GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN locatie Arnhem nummer 20/00836 uitspraakdatum: 30 november 2021 Uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 22 juli 2020, nummer AWB 19/6460, in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar van de gemeente Nijmegen (hierna: de heffingsambtenaar) 1Ontstaan en loop van het geding 1.
(1918), de inhoud (1.033 m3) en de aanwezigheid van een zwembad, is het vergelijkingsobject [adres2] 361 wel voldoende vergelijkbaar met de woning om hieruit conclusies te kunnen trekken met betrekking tot de gezochte waarde. Bij de herleiding van de waarde van de woning uit het (gecorrigeerde) verkoopcijfer van dat object, is voldoende rekening gehouden met de onderlinge verschillen. Het Hof neemt hierbij in aanmerking dat de taxateur rekening heeft gehouden met de specifieke ligging van de woning (de smalle toegangsweg naar de woning en de nabijheid van de omliggende bebouwing) door hieraan een score 2 (matig) toe te kennen, terwijl het vergelijkingsobject [adres2] 361 voor ligging een 3 (standaard) scoort. De aanwezigheid van omliggende bebouwing is inherent aan de ligging in de bebouwde kom van [woonplaats] . Voor zover daarvan (in objectieve zin) overlast wordt ondervonden (ingeklemde ligging, inkijk en geluidsoverlast) heeft de taxateur daarmee voldoende rekening gehouden door correctie van de standaardgrondwaarde met 12,5%, in aanmerking nemende dat ook bij het vergelijkingsobject [adres2] 361 sprake is van (geluids)overlast door de ligging aan de [adres2] (een van de drukste wegen van [woonplaats] ). Verder zijn de woning en het vergelijkingsobject [adres2] 361 rond 1900 gebouwd, waardoor zij in de basis een vergelijkbare isolatie zullen hebben. De heffingsambtenaar heeft in aanvulling hierop nog aangevoerd dat ook de woning in ieder geval gedeeltelijk is voorzien van dubbelglas (het Bed & Breakfast-gedeelte). De taxateur is ten slotte terecht uitgegaan van een mindere uitstraling van de woning ten opzichte van het vergelijkingsobject [adres2] 361 (score 2 in plaats van 3). Met een waardedruk die uitgaat van (geringe) verschillen in isolatie en de mindere uitstraling van de woning is voldoende rekening gehouden, door uit te gaan van een lagere waarde per m3 (€ 401 versus € 495). Ook overigens zijn de verschillen tussen de beide objecten hierin voldoende tot uitdrukking gebracht. Het taxatierapport biedt daarmee voldoende steun aan de door de heffingsambtenaar verdedigde waarde. Slotsom Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond (zie 4.7). De uitspraken van de heffingsambtenaar moeten worden vernietigd met instandlating van de rechtsgevolgen ervan (handhaving beschikking en aanslag). 5Griffierecht en proceskosten Nu het Hof het hoger beroep gegrond verklaart, dient de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht te vergoeden (€ 47 in beroep en € 131 in hoger beroep). Het Hof ziet aanleiding voor een proceskostenveroordeling en stelt de voor vergoeding in aanmerking komende kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 265 voor de kosten in de bezwaarfase (2 punten (bezwaarschrift en hoorzitting) wegingsfactor 0,5 € 265), € 534 voor de kosten in eerste aanleg (2 punten (beroepschrift, bijwonen zitting) wegingsfactor 0,5 € 534) en € 534 voor de kosten in hoger beroep (2 punten (hogerberoepschrift, bijwonen zitting) wegingsfactor 0,5 € 534), ofwel in totaal op € 1.
- Ter toelichting hierop - en de toegepaste wegingsfactor 0,5 in het bijzonder - overweegt het Hof als volgt. Het hoger beroep slaagt slechts op het punt van de verstrekking van de op de zaak betrekking hebbende stukken in de bezwaarfase. Het betreft in dit geval een eenvoudig (in de zin van: niet bewerkelijk of gecompliceerd) geschilpunt, waarover niet echt discussie heeft bestaan tussen partijen. De heffingsambtenaar heeft aan het verzoek willen voldoen en heeft de ontbrekende stukken in eerste aanleg alsnog verstrekt. Dat het op de zaak betrekking hebbende stukken betreft, wordt door hem niet bestreden. Van enige weigerachtigheid aan de zijde van de heffingsambtenaar om de gevraagde stukken over te leggen, is geen sprake geweest. Dit neemt niet weg dat hij het verzoek om toezending van grondstaffels destijds (in de bezwaarfase) te beperkt heeft opgevat door daarbij niet de standaardgrondwaarden te verstrekken (zie 4.7). Dat die standaardgrondwaarden in beroep alsnog zijn verstrekt is (mede) het gevolg van voortschrijdend inzicht, zo heeft de heffingsambtenaar ter zitting van het Hof verklaard. Het Hof heeft daarom geen reden gezien om een proceskostenveroordeling achterwege te laten op de grond dat belanghebbende niet (herhaald) om toezending van die en andere ontbrekende gegevens zou hebben verzocht. 6Beslissing Het Hof: – vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, – verklaart het bij de Rechtbank ingestelde beroep gegrond, – vernietigt de uitspraken van de heffingsambtenaar, – laat de rechtsgevolgen van de vernietigde uitspraken van de heffingsambtenaar in stand, – veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.333, en – gelast dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 47 in verband met het beroep bij de Rechtbank en € 131 in verband met het hoger beroep bij het Hof. Deze uitspraak is gedaan door mr. V.F.R. Woeltjes, voorzitter, mr. M.G.J.M. van Kempen en mr. A.J. van Lint, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Riethorst als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 november
- De griffier is verhinderd de uitspraak De voorzitter, te ondertekenen. (V.F.R. Woeltjes) Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 3 december
- Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl. Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
- bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.