TBS P21/0290 Beslissing van 25 november 2021 De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van [terbeschikkinggestelde] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988, verblijvende in de Penitentiaire Inrichting (PI) [inrichting] . Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, van 15 juli
- Deze beslissing houdt in het bevel dat de terbeschikkinggestelde alsnog van overheidswege zal worden verpleegd. Het hof heeft gelet op de stukken, waaronder: - het proces-verbaal van het onderzoek in eerste aanleg; - de beslissing waarvan beroep; - de akte van het instellen van beroep op 29 juli 2021; - de aanvullende informatie van [reclasseringsinstelling] (hierna: de reclassering) van 2 november
- Het hof heeft ter zitting van 11 november 2021 gehoord de terbeschikkinggestelde, bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. T.S.S. Overes, advocaat te Almere, en de advocaat-generaal, mr. L.H.J. Vijlbrief-Smit. Ook is G. Reinink, reclasseringswerker, gehoord als deskundige. Overwegingen Het standpunt van de terbeschikkinggestelde De raadsvrouw heeft primair bepleit dat het hof de vordering van de officier van justitie zal afwijzen. De terbeschikkingstelling loopt al een aantal jaren, en bij de beoordeling van de vordering moet niet alleen worden gekeken naar de recente terugval van de terbeschikkinggestelde, maar ook naar de periode die daaraan voorafging. De terbeschikkinggestelde heeft lange tijd een positieve houding gehad ten aanzien van de begeleiding en zich goed begeleidbaar opgesteld. Het advies van de reclassering, dat strekt tot toewijzing van de vordering, bevat geen goede onderbouwing van de stelling dat een behandeling in het kader van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege noodzakelijk is om recidive te voorkomen. Het drugsgebruik van de terbeschikkinggestelde tijdens de terbeschikkingstelling was weliswaar in strijd met de voorwaarden, maar heeft niet geleid tot nieuwe strafbare feiten of gevaar voor de veiligheid van anderen. Ook het gestelde risico op onttrekking aan de voorwaarden is onvoldoende onderbouwd, omdat dit uitgaat van de situatie waarin de terbeschikkinggestelde onder invloed is van verdovende middelen, terwijl hij op dit moment abstinent is. De terbeschikkinggestelde ziet inmiddels in dat zijn gedrag de afgelopen periode onwenselijk is geweest, en is gemotiveerd voor een klinische behandeling. Bij voorkeur zal deze plaatsvinden in de Forensisch Psychiatrische Kliniek (FPK) van [zorginstelling] in [plaats 1], waar hij al eerder heeft verbleven. Verder zou omzetting van de terbeschikkingstelling met voorwaarden in terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege niet proportioneel zijn, kijkend naar de overtreden voorwaarden en de duur van de periode waarin de terbeschikkinggestelde zich wel coöperatief heeft opgesteld. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht om nader onderzoek naar de mogelijkheden van voortzetting van de behandeling en resocialisatie in het kader van de terbeschikkingstelling met voorwaarden, bijvoorbeeld in een FPK. Het standpunt van het openbaar ministerie De terbeschikkinggestelde verblijft op dit moment in de PI en daar gaat het beter met hem wat betreft zijn drugsgebruik. Wel heeft hij daar een misstap begaan met betrekking tot zijn medicatie. Dit duidt erop dat geen sprake is van intrinsieke motivatie om de voorgeschreven medicatie in te nemen. De reclassering meent dat men de terbeschikkinggestelde niet meer kan begeleiden in het huidige juridische kader. De terbeschikkinggestelde wil een herkansing in het huidige juridische kader, maar het is niet wenselijk hem die te bieden. In wezen heeft hij al een herkansing gehad in de vorm van een time-out-plaatsing op de Forensisch Psychiatrische Afdeling (FPA) [kliniek] in [plaats 2], maar daar is het niet goed gegaan. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot bevestiging van de beslissing waarvan beroep. Het oordeel van het hof Het hof is van oordeel dat de rechtbank op de juiste wijze en op goede gronden heeft beslist, met uitzondering van het volgende. De beslissing waarvan beroep bevat de volgende overweging: Maximering De tbs-maatregel is niet gemaximeerd, nu uit het veroordelend vonnis blijkt dat betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan brandstichting en schennis van de eerbaarheid en dit misdrijven betreffen die zijn gericht tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Het hof stelt vast dat het veroordelend vonnis van de rechtbank van 4 december 2015 niet expliciet vermeldt voor welk feit de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden is opgelegd. Schennis van de eerbaarheid (in de zin van artikel 239 van het Wetboek van Strafrecht (Sr)) is echter geen misdrijf waarvoor een terbeschikkingstelling volgens artikel 37a, eerste lid, Sr mogelijk is. Dit feit heeft dan ook geen rol kunnen spelen bij de oplegging van de maatregel en dus ook niet bij het oordeel of de maatregel is opgelegd ter zake van een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen (Gerechtshof Arnhem 9 augustus 2011, ECLI:NL:GHARN:2011:BR5105). De maatregel is daarom enkel opgelegd voor brandstichting, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor een ander te duchten was. Dit is een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Het hof zal de beslissing waarvan beroep met die verbetering bevestigen. Afwijzing van het verzoek om nader onderzoek Het hof acht zich op basis van de aanwezige informatie voldoende voorgelicht om te kunnen oordelen over het door de terbeschikkinggestelde ingestelde beroep. Het verzoek tot het onderzoeken van de mogelijkheden van voortzetting van de behandeling en resocialisatie in het kader van de terbeschikkingstelling met voorwaarden wordt afgewezen. De noodzakelijkheid van dit onderzoek is niet gebleken. Beslissing Het hof: Bevestigt, met verbetering van gronden zoals hiervoor is overwogen, de beslissing van de rechtbank van met betrekking tot de terbeschikkinggestelde, [terbeschikkinggestelde]. Wijst af het verzoek om nader onderzoek te verrichten naar de mogelijkheden van voortzetting van de behandeling en resocialisatie in het kader van de terbeschikkingstelling met voorwaarden. Aldus gedaan door mr. J.A.W. Lensing, voorzitter, mr. M.E. van Wees en mr. D. Visser, raadsheren, dr. E.M.M. Mol en drs. I. Breukel, raden, in tegenwoordigheid van mr. D. van der Geld, griffier, en op 25 november 2021 in het openbaar uitgesproken. De voorzitter en de raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.