De tweede grondslag van zijn vordering is gebaseerd op stelling dat de aftoppingsclausule leeftijdsdiscriminatie oplevert en in strijd is met de WGBLA (II). 3.3 Het hof zal de vordering van [appellant] afwijzen. Het hof zal dit oordeel hierna toelichten, waarbij het zal ingaan op de twee genoemde grondslagen. Allereerst schetst het hof de achtergrond van de aftoppingsclausule, omdat deze voor de beoordeling van beide grondslagen van belang is. Achtergrond van de aftoppingsclausule 3.4 Tussen partijen staat vast dat de EK-regeling weliswaar eenzijdig is vastgesteld door Rabobank, maar dat deze rechtstreeks is gebaseerd op het sociaal plan dat met ingang van 1 mei 2013 van kracht was en is opgenomen in de Rabobank CAO 2013-2015, die vanaf 1 juli 2013 gold (hierna: het sociaal plan). Dat blijkt ook uit de inleiding van de EK-regeling (“Op een aantal plaatsen in deze regeling wordt verwezen naar specifieke bepalingen in het Sociaal Plan zoals in de Rabobank CAO”). Het sociaal plan is tot stand is gekomen na onderhandelingen met de sociale partners. Het sociaal plan kent in artikel III.6.5.9 een aftoppingsclausule die vrijwel identiek is aan de aftoppingsclausule in de EK-regeling. In het “Onderhandelingsresultaat Rabobank cao 2013-2015” van 12 april 2013, waarin de resultaten van de onderhandelingen tussen sociale partners over de cao en het (bijbehorende) sociaal plan zijn vastgesteld, staat onder meer: “Dit onderhandelingsresultaat is tot stand gekomen na lang en intensief overleg, in een tijdsgewricht waarin de financiële sector zowel vanwege het economisch als het politieke en maatschappelijke klimaat sterk onder druk staat. (…) Voor een groot aantal medewerkers zal het werk vervallen. Het kostenniveau zal substantieel verlaagd worden. Een versobering van de arbeidsvoorwaarden zal voor alle medewerkers in de organisatie, ook het senior management, merkbaar zijn. (…) ”. 3.5 Het sociaal plan is van toepassing op medewerkers van Rabobank, inclusief de statutaire directieleden. Rabobank stelt dat zij bij de behandeling van de EK-leden in het kader van de reorganisatie geen onderscheid heeft willen maken tussen ‘gewone’ statutaire directieleden, op wie de cao van toepassing is, en statutaire directieleden die EK-lid zijn. [appellant] heeft die stelling niet betwist, zodat het hof bij de beoordeling daarvan uitgaat. Deze verwevenheid brengt mee dat bij de beoordeling van de EK-regeling ook betekenis toekomt aan de tekst en achtergrond van het sociaal plan. Grondslag I: uitleg van de aftoppingsclausule standpunten van partijen 3.6 [appellant] stelt dat de aftoppingsclausule aldus moet worden uitgelegd dat de vergoeding moet worden afgetopt tot het inkomen op AOW-gerechtigde leeftijd in plaats van de 65-jarige leeftijd. Ter onderbouwing van de door hem bepleite uitleg stelt hij dat bedoeld is om aan te sluiten bij de AOW- en pensioengerechtigde leeftijd, zoals die indertijd gold en die ook was neergelegd in aanbeveling 3.5 bij de kantonrechtersformule. De ratio achter de aftopping is bij die lezing ook duidelijk en de rechtsgevolgen aanvaardbaar, omdat dan maximaal de inkomstenderving tot aan de AOW- en pensioengerechtigde leeftijd als vergoeding wordt uitbetaald. Die bedoeling blijkt ook uit het feit dat in het nieuwe sociaal plan, dat geldt vanaf 2017, wel is aangesloten bij de AOW-leeftijd, aldus [appellant] . Rabobank stelt daarentegen dat (hoewel ten tijde van het akkoord tussen sociale partners de wet ter verhoging van de AOW-leeftijd al was ingegaan) welbewust is gekozen voor de leeftijd van 65 jaar en dat die keuze gerechtvaardigd was in het kader van het verdelen van de totaal voor de reorganisatie beschikbare middelen. Volgens Rabobank is aangesloten bij de pensioenleeftijd zoals die destijds stond in de arbeidsovereenkomsten met EK leden. Rabobank heeft in dit verband ook gesteld dat EK leden in de praktijk veelal voor het bereiken van de leeftijd van 65 jaar met pensioen gingen. De latere aansluiting van de AOW-leeftijd in het nieuwe sociaal plan is gepaard gegaan met een aanzienlijke versobering van het pakket maatregelen, aldus Rabobank. toetsingskader 3.7 Voor de uitleg van de EK-regeling geldt de zogenoemde cao-norm. Deze houdt in dat aan een bepaling van een cao een uitleg naar objectieve maatstaven moet worden gegeven, waarbij in beginsel de bewoordingen van die bepaling, gelezen in het licht van de gehele tekst van de cao, van doorslaggevende betekenis zijn, zodat het niet aankomt op de bedoelingen van de partijen die de cao tot stand hebben gebracht, voor zover deze niet uit de daarin opgenomen bepalingen kenbaar zijn, maar op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen waarin de cao is gesteld. Bij deze uitleg kan onder meer acht worden geslagen op de elders in de cao gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden. Ook de bewoordingen van de eventueel bij de cao behorende schriftelijke toelichting moeten bij de uitleg van de cao worden betrokken. Indien de bedoeling van de partijen bij de cao naar objectieve maatstaven volgt uit de cao-bepalingen en de eventueel daarbij behorende schriftelijke toelichting, en dus voor de individuele werknemers en werkgevers die niet bij de totstandkoming van de overeenkomst betrokken zijn geweest, kenbaar is, kan ook daaraan bij de uitleg betekenis worden toegekend (zie onder meer HR 4 mei 2018, ECLI:NL:HR 2018:678). oordeel van het hof 3.8 Toepassing van dit toetsingskader leidt tot het volgende. De tekst van de aftoppingsclausule is duidelijk: daarin staat dat de aftopping van de vergoeding plaatsvindt tot het inkomen dat het EK-lid verdiend zou hebben tot het bereiken van de leeftijd van 65 jaar. In de tekst van de EK-regeling en in de tekst van het sociaal plan waarop deze is gebaseerd ziet het hof geen aanknopingspunten voor de stelling van [appellant] dat, ondanks de duidelijke tekst in de aftoppingsclausule, bedoeld zou zijn om aan te sluiten bij de op enig moment geldende AOW-gerechtigde leeftijd. [appellant] heeft niet betwist dat ten tijde van het bereiken van het onderhandelingsresultaat op 12 april 2013 de AOW-gerechtigde leeftijd al hoger was dan 65 jaar ingevolge de Wet ter verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd van 12 juli 2012. Dat gegeven, en dat toen al duidelijk was dat er nog verdere verhogingen van de AOW-gerechtigde leeftijd in het verschiet lagen, duidt er - naast de eerdergenoemde duidelijke bewoordingen - veeleer op dat de bedoeling van de cao-partijen gericht was op het kiezen van de vaste leeftijd van 65 jaar voor de aftopping, zoals Rabobank ook stelt. [appellant] heeft geen stukken of andere kenbare bronnen aangewezen waaruit naar objectieve maatstaven blijkt dat is bedoeld om aan te sluiten bij de AOW- en pensioengerechtigde leeftijd. Dat bij aansluiting bij die leeftijd de inkomstenderving tot aan de AOW- en pensioengerechtigde leeftijd als vergoeding wordt uitbetaald en dat daarmee recht aan de ratio van de aftoppingsclausule zou worden gedaan, zoals hij stelt, is daarvoor onvoldoende, nog daargelaten dat Rabobank nu juist stelt dat de ratio was om af te toppen op het inkomen tot 65 jaar. Ook uit het feit dat bij het sociaal plan dat gold vanaf 1 januari 2017 wel is aangesloten bij de AOW-gerechtigde leeftijd kan (naar objectieve maatstaven) niet volgen dat bedoeld is dat in het eerder geldende sociaal plan en de daarop gebaseerde EK-regeling ook te doen, nu vaststaat dat de keuze in het nieuwe sociaal plan en EK-regeling vergezeld is gegaan van een aanzienlijke versobering van het voorzieningenpakket (voor [appellant] zou die erop neerkomen dat zijn beëindigingsvergoeding één jaarsalaris zou bedragen). conclusie grondslag I 3.9 Het hof verwerpt dus de door [appellant] bepleite uitleg van de aftoppingsclausule, zodat de gevorderde verklaring voor recht niet op deze grondslag toewijsbaar is. Grondslag II: aftoppingsclausule in strijd met de WGBLA toepassing WGBLA 3.10 Rabobank stelt dat de WGBLA niet van toepassing is, omdat sprake is van beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden. Dit verweer slaagt niet. Los van de vraag of het sluiten van de vaststellingsovereenkomst voortvloeiende uit de reorganisatie in dit concrete geval gelijk is te stellen aan een beëindiging met wederzijds goedvinden, hebben partijen in artikel 22 van de vaststellingsovereenkomst de aanspraak die [appellant] meent te kunnen maken op basis van de subsidiaire grondslag van zijn vordering (welke grondslag in dit hoger beroep ter beoordeling voor ligt) uitdrukkelijk uitgezonderd van hun regeling en de finale kwijting. Partijen hebben afgesproken dat het hen vrij staat daarover door te procederen. Daarmee staat vast dat in ieder geval op dat onderdeel geen sprake is van beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden. 3.11 Daarmee komt het hof toe aan de vraag of de aftoppingsregeling in strijd is met de WGBLA, omdat sprake is van ongeoorloofde leeftijdsdiscriminatie. onderscheid naar leeftijd 3.12 De eerste vraag is of de aftoppingsregeling direct of indirect onderscheid maakt naar leeftijd, zoals [appellant] stelt. Rabobank meent dat daarvan geen sprake is, omdat geen onderscheid is gemaakt tussen EK-leden naar leeftijd en omdat voor iedereen een aftoppingsgrens van 65 jaar geldt, terwijl de gemiddelde pensioenleeftijd voor EK leden altijd onder de 65 heeft geleden. [appellant] is er volgens Rabobank niet slechter afgekomen dan andere groepen van haar werknemers. 3.13 Het hof verwerpt dit verweer van Rabobank. De aftoppingsregeling bevat een leeftijdscriterium van 65 jaar. Oudere EK-leden worden daardoor zwaarder getroffen dan jongere EK-leden, omdat voor die laatste groep de periode tot het bereiken van de leeftijd van 65 jaar langer is. Aftopping van de beëindigingsvergoeding van de groep jongere EK-leden zal dus minder snel aan de orde zijn of minder ingrijpende gevolgen hebben dan bij oudere EK leden. Daarmee is sprake van onderscheid naar leeftijd in de zin van artikel 3 onder c en e WGBLA. Dat is verboden, tenzij sprake is van een objectieve rechtvaardiging (artikel 7 WGBLA). Rabobank stelt, en [appellant] betwist, dat die objectieve rechtvaardiging in dit geval bestaat. objectieve rechtvaardiging toetsingskader 3.14 Voor het toetsingskader verwijst het hof naar het arrest van de Hoge Raad van 24 januari 2020 (ECLI:NL:HR:2020:114). Daaruit blijkt, samengevat, dat de WGBLA moet worden uitgelegd tegen de achtergrond van de Richtlijn 2000/78/EG, die beoogt een algemeen kader te scheppen om voor eenieder gelijke behandeling in arbeid en beroep te waarborgen door eenieder effectieve bescherming te bieden tegen discriminatie op grond van (in dit geval) leeftijd. In de artikelen 3 en 7 WGBLA is het maken van onderscheid op grond van leeftijd bij het aangaan van arbeidsvoorwaarden verboden tenzij dat onderscheid objectief gerechtvaardigd is door een legitiem doel en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn. Een legitiem doel (uitgelegd in de zin van artikel 6 lid 1 van de hiervoor genoemde Richtlijn) wordt gevormd door doelstellingen van sociaal beleid. De sociale partners op nationaal niveau hebben een ruime beoordelingsmarge, niet alleen bij de beslissing welke van meerdere doelstellingen van sociaal en werkgelegenheidsbeleid zij specifiek willen nastreven, maar ook bij het bepalen van de maatregelen waarmee deze doelstellingen kunnen worden verwezenlijkt. Indien een maatregel het resultaat is van een overeenkomst die tot stand is gekomen door onderhandelingen van (de vertegenwoordigers van) de werknemers en (de vertegenwoordigers van) de werkgevers, is het aan de sociale partners overgelaten om een evenwicht te bepalen tussen hun respectieve belangen. In dat geval dient de rechter dergelijke maatregelen terughoudend te toetsen, zij het dat de beoordelingsmarge van de sociale partners niet tot gevolg mag hebben dat toepassing van het beginsel van het verbod van leeftijdsdiscriminatie zinloos wordt. Daarbij dienen bij de beoordeling of een maatregel passend en noodzakelijk is in redelijkheid de gestelde, ter zake dienende omstandigheden te worden afgewogen. 3.15 Gezien de context en achtergrond van de EK-regeling, zoals hiervoor onder 3.4 en 3.5 geschetst, zal het hof de aftoppingsregeling met terughoudendheid toetsen. Daarvoor is van belang dat de aftoppingsregeling rechtstreeks is gebaseerd op de aftoppingsregeling van het sociaal plan, waarover door Rabobank en vakbonden uitgebreid is onderhandeld en waarbij de vakbonden zich ook de belangen van statutaire directieleden hebben aangetrokken, wier belangen in grote mate vergelijkbaar zijn met die van EK-leden. [appellant] heeft ook niet betwist dat een terughoudende toets is aangewezen. 3.16 [appellant] voert in dit verband ook aan dat zijn inkomensachteruitgang door toepassing van de aftoppingsregeling individueel getoetst moet worden en dat het hof prejudiciële vragen aan de Hoge Raad kan stellen over de individuele toetsingsmogelijkheden. Hij verwijst naar een vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 30 juni 2017 (ECLI:NL:RBMNE:2017:3249), waarin hierover een prejudiciële vraag is gesteld. 3.17 Het hof deelt deze visie van [appellant] niet. De Hoge Raad heeft op de prejudiciële vraag of individuele toetsing moest plaatsvinden bij de beantwoording van de vraag of een regeling strijdig is met artikel 6 lid 1 van de Richtlijn 2000/78/EG inmiddels ontkennend geantwoord (HR 20 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:651). Als [appellant] zijn situatie individueel had willen laten toetsen, had hij bovendien een beroep kunnen doen op de in de EK‑regeling opgenomen hardheidsclausule. (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.