Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-001386-19 Uitspraak d.d.: 4 november 2021 TEGENSPRAAK Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, van 27 februari 2019 met parketnummer 18-213761-18 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 09-818693-17, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986, wonende te [woonplaats] , [woonadres] . Het hoger beroep De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 21 oktober 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van de tenlastegelegde diefstal in vereniging tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 weken, waarvan 2 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Tevens heeft de advocaat-generaal de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van de politierechter te Den Haag van 28 augustus 2017 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 week. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en haar raadsman, mr. F.H. Kappelhof, naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep De politierechter heeft bij vonnis van 27 februari 2019, waartegen het hoger beroep is gericht, verdachte ter zake van de tenlastegelegde diefstal in vereniging veroordeeld tot een gevangenisstaf voor de duur van 4 weken, waarvan 3 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Tevens heeft de politierechter de proeftijd van de bij vonnis van de politierechter te Den Haag van 28 augustus 2017 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf verlengd met 1 jaar. Het hof zal het vonnis waarvan beroep om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen. De tenlastelegging Aan verdachte is tenlastegelegd dat: zij op of omstreeks 29 oktober 2018 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een jas, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of haar mededader(s) toebehoorde, te weten aan [naam1] , gevestigd aan de [adres] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen. Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Bewezenverklaring Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: zij op 29 oktober 2018 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander, een jas, die geheel aan een ander dan aan verdachte en haar mededader toebehoorde, te weten aan [naam1] , gevestigd aan de [adres] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen. Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: diefstal door twee of meer verenigde personen. Strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn. Oplegging van straf De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Verdachte heeft zich samen met haar dochter schuldig gemaakt aan diefstal van een jas bij [naam1] . Daarmee heeft zij inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van de gedupeerde winkelier. Daarnaast is winkeldiefstal is een voor het winkelbedrijf ergerlijk vergrijp. Het hof neemt het verdachte bovendien kwalijk dat zij de diefstal heeft gepleegd met haar minderjarige dochter. Het hof heeft bij de strafoplegging voorts gelet op het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van verdachte van 14 september
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.