← Nederland

ECLI:NL:GHARL:2021:10259

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer : Wahv 200.276.281/01 CJIB-nummer : 222186800 Uitspraak d.d. : 3 november 2021 Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Limburg van 20 februari 2020, betreffende [de betrokkene] (hierna: de betrokkene), wonende te [woonplaats] . De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer. De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen. Het verloop van de procedure De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. De beoordeling

  1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 95,- voor: “als bestuurder van een voertuig rijden, terwijl de dimlichten niet aan de eisen voldoen”. Deze gedraging zou zijn verricht op 17 december 2018 om 12:57 uur op de Sanderboutlaan 51 in Elsloo met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
  2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat redelijkerwijs twijfel bestaat omtrent de bevoegdheid van de betreffende ambtenaar om de onderhavige sanctie op te leggen. Van de betreffende ambtenaar is namelijk geen akte van aanstelling gepubliceerd op de website van de politie en de korpschef weigert consistent om in Wahv-zaken informatieverzoeken in behandeling te nemen. Ook de officier van justitie heeft geweigerd om de akte van aanstelling te verstrekken.
  3. Het hof stelt voorop dat het bestaan van de bevoegdheid van de betreffende ambtenaar het uitgangspunt is (vgl. het arrest van het hof van 23 december 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2019:10797). Dit is slechts anders indien hetgeen wordt aangevoerd gerede twijfel doet ontstaan over de bevoegdheid van de ambtenaar. Daarvan is in dit geval geen sprake. De enkele omstandigheid dat de gemachtigde de akte van aanstelling van de betreffende ambtenaar niet heeft kunnen achterhalen, doet een dergelijke twijfel niet ontstaan. Het verweer faalt.
  4. Verder voert de gemachtigde aan dat de verweten gedraging niet is verricht. Weliswaar was het dimlicht van het voertuig waarin de betrokkene reed kapot, maar dit is geconstateerd om 12:57 uur en uit artikel 32, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 volgt dat overdag geen dimlicht hoeft te worden gevoerd. De ambtenaar had de betrokkene de kans moeten geven om het licht te vervangen.
  5. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
  6. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. In dit zaakoverzicht staat onder meer dat de ambtenaar heeft geconstateerd dat het rechter dimlicht van het voertuig met voormeld kenteken op voormelde datum, tijd en plaats niet aan de eisen voldeed.
  7. Voorts bevindt zich in het dossier een aanvullend proces-verbaal d.d. 9 februari 2019, waarin de ambtenaar, voor zover relevant en zakelijk weergegeven, verklaart dat de rechter koplamp van het betreffende voertuig kapot was en geen (dim)licht uitstraalde
  8. De onderhavige gedraging betreft een overtreding van artikel 5.2.51 jº 5.2.56 van de Regeling voertuigen, waarin is bepaald dat personenauto’s moeten zijn voorzien van twee dimlichten en dat deze goed moeten zijn afgesteld.
  9. Uit de verklaring van de ambtenaar volgt dat hij heeft geconstateerd dat het rechter dimlicht kapot was. Dit wordt door de betrokkene ook niet ontkend. Hierdoor is niet voldaan aan de hiervoor genoemde permanente voertuigvereisten en kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. Dat het op het moment van de gedraging niet verplicht was om dimlicht te voeren doet hier niet aan af.
  10. Dat de ambtenaar de betrokkene niet de kans heeft gegeven om het licht te vervangen, geeft geen aanleiding om de sanctie achterwege te laten of het bedrag daarvan te matigen. Het is immers de discretionaire bevoegdheid van de ambtenaar om in concrete gevallen naar aanleiding van een geconstateerde gedraging een sanctie op te leggen of daarvan af te zien. Niet kan worden geoordeeld dat de ambtenaar in dit geval niet in redelijkheid tot oplegging van de sanctie heeft kunnen besluiten.
  11. Gelet op het voorgaande heeft de kantonrechter het beroep van de betrokkene terecht ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter zal dan ook worden bevestigd.
  12. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786). De beslissing Het gerechtshof: bevestigt de beslissing van de kantonrechter; wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af. Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Starreveld als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.