GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.278.044/01 (zaaknummer rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, 8073222) beschikking van 30 november 2020 in de zaak van Federatie Nederlandse Vakbeweging, gevestigd en kantoorhoudend te Utrecht, verzoekster in het hoger beroep, in eerste aanleg: verzoekster, hierna: FNV, advocaat: mr. A.A.M. Broos, tegen: 1Vleems Bakery International B.V., gevestigd en kantoorhoudend te Emmen, 2. Vleems Convenience Snacks B.V., gevestigd en kantoorhoudend te Oss, verweersters in het hoger beroep, in eerste aanleg: verweersters, hierna gezamenlijk: Vleems c.s. en individueel Vleems Bakery respectievelijk Vleems Convenience, advocaat: mr. A.W. Hooijen. 1Het verloop van deze procedure 1.1 FNV heeft hoger beroep ingesteld van de beschikking van 29 januari 2020 van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen. 1.2 In hoger beroep is de procedure begonnen met de ontvangst door de griffie op 28 april 2020 van het beroepschrift (met bijlagen) van FNV. In het verzoekschrift was opgenomen een verzoek tot aanhouding van de zaak. Vleems c.s. hebben daarop bij akte van 9 juni 2020 gereageerd. Het verzoek is afgewezen. Daarop hebben Vleems c.s. een verweerschrift ingediend. Door FNV zijn vervolgens nog producties (19 tot en met 32) in het geding gebracht. 1.3 Op 11 november 2020 heeft een mondelinge behandeling plaats gevonden. Mrs Broos en Hooijen hebben gepleit conform door hen overgelegde aantekeningen. Vervolgens heeft het hof beschikking bepaald op basis van de hiervoor genoemde processtukken en het proces-verbaal van de zitting. 2Waar gaat deze zaak over? 2.1 Op 27 juni 2019 zijn Vleems Bakery B.V (NB: dus een andere vennootschap dan verweerster onder 1) en Vleems Food B.V. failliet verklaard. Op 8 juli 2019 heeft de curator in die faillissementen een overeenkomst gesloten met Vleems Bakery. Daarbij zijn de activa van beide gefailleerde vennootschappen verkocht aan Vleems Bakery. Een deel van de door de beide gefailleerde vennootschappen gedreven onderneming is vervolgens voortgezet door Vleems Bakery en Vleems Convenience. De vraag is nu of de feitelijke gang van zaken de conclusie rechtvaardigt dat sprake is van een overgang van de onderneming als bedoeld in artikel 7:662 BW e.v., met als gevolg dat de rechten en verplichtingen van de twee gefailleerde vennootschappen ten aanzien de in dienst zijnde werknemers zijn overgegaan op Vleems Bakery en/of Vleems Convenience. 2.2 De kantonrechter kwam tot de conclusie dat van overgang van de onderneming geen sprake is geweest omdat zich de uitzonderingssituatie van artikel 7:666 BW voordeed, te weten dat de werkgever in staat van faillissement was verklaard en de onderneming tot de boedel behoorde. 2.3 Het hof onderschrijft dat oordeel. De motivering daarvan is hierna opgenomen. 3De feiten 3.1 Het hof gaat uit van de volgende feiten. 3.2 Vleems Bakery B.V. en Vleems Food B.V. waren vennootschappen (werkmaatschappijen) waarin een onderneming werd gedreven die zich bezig hield met de productie van voedingsmiddelen. Deze beide vennootschappen worden hierna gezamenlijk ook wel aangeduid als de gefailleerde ondernemingen. 3.3 Er waren nog drie andere Vleemsvennootschappen, namelijk: Vleems Beheer B.V., Vleems Holding B.V. en De Vleems Groep B.V. Deze drie vennootschappen hielden zich bezig met houdsteractiviteiten en worden hierna aangeduid als de "houdstervennootschappen". 3.4 Vleems Bakery B.V. en Vleems Food B.V. zijn op 27 juni 2019 failliet verklaard. De houdstervennootschappen zijn op 8 augustus 2019 failliet verklaard. 3.5 Op 8 juli 2019 heeft de curator een activa-overeenkomst met Vleems Bakery gesloten. Alle activa van de gefailleerde ondernemingen zijn daarbij overgedragen aan Vleems Bakery. Er zijn ongeveer 40 werknemers van de gefailleerde ondernemingen bij Vleems Bakery in dienst getreden en ongeveer 20 bij Vleems Convenience, aan welk bedrijf Vleems Bakery één productielijn had verhuurd. De resterende werknemers van de gefailleerde ondernemingen (ongeveer 17) zijn niet in dienst getreden bij Vleems Bakery of Vleems Convenience. 3.6 Vleems Bakery houdt zich, net zoals Vleems Bakery B.V. dat deed, bezig met de productie van hoofdzakelijk Amerikaans kleinbrood (‘buns’, de broodjes voor hamburgers en hotdogs). Daarnaast produceert zij tosti’s, wat voorheen door Vleems Food B.V. gebeurde. Vleems Convenience huurt 2 productielijnen van het voormalige Vleems Food B.V. en produceert daarmee diverse snacks. 3.7 Bestuurder van Vleems Bakery is [A] , die voorheen bestuurder was van de gefailleerde vennootschappen. 4De beoordeling Ontvankelijkheid 4.1 Gedingen die betrekking hebben op het einde van de arbeidsovereenkomst (Boek 7, titel 10, afdeling 9 BW) worden ingeleid met een verzoekschrift (artikel 7:686a lid 2 BW). In deze zaak komt FNV onder andere op tegen de opzegging van de arbeidsovereenkomsten met de werknemers van de gefailleerde ondernemingen. Het geding heeft dus mede betrekking op het einde van de arbeidsovereenkomsten en kon daarom met een verzoekschrift aanhangig worden gemaakt. De niet op het einde van de arbeidsovereenkomst ziende onderdelen van het verzoek van FNV houden verband met de zojuist genoemde opzegging. Om die reden konden ook die vorderingen met een verzoekschrift aanhangig worden gemaakt (artikel 7:686a lid 3 BW). 4.2 Voor wat betreft de opzegging van de arbeidsovereenkomst kent de wet vorderingsrechten toe aan een werknemer. In dit geding treden echter geen werknemers op als verzoeker maar FNV. FNV verklaart haar positie als verzoekster met een beroep op artikel 3:305a BW (collectieve actiebevoegdheid). Uit de door FNV gegeven toelichting blijkt dat zij niet optreedt ter behartiging van een eigen belang van FNV, maar ter behartiging van de belangen van de werknemers van de gefailleerde ondernemingen, in het bijzonder diegenen onder hen die lid zijn van FNV. Dat de werknemers zelf geen partij zijn vormt bij die stand van zaken geen belemmering voor ontvankelijkheid. 4.3 De slotsom op dit onderdeel is dat FNV ontvankelijk is in het hoger beroep en in de in eerste aanleg ingestelde vorderingen. Gezamenlijke behandeling beroepsgronden 4.4 FNV heeft zes beroepsgronden aangevoerd. Die lenen zich voor gezamenlijke behandeling omdat in alle zes aan de orde is de stelling dat sprake is van de overgang van een onderneming en aldus de beschikking van de kantonrechter in volle omvang aan (her)beoordeling in hoger beroep wordt onderworpen. Juridisch kader 4.5 In de artikelen 7:662 tot en met 7:665 BW is, kort gezegd, bepaald dat in geval van "overgang" van een onderneming de rechten en verplichtingen die gelden tussen de werkgever en een in die onderneming werkzame werknemer van rechtswege overgaan op de verkrijger. In artikel 7:666 aanhef en sub a BW is bepaald dat voornoemde artikelen niet van toepassing zijn indien de werkgever in staat van faillissement is verklaard en de onderneming tot de boedel behoort. 4.6 De artikelen 7:662 tot en met 7:666 BW zijn ingevoerd ter uitvoering van de Europese richtlijnen inzake het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, inmiddels richtlijn 2001/23/EG. De rechter moet artikel 7:666 aanhef en sub a BW zoveel mogelijk uitleggen in het licht van de bewoordingen en het doel van richtlijn 2001/23/EG, om het hiermee beoogde resultaat te bereiken. De door de richtlijn geboden bescherming houdt in de kern in dat bij overgang van onderneming arbeidsvoorwaarden behouden blijven (artikel 3) en de overgang op zichzelf geen reden tot ontslag vormt, behoudens ontslagen om economische, technische of organisatorische redenen (artikel 4). 4.7 Artikel 5 lid 1 van richtlijn 2001/23/EG luidt: "Tenzij de lidstaten anders bepalen, zijn de artikelen 3 en 4 niet van toepassing op een overgang van onderneming (...) wanneer de vervreemder verwikkeld is in een faillissementsprocedure of in een soortgelijke procedure met het oog op de liquidatie van het vermogen van de vervreemder onder toezicht van een bevoegde overheidsinstantie (die een door een overheidsinstantie gemachtigde curator mag zijn)." 4.8 Het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) heeft in het arrest Smallsteps geoordeeld dat de in artikel 5 lid 1 van de richtlijn neergelegde uitzondering van de in de beide daaraan voorafgaande artikelen omschreven hoofdregel, strikt moet worden uitgelegd. De uitzondering is slechts van toepassing als is voldaan aan alle drie de in artikel 5 omschreven voorwaarden, te weten: 1. de vervreemder moet ten tijde van de overgang verwikkeld zijn in een faillissementsprocedure of een gelijksoortige procedure; 2. deze procedure moet zijn ingeleid met het oog op de liquidatie van het vermogen van de onderneming (en niet om de onderneming te kunnen continueren) en; 3. de procedure moet onder toezicht staan van een bevoegde overheidsinstantie. 4.9 In het (op de Nederlandse faillissementsprocedure betrekking hebbende) Smallsteps-arrest was sprake van een zogenaamde pre-pack. Een pre-pack beoogt tot in de kleinste details de overdracht van de onderneming voor te bereiden om na de faillietverklaring een snelle doorstart mogelijk te maken van de levensvatbare onderdelen van de onderneming. Doel is op die manier de onderbreking te vermijden die het gevolg zou zijn van de plotselinge stopzetting van de activiteiten van de onderneming op de datum van de faillietverklaring, zodat de waarde van de onderneming en de werkgelegenheid behouden blijven. In die situatie oordeelde het Hof van Justitie dat de faillissementsuitzondering zich niet voordeed. 4.10 De motivering van dat oordeel is dat een procedure die de voortzetting van de activiteit van de betrokken onderneming beoogt “vanzelfsprekend niet” voldoet aan het vereiste (hiervoor onder 4.8 sub 2 genoemd) dat de procedure met het oog op de liquidatie van het vermogen van de vervreemder wordt ingeleid. Daarop laat het Hof van Justitie volgen: “48 Wat de verschillen tussen die twee soorten procedures betreft, moet worden opgemerkt dat, zoals de advocaat-generaal in de punten 57 en 58 van zijn conclusie heeft gepreciseerd, een procedure de voortzetting van de activiteit beoogt wanneer zij bedoeld is om het operationele karakter van de onderneming of van de levensvatbare onderdelen daarvan veilig te stellen. Een procedure die de liquidatie van het vermogen beoogt, zorgt daarentegen voor een zo hoog mogelijke uitbetaling aan de gezamenlijke schuldeisers. Ook al is het niet uitgesloten dat er een zekere overlapping kan zijn tussen die twee doelen die een bepaalde procedure nastreeft, het hoofddoel van een procedure die de voortzetting van de activiteit van de onderneming beoogt, blijft in elk geval het behoud van de betrokken onderneming. (…) 51 Gezien de vaststelling in punt 48 van dit arrest, kan de omstandigheid dat de pre-pack tevens gericht kan zijn op een zo hoog mogelijke uitbetaling aan de schuldeisers, niet tot gevolg hebben dat deze hierdoor een procedure wordt die is ingeleid met het oog op de liquidatie van het vermogen van de vervreemder in de zin van artikel 5, lid 1, van richtlijn 2001/23.” 4.11 In de onderhavige zaak is (daarover verschillen partijen niet van mening) een zogenaamde pre-packsituatie niet aan de orde: van een stille voorbereidingsfase van de faillissementen met aanwijzing door de rechtbank van een beoogd rechter-commissaris en een beoogd curator is immers geen sprake. In zoverre is de situatie dus niet vergelijkbaar met de Smallstepszaak. Nadere juridische inkadering 4.12 Uit het voorgaande blijkt dat het HvJEU onderkend heeft dat sprake kan zijn van overlapping tussen het doel van voortzetting van de activiteit van de onderneming en dat van liquidatie van het vermogen van de onderneming. Waar het om gaat is of de faillissementsprocedure is ingeleid met als "hoofddoel" de voortzetting van de activiteit van de onderneming. Als dat het geval is geldt de faillissementsuitzondering (van artikel 7:666 aanhef en sub a BW) niet en moet worden uitgegaan van toepasselijkheid van de regels voor overgang van een onderneming. 4.13 Tegen deze achtergrond bezien zal moeten worden onderzocht of de feiten in deze zaak de conclusie kunnen rechtvaardigen dat de faillissementsprocedure is ingeleid om voortzetting van de bedrijfsactiviteit mogelijk te maken ("voorbereide doorstart"). De door FNV genoemde feiten en omstandigheden zullen daarbij afzonderlijk worden bezien, maar uiteindelijk zal de beoordeling moeten worden gemaakt op basis van het onderling verband tussen alle behandelde feiten en omstandigheden. 4.14 Daarbij past overigens nog wel de volgende kanttekening. Indien het feitenonderzoek de conclusie zou rechtvaardigen dat de faillissementsprocedure is ingeleid om voortzetting van de bedrijfsactiviteit mogelijk te maken rijst nog wel de vraag of daarmee is vastgesteld dat het "hoofddoel" van de procedure inderdaad die voortzetting was en niet de liquidatie van het vermogen van de onderneming. Wettelijk uitgangspunt van de Nederlandse faillissementsprocedure is liquidatie van het vermogen. Die liquidatie kan gediend zijn met voortzetting van de onderneming omdat deze een voor de schuldeisers gunstiger resultaat kan hebben in vergelijking tot de situatie dat de bedrijfsactiviteit niet wordt voortgezet. Die vraag naar het hoofddoel is inzet van de prejudiciële vragen die de Hoge Raad in de Heiploegzaak aan het HvJEU heeft gesteld. Als deze situatie (faillissementsprocedure is ingeleid om voortzetting van de bedrijfsactiviteit mogelijk te maken) zich blijkt voor te doen is het, ter voorkoming van uiteenlopende rechterlijke beslissingen, verstandig om het uiteindelijke oordeel van de Hoge Raad in die Heiploegzaak af te wachten. Van een voorbereide doorstart is geen sprake 4.15 Het hiervoor in overweging 4.13 aangekondigde feitenonderzoek begint met de vaststelling dat FNV in hoger beroep (opnieuw) een aantal feiten en omstandigheden heeft genoemd op grond waarvan in haar visie de conclusie gerechtvaardigd is dat met het faillissement een (goedkopere, gereorganiseerde) voortzetting van de onderneming werd beoogd. Ter onderbouwing van haar standpunt voert zij het volgende aan: a.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.