Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-002373-18 Uitspraak d.d.: 25 november 2020 TEGENSPRAAK Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 10 april 2018 met parketnummer 18-930286-15 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986, ingeschreven te [woonplaats] , [woonadres] , thans uit anderen hoofde verblijvende in Penitentiaire Inrichting Zaanstad te Westzaan. Het hoger beroep De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 11 november 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal strekkende tot: niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging van het onder 3 primair ten laste gelegde; vrijspraak van verdachte van het onder 1 primair ten laste gelegde; veroordeling van verdachte ter zake het onder 1 subsidiair, 2 primair en 3 subsidiair ten laste gelegde – rekening houdende met het tijdsverloop - tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden, met aftrek van het voorarrest; toewijzing van de vordering van de benadeelde partij D.H.W. [slachtoffer] tot een bedrag van € 3.500,00, met rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel; niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij D.H.W. [slachtoffer] in het meer gevorderde. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw, mr. S.C. van Bunnik, naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep De rechtbank heeft in haar vonnis beslist dat: de officier van justitie niet-ontvankelijk is in de vervolging ter zake het onder 3 primair ten laste gelegde; verdachte wordt vrijgesproken van het onder 1 primair ten laste gelegde; verdachte ter zake het onder 1 subsidiair, 2 primair en 3 subsidiair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van het voorarrest; de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] wordt toegewezen tot een bedrag van € 2.500,00 met rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel; de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk is in het meer gevorderde. Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen. De tenlastelegging Aan verdachte is -na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg- tenlastegelegd dat: 1.hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2014 tot en met 16 juli 2014 te [plaats] aan [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een wervelfractuur van de tiende thoracale wervel, althans borstwervel, heeft toegebracht, door (telkens) opzettelijk meermalen hard en/of met kracht tegen de rug van voornoemde [slachtoffer] te schoppen en/of te trappen en/of te slaan en/of te stompen; althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2014 tot en met 16 juli 2014 te [plaats] (telkens) opzettelijk mishandelend [slachtoffer] , meermalen hard en/of met kracht tegen de rug heeft geschopt en/of getrapt en/of geslagen en/of gestompt, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, te weten een wervelfractuur van de tiende thoracale wervel, althans borstwervel, althans enig lichamelijk letsel, heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden; 2.hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2014 tot en met 16 juli 2014 te [plaats] (telkens), ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan zijn levensgezel [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet, meermalen tegen het hoofd van voornoemde [slachtoffer] geslagen en/of gestompt en/of geschopt en/of getrapt en/of meermalen tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer] geslagen en/of gestompt en/of geschopt en/of getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat hij in of omstreeks 1 juni 2014 tot en met 16 juli 2014 te [plaats] (telkens) opzettelijk mishandelend zijn levensgezel [slachtoffer] , meermalen tegen het hoofd heeft geslagen en/of gestompt en/of geschopt en/of getrapt en/of meermalen tegen het lichaam heeft geslagen en/of gestompt en/of geschopt en/of getrapt, waardoor voornoemde [slachtoffer] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden; 3.hij op of omstreeks 16 juli 2014 te [plaats] opzettelijk, door middel van het openlijk tentoonstellen van een geschrift, de eer en/of de goede naam van [slachtoffer] heeft aangerand door telastlegging van bepaalde feiten, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, immers heeft verdachte met voormeld doel op een stuk piepschuim het woord 'hoer' geschreven en/of (vervolgens) voornoemde [slachtoffer] naakt, althans enkel gekleed in haar onderbroek, op een openbare weg, althans op straat, heen en weer laten lopen terwijl voornoemde [slachtoffer] dat/een stuk piepschuim met daarop het woord 'hoer' geschreven vast moest houden zodat voornoemd stuk piepschuim met daarop het woord 'hoer' voor een ander, althans anderen, zichtbaar was; althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat hij op of omstreeks 16 juli 2014 te [plaats] , [slachtoffer] , door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen voornoemde [slachtoffer] wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen of te dulden, immers heeft verdachte op een stuk piepschuim het woord 'hoer' geschreven en/of (vervolgens) voornoemde [slachtoffer] naakt, althans enkel gekleed in haar onderbroek, op een openbare weg, althans op straat, heen en weer laten lopen terwijl voornoemde [slachtoffer] dat/een stuk piepschuim met daarop het woord 'hoer' geschreven vast moest houden zodat voornoemd stuk piepschuim met daarop het woord 'hoer' voor een ander, althans anderen, zichtbaar was; en bestaande dat geweld en/of die enige andere feitelijkheid en/of die bedreiging met geweld en/of enige andere feitelijkheid eruit dat verdachte: tegen voornoemde [slachtoffer] heeft gezegd dat ze (weer) door hem in elkaar geslagen werd als ze het niet deed, en/of tegen voornoemde [slachtoffer] heeft gezegd, althans voornoemde [slachtoffer] heeft laten weten, dat ze dit moest doen om hem, verdachte, terug te krijgen en/of om het met hem, verdachte, goed te maken. Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie Het hof zal het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging verklaren ten aanzien van het onder 3 primair ten laste gelegde. Dit betreft namelijk een delict dat uitsluitend op klacht vervolgbaar is en niet is gebleken dat aangeefster op enig moment een klacht heeft ingediend. Ook overigens kan niet worden vastgesteld dat aangeefster vervolging wenste ter zake van het onder 3 primair ten laste gelegde. Overwegingen met betrekking tot het bewijs Met betrekking tot het onder 1 primair ten laste gelegde De verdediging heeft vrijspraak bepleit, omdat verdachte ontkent dat hij aangeefster heeft geschopt of geslagen en er geen objectieve getuigen zijn die de verklaring van aangeefster bevestigen. Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Het hof overweegt daarbij in het bijzonder het volgende. Het hof stelt voorop dat onder zwaar lichamelijk letsel op grond van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht wordt begrepen: ziekte die geen uitzicht op volkomen genezing overlaat, voortdurende ongeschiktheid tot uitoefening van ambts- of beroepsbezigheden, afdrijving of dood van de vrucht van een vrouw alsmede storing van de verstandelijke vermogens die langer dan vier weken heeft geduurd. Ook buiten deze gevallen kan lichamelijk letsel als zwaar worden beschouwd indien dat voldoende belangrijk is om naar gewoon spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid. Bij de beantwoording van de vraag of zeker letsel als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt, is van belang of het oordeel van de rechter iets inhoudt over de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en/of het uitzicht op (volledig) herstel. Door aangeefster is bij de politie op 16 juli 2014 verklaard dat zij vanaf half juni 2014 veel klappen en trappen van haar vriend [verdachte] heeft gehad. Op 16 en 17 juli 2014 wordt door zowel de verbalisanten als door de forensisch arts Dekker gezien dat aangeefster een groot aantal letsels heeft. Uit het verslag van radiologisch onderzoek van 6 augustus 2014 in het UMCG blijkt dat aangeefster [slachtoffer] ook een thoracale wervelfractuur heeft. Op 18 mei 2017 legt aangeefster een verklaring af bij de rechter-commissaris. Zij verklaart dan dat zij door de wervelfractuur nog steeds last van haar rug heeft en dat deze wervelfractuur is ontstaan door het trappen in haar rug door verdachte in de laatste twee weken dat zij contact met hem had. Het hof stelt aan de hand van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen vast dat door de gedragingen van de verdachte het letsel bij het slachtoffer is veroorzaakt, te weten een thoracale wervelfractuur. Dit letsel was van dien aard dat aangeefster op 18 mei 2017 daarvan nog steeds pijn ondervond. Op grond hiervan is het hof van oordeel dat dit letsel zodanig was dat dit zowel naar gewoon spraakgebruik als vanwege het feit dat aangeefster jaren later daarvan nog steeds niet volledig is genezen, beschouwd dient te worden als zwaar lichamelijk letsel. Daarmee komt het hof tot een bewezenverklaring van het onder 1 primair ten laste gelegde. Met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde De verdediging heeft vrijspraak van zowel het primair als het subsidiair ten laste gelegde bepleit, omdat verdachte ontkent dat hij aangeefster heeft geschopt of geslagen en er geen objectieve getuigen zijn die de verklaring van aangeefster bevestigen. Het hof overweegt hierover het volgende. Het ten laste gelegde betreft een periode van ongeveer zes weken. Verdachte wordt primair verweten dat hij telkens heeft gepoogd om aangeefster zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Het subsidiaire verwijt is dat verdachte in de genoemde periode aangeefster steeds heeft mishandeld (eenvoudige mishandeling). Het hof stelt aan de voorhanden zijnde bewijsmiddelen – zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest als bewijs zullen worden opgenomen – vast dat verdachte in de ten laste gelegde periode aangeefster telkens heeft geschopt en geslagen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Naar het oordeel van het hof kan echter niet worden vastgesteld dat verdachte bij deze handelingen telkens opzet had om zwaar lichamelijk letsel toe te brengen aan aangeefster, maar wel dat hij haar opzettelijk pijn en letsel heeft toegebracht. Derhalve dient verdachte van het onder 2 primair ten laste gelegde te worden vrijgesproken en is het onder 2 subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Met betrekking tot het onder 3 subsidiair ten laste gelegde Verdachte heeft verklaard dat hij aangeefster inderdaad op 16 juli 2014 in [plaats] in slechts een slip gekleed de straat op heeft gestuurd met een bordje in haar hand met ‘hoer’ erop, maar dat aangeefster dit zelf wilde. De verdediging heeft daarom vrijspraak bepleit. Het hof overweegt hierover het volgende. Aangeefster heeft aangifte gedaan tegen verdachte en verklaarde dat zij helemaal niet zonder kleding en met een bordje met ‘hoer’ erop de straat op wilde, maar ertoe gedwongen werd door verdachte. Zij zou anders weer door hem in elkaar geslagen worden. Verdachte heeft verklaard dat dit als straf voor aangeefster bedoeld was. Getuige [getuige] heeft aangeefster naakt op straat zien lopen met het bordje in haar hand. Zij zag dat aangeefster bang en overstuur was, dat aangeefster zich heel erg schaamde en dat aangeefster aan het huilen was. Gelet op deze verklaringen is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte aangeefster door bedreiging met geweld heeft gedwongen zo de straat op te gaan. Aldus acht het hof het onder 3 subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Bewezenverklaring Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel – ook in onderdelen – slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2 subsidiair en 3 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.