Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-003089-19 Uitspraak d.d.: 16 november 2021 Tegenspraak Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 29 mei 2019 met het parketnummer 18-165580-18 in de strafzaak inzake de verdachte [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975, wonende te [woonadres] , [woonplaats] . Het hoger beroep De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Het onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het gerechtshof van 2 november 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het gerechtshof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, inhoudende dat het gerechtshof het vonnis van de politierechter zal vernietigen en de verdachte ter zake van het aan haar ten laste gelegde feit zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van tachtig uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door veertig dagen hechtenis, waarvan veertig uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door twintig dagen hechtenis voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Het gerechtshof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens de verdachte door haar raadsman, mr. B. de Haan, ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd. Het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht Bij het hierboven genoemde vonnis, waartegen het hoger beroep is gericht, heeft de politierechter de verdachte vrijgesproken van het aan haar ten laste gelegde feit. De politierechter heeft voorts de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding. Het gerechtshof zal dat vonnis vernietigen omdat de grondslag van het onderzoek ter terechtzitting, de tenlastelegging, in hoger beroep is gewijzigd. Het gerechtshof zal daarom opnieuw rechtdoen. De tenlastelegging Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep - ten laste gelegd dat: zij in of omstreeks de periode van 02 augustus 2018 tot en met 14 augustus 2018 te [plaats] , gemeente [gemeente] , in elk geval in Nederland en/of in Engeland, opzettelijk een minderjarige, te weten [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2005, heeft onttrokken aan het wettig over hem gesteld gezag, te weten (vader) [de vader] en/of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefende, te weten de gezinsvoogd ( [de gezinsvoogd] en/of het Regiecentrum Bescherming en Veiligheid). De bewezenverklaring Op grond van wettige bewijsmiddelen acht het gerechtshof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het aan haar ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat: zij in de periode van 2 augustus 2018 tot en met 14 augustus 2018 te [plaats] , gemeente [gemeente] , en in Engeland opzettelijk een minderjarige, te weten [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2005, heeft onttrokken aan het wettig over hem gesteld gezag, te weten (vader) [de vader] en aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefende, te weten de gezinsvoogd [de gezinsvoogd] . Het gerechtshof acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat zij daarvan behoort te worden vrijgesproken. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde feit Het bewezen verklaarde feit levert op: opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het wettig over hem gesteld gezag en opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefent. Strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de verdachte niet strafbaar zou doen zijn. Oplegging van straf De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde feit en de omstandigheden waaronder dit feit is begaan, mede gelet op de persoon van de verdachte, zoals daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Met betrekking tot de aard en de ernst van het bewezen verklaarde feit heeft het gerechtshof in het bijzonder acht geslagen op: de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd; de omstandigheid dat de verdachte haar jongste zoon, de minderjarige [de minderjarige] , gedurende een aantal dagen bij diens vader heeft weggehouden. De verdachte heeft hiermee een rechterlijke beslissing over de omgangsregeling doelbewust geschonden en heeft haar eigen opvatting daarboven laten prevaleren. Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het gerechtshof in het bijzonder acht geslagen op: de inhoud van het haar betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 27 september 2021, waaruit blijkt dat zij nimmer door een strafrechter is veroordeeld ter zake van enig strafbaar feit. Er zijn derhalve geen justitiële antecedenten aanwezig die van belang kunnen zijn bij de strafoplegging. Het gerechtshof kent hieraan geen bijzondere betekenis toe, nu het uitblijven van enig delictgedrag als een normale omstandigheid heeft te gelden; de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep is gebleken. Bij het bepalen van de strafmaat heeft het gerechtshof voorts aansluiting gezocht bij de straffen die in gevallen vergelijkbaar met deze zaak worden opgelegd. Gelet op de - volgens de bewezenverklaring - relatief korte periode dat de verdachte haar zoon heeft onttrokken aan het gezag van de vader en aan het toezicht van de gezinsvoogd, is de inbreuk op de rechtsorde die de verdachte met haar handelen heeft veroorzaakt relatief beperkt. Het gerechtshof acht een waarschuwing aan de verdachte op zijn plaats, mede ter voorkoming van herhaling van dit delictgedrag. Van overschrijding van de redelijke termijn is, anders dan de verdediging heeft aangevoerd, geen sprake. De start van de redelijke termijn kan gesteld worden op 17 augustus 2018, de dag waarop de verdachte in verzekering is gesteld ter zake van het bewezen verklaarde feit. Weliswaar is de strafzaak in hoger beroep niet berecht binnen de redelijke termijn van twee jaren nadat hoger beroep is ingesteld, maar het gerechtshof ziet aanleiding het bij deze constatering te laten, mede gelet op de op te leggen straf, nu met de totale rechtsgang bij de rechtbank en bij het gerechtshof niet méér dan vier jaren gemoeid geweest is. Het gerechtshof acht op grond van het bovenstaande en uit een oogpunt van normhand-having en speciale preventie passend de oplegging van een geheel voorwaardelijke taakstraf voor de duur van tachtig uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door veertig dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van de periode die is doorgebracht in voorarrest. Toepasselijke wettelijke voorschriften Het gerechtshof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 55 en 279 van het Wetboek van Strafrecht. Deze wettelijke voorschriften zijn toegepast zoals deze golden ten tijde van het bewezen verklaarde. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis. Bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Aldus gewezen door mr. H.J. Deuring, voorzitter, mr. O. Anjewierden en mr. T.H. Bosma, raadsheren, in tegenwoordigheid van H. Kingma, griffier, en op 16 november 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.