← Nederland

ECLI:NL:GHARL:2021:10455

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.296.082/01 (zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 205045) arrest van 9 november 2021 in het incident ex art. 351 Rv in de zaak van [appellante] , wonende te [woonplaats1] , appellante, bij de rechtbank: gedaagde, hierna: [appellante], advocaat: mr. P. van Wijngaarden, die kantoor houdt te Groningen, tegen [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats2] , geïntimeerde, bij de rechtbank: eiser, hierna: [geïntimeerde], advocaat: mr. A. Jeulink, die kantoor houdt te Groningen. 1De procedure bij de rechtbank Hoe de procedure bij de rechtbank is verlopen, blijkt uit het vonnis in kort geding van 19 mei 2021 van de kantonrechter, optredende als voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen (hierna: de kantonrechter). 2De procedure in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure bij het hof blijkt uit: - de dagvaarding in hoger beroep van 15 juni 2021, - de memorie van grieven tevens incidentele conclusie ex art. 351 Rv, - de conclusie van antwoord in het incident ex art. 351 Rv. 2.2 Partijen hebben arrest gevraagd in het incident. [appellante] en [geïntimeerde] hebben beiden de stukken daarvoor aan het hof gezonden. 3De feiten, het geschil en de beslissing van de kantonrechter 3.1 Voor zover van belang voor de beoordeling van dit incident, gaat het in deze zaak om het volgende. 3.2 [geïntimeerde] (69 jaar) en [appellante] (71 jaar) zijn broer en zus en de enige erfgenamen van hun ouders. Hun moeder was de langstlevende en is [in] 2020 overleden. Er is door de ouders geen testament opgemaakt. [geïntimeerde] en [appellante] hebben de nalatenschap zuiver aanvaard. 3.3 Tot de nalatenschap behoort de ouderlijke woning aan de [adres] in [woonplaats1] . [appellante] woonde met haar ouders samen in de woning en woont daar nog steeds. De waarde van de woning is geschat tussen de € 750.000,- en € 849.000,-. 3.4 [geïntimeerde] heeft in eerste aanleg in kort geding gevorderd dat de kantonrechter hem machtigt de ouderlijke woning te verkopen, dan wel [appellante] zal veroordelen om hieraan haar medewerking te verlenen. [appellante] wil in de woning blijven wonen of op een afgesplitst deel van het perceel in het zogenaamde ‘Koetshuis’. 3.5 De kantonrechter heeft het spoedeisend belang van [geïntimeerde] bij zijn vordering in voldoende mate aanwezig geacht en [geïntimeerde] de gevorderde machtiging verleend en de uitspraak uitvoerbaar bij voorraad verklaard. 4Het verzoek in incident en de beoordeling daarvan 4.1 [appellante] verzoekt het hof de tenuitvoerlegging van het vonnis te schorsen totdat in de hoofdzaak - het hoger beroep van de kortgedinguitspraak - is beslist, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het incident. 4.2 Ter onderbouwing van haar verzoek stelt [appellante] kort gezegd dat het vonnis van de kantonrechter wat betreft de uitvoerbaarheid bij voorraad niet is gemotiveerd en dat haar belang om de woning (of een afgesplitst deel daarvan) toebedeeld te krijgen in een verdelingsprocedure en daarin te blijven wonen zwaarder weegt dan het belang van [geïntimeerde] bij verkoop van de woning. De gevolgen van verkoop van de woning zijn voor [appellante] onomkeerbaar. 4.3 [geïntimeerde] is van mening dat de kantonrechter de beslissing om het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren heeft gemotiveerd met zijn overwegingen ten aanzien van de primaire vordering en het spoedeisend belang van [geïntimeerde] daarbij. Verder heeft [geïntimeerde] aangevoerd dat hij gezien zijn leeftijd en gezondheid niet langer in staat is de zorgen voor de ouderlijke woning te dragen. De woning verkeert volgens hem in slechte staat (dat wordt overigens door [appellante] betwist) en [geïntimeerde] vreest aansprakelijk te worden gehouden indien daardoor schade aan derden wordt veroorzaakt. Gezien de staat van de woning is dat een reëel vooruitzicht. [geïntimeerde] is daarom van mening dat zijn belang bij de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het vonnis zwaarder dient te wegen dan het belang van [appellante] . 4.4 Het hof is van oordeel dat in het kortgedingvonnis de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de beslissing is gemotiveerd met het aannemen van het daarmee onlosmakelijk verbonden spoedeisend belang van [geïntimeerde] bij de vordering. Gelet op de criteria die de Hoge Raad heeft gegeven in zijn arrest van 20 december 2019 (ECLI:NL:HR:2019:2026) brengt dat mee dat een vordering tot schorsing van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van dat kortgedingvonnis alleen dan kan worden gehonoreerd indien zich nieuwe feiten of omstandigheden voordoen van na het vonnis en die de voorzieningenrechter niet in zijn overwegingen heeft kunnen betrekken, of in het geval het vonnis zou berusten op een kennelijke misslag. Ook een aan de zijde van [appellante] optredende noodtoestand zou aan uitvoerbaarheid van het vonnis in de weg kunnen staan. 4.5 [appellante] heeft aan haar verzoek tot schorsing geen kennelijke misslag ten grondslag gelegd en geen nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd. Evenmin heeft zij gesteld dat haar verzoek moet worden toegewezen op grond van een noodtoestand aan haar zijde. 4.6 Het voorgaande betekent dat de vordering tot schorsing van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring zal worden afgewezen. De beslissing omtrent de kosten van het incident zal worden aangehouden tot de einduitspraak. De hoofdzaak zal naar de rol worden verwezen om voort te procederen. 5De beslissing Het hof, recht doende in hoger beroep: in het incident wijst de vordering af; bepaalt dat omtrent de kosten zal worden beslist bij einduitspraak in de hoofdzaak; in de hoofdzaak verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 7 december 2021 voor memorie van antwoord. Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Kuiper, M.W. Zandbergen en J. Smit en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op 9 november 2021.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.