Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-002189-18 Uitspraak d.d.: 3 december 2021 Tegenspraak Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 3 april 2018 met het parketnummer 18-850006-14 in de strafzaak inzake de verdachte [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1959, wonende te [woonadres] . Het hoger beroep De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Het onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het gerechtshof van 13 oktober 2021, 14 oktober 2021 en 3 december 2021 en - overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering - het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het gerechtshof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, inhoudende dat het gerechtshof de verdachte ter zake van de onder 1, 2 primair, 3, 4, 5 en 6 aan hem ten laste gelegde feiten zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden, waarvan vijftien maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van één jaar. Het gerechtshof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman, mr. W. Hendrickx, ter terechtzittingen in hoger beroep is aangevoerd. Het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht Bij het hierboven genoemde vonnis, waartegen het hoger beroep is gericht, heeft de rechtbank de verdachte ter zake van de onder 1, 2 primair, 3, 4, 5 en 6 aan hem ten laste gelegde feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden, met aftrek van de periode die is doorgebracht in voorarrest. Het gerechtshof zal dat vonnis vernietigen omdat het gerechtshof op onderdelen tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank. Het gerechtshof zal daarom opnieuw rechtdoen. De tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: 1.hij in of omstreeks de periode van 1 maart 2012 tot en met 1 november 2013 in de gemeente [gemeente 1] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) een geheim waarvan hij wist dat hij het uit hoofde van ambt, te weten belastingambtenaar bij belastingkantoor [gemeente 1] , verplicht was te bewaren, opzettelijk heeft geschonden, immers heeft verdachte (telkens) opzettelijk vertrouwelijke/geheime informatie, te weten de volledige persoonsgegevens (waaronder Burgerservicenummer(s), geboortedatum/geboortedata, volledige na(a)m(
(185)open”, een lijst met huisnummers (deels aangekruist en met handgeschreven notitie “Digid aangevr. Witte enveloppen! vanaf zaterdag 20/7, waarschijnlijk pas dinsdag 23/7, maar toch voor de zekerheid!)”, een lijst met huisnummers en namen waaronder die van [slachtoffer 8] , wonende op het adres [adres 8] in [gemeente 1] (opgemaakt door [medeverdachte 4] ), (met de notitie “aangevraagd op 26 mei” en “Belangrijk: In eerste instantie komt er een blauwe envelop van de belastingdienst voor de controle van het rekeningnummer. Vanaf 4 juni dagelijks kijken. Alles komt in 1 keer!!! Alle enveloppen naar mij voor administratie. Beschikkingsbrieven waarschijnlijk vanaf zaterdag 15 juni!! Ook alles in 1 keer!!!)”, een lijst met huisnummers van de [adres 1] ZZ [adres 12] (met de opmerking: “Deze nummers gaan OPEN !!!”), dezelfde lijst maar nu met vinkjes achter de huisnummers en enkele doorhalingen met de opmerking “niet”, een lijst met huisnummers en namen waaronder die van [slachtoffer 9] , wonende aan de [adres 10] (met de notitie “Dit is NIET de lijst voor de aanvragen. Kijk op de andere lijst voor de aanvragen welke goed zijn”), een envelop met de notitie “Uiterlijk woensdag rek.nrs. Donderdag start invoer”, een notitie met [mailadres]. Daarnaast zijn in de woning van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] identiteitsbewijzen en documenten aangetroffen, onder meer ten name van [naam], [naam], [naam], [naam] en [naam]. Op grond van het voorgaande stelt het gerechtshof vast dat de verklaringen van [medeverdachte 1] worden ondersteund door objectieve gegevens, ook voor wat betreft zijn eigen rol daarin. Het gerechtshof ziet geen contra-indicatie voor de betrouwbaarheid van de verklaringen van [medeverdachte 1] , ook niet als het gaat om de betrokkenheid van de medeverdachten, welke betrokkenheid daarnaast wordt ondersteund door hetgeen het gerechtshof daarover hieronder nog nader zal overwegen. Hiermee is het gerechtshof van oordeel dat buiten redelijke twijfel vaststaat dat [medeverdachte 1] betrokken is geweest bij de fraudeconstructie, in die zin dat hij de volgende feitelijke handelingen heeft verricht: hij heeft post weggenomen bij [adres 4] en de [adres 1] ZZ, hij heeft post van de [adres 2] en [adres 5] van [medeverdachte 6] naar [medeverdachte 5] gebracht en hij heeft geld gepind voor [adres 4] en de [adres 2] . De betrokkenheid van de verdachten [verdachte] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] [verdachte] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] hebben tegenover de politie verklaard - kort en zakelijk weergegeven - dat zij op enig moment begin 2013 bij de onderzochte DigiD-fraude betrokken zijn geraakt. [verdachte] was aangesteld als ambtenaar van de Belastingdienst en werkzaam op het kantoor van de Belastingdienst aan de Kemkensberg 12 in Groningen . In die hoedanigheid kon hij beschikken over de personalia, GBA-adressen en het BSN van ieder willekeurig individu. Hij heeft verklaard dat hij ontbrekende gegevens van slachtoffers van de DigiD-fraude op zijn werk heeft opgezocht en daarbij gebruik heeft gemaakt van het systeem BVR (Beheer van Relaties). Hij noteerde de gegevens op (ruitjes)papier. Hij heeft dit gedaan bij die slachtoffers, waarvan de benodigde gegevens niet compleet door [medeverdachte 1] waren aangeleverd. Zo verklaarde [verdachte] over document B.03.04.01.25 (gegevens bewoners [adres 2] 85 t/m 503) dat hij dit document heeft opgemaakt en hij merkte daarover onder andere op: "Dit document betreft van een bepaald adres gewoon alle gegevens van de mensen die er wonen. Ik kreeg van [medeverdachte 1] (het hof begrijpt: [medeverdachte 1] ) de postcodes en daar heb ik dan de gegevens bij gezocht.”. [verdachte] heeft verder verklaard dat hij via zijn zoon [medeverdachte 5] in contact is gekomen met [medeverdachte 1] . Hij heeft samen met zijn vrouw [medeverdachte 4] (nieuwe) DigiD-accounts aangevraagd en hierna geactiveerd en vervolgens zorg- en huurtoeslagen aangevraagd op naam van vele slachtoffers, wonende in studentenflats aan de [adres 2] , [adres 5] en [adres 1] ZZ in [gemeente 1] . Het begunstigde rekeningnummer werd daarbij gewijzigd in een rekeningnummer van een katvanger. [verdachte] en [medeverdachte 4] hebben verklaard dat zij hiervoor ongeveer tienduizend euro hebben gekregen en dat [medeverdachte 5] hier ook zijn deel van heeft gekregen. Het aanvragen gebeurde bij het Van der Valk hotel in [plaats] en bij de pompstations Meedenertol en De Dikke Linde. [verdachte] heeft, in overeenstemming met de eerder besproken verklaring van [medeverdachte 1] , daarnaast verklaard dat er een bijeenkomst is geweest in de kringloopwinkel achter het Overwinningsplein in [gemeente 1] (dat wil zeggen: aan [adres 11] ) waarbij hij en [medeverdachte 1] en “de oude en de jonge [naam] ” (de verdachten [medeverdachte 7] en [medeverdachte 6] ) aanwezig waren, waar gesproken werd over de DigiD-fraude en door [medeverdachte 7] onder meer werd gezegd dat het “beter moest met de passen.”. [medeverdachte 4] heeft, voor zover hier van belang, in aanvulling op het voorgaande verklaard dat zij de inkomensgegevens van de gedupeerden altijd zo wijzigde dat zij de maximale zorg- en huurtoeslag kon aanvragen, dat zij en haar echtgenoot van hun zoon [medeverdachte 5] een lijst kregen met bankrekeningnummers (inclusief zogenaamde IBAN-codes) en dat [medeverdachte 5] deze op zijn beurt van [medeverdachte 1] kreeg. [medeverdachte 5] heeft tegenover de politie verklaard dat [medeverdachte 1] de tussenpersoon was tussen hem en zijn vader en de familie [medeverdachte 6] , waarmee hij gezien zijn verklaringen [medeverdachte 7] en [medeverdachte 6] bedoelt. Ook hij heeft, in overeenstemming met de verklaringen van zijn vader en [medeverdachte 1] , verklaard dat er een ontmoeting heeft plaatsgehad in de eerder genoemde kringloopwinkel, waarbij hij, zijn vader, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] aanwezig waren, dat daar werd gesproken over de DigiD-fraude en dat door [medeverdachte 7] werd aangegeven dat hij kon beschikken over de sleutels van brievenbussen, over bankrekeningen en passen en over mensen die de brievenbussen in de gaten konden houden in verband met de weg te nemen post. Afwijkend ten opzichte van de verklaring van [medeverdachte 1] is dat [verdachte] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] in hun latere verklaringen tegenover de politie hebben aangegeven dat zij onder druk zijn gezet, door [medeverdachte 1] of de [medeverdachte 6] , om aan de fraude mee te werken. Het gerechtshof acht dat scenario volstrekt niet aannemelijk geworden, alleen al omdat zij hierover sterk wisselend hebben verklaard, zowel binnen de context van hun eigen verklaringen als ten opzichte van elkaar. Het gerechtshof komt daarnaast hieronder tot de conclusie dat zij al vanaf een eerder moment betrokken moeten zijn geweest bij de fraude dan de beweerdelijke mishandeling van [medeverdachte 5] , waaruit die druk zou moeten blijken. Overigens kan ook uit hun (belangrijke en sturende) rol en wijze van betrokkenheid bij deze fraude, waaronder de lange duur en grote schaal daarvan, bepaald niet worden opgemaakt dat zij onder druk handelden. Op de bewijsmiddelen die zicht geven op die rol en betrokkenheid gaat het gerechtshof hieronder nader in. In de eerste plaats is van belang dat de verklaringen van [verdachte] en [medeverdachte 4] over hun rol bij het aanvragen van activeringscodes en toeslagen bevestigd wordt door het digitale onderzoek van de politie. Uit de door Logius verstrekte lijst is gebleken dat bij het aanvragen of wijzigen van een DigiD-account van de bewoners van de flats waarop de tenlastelegging ziet de e-mailadressen [mailadres] , [mailadres] en [mailadres] zijn gebruikt. Van het e-mailadres [mailadres] hebben zowel [verdachte] als [medeverdachte 4] erkend dat zij dit gebruikt hebben om aanvragen mee te doen voor bewoners van de [adres 2] , [adres 5] en de [adres 1] ZZ in [gemeente 1] . Uit de loggegevens van Logius blijkt bovendien dat ditzelfde e-mailadres ook is gebruikt voor aanvragen voor een bewoner van de [adres 3] en voor het aanvragen van een DigiD voor een bewoner van de [adres 6]. Uit de loggegevens van Logius blijkt dat het e-mailadres [mailadres] is gebruikt bij het aanvragen van DigiD-accounts en huur- en zorgtoeslag voor bewoners van [adres 4] , de [adres 1] ZZ en de [adres 6]. Dit e-mailadres is door de politie teruggevonden op een in de woning van [verdachte] en [medeverdachte 4] aangetroffen laptop. Uit de door Logius verstrekte lijst blijkt onder meer dat het e-mailadres [mailadres] op 20 oktober 2013 is gebruikt voor het aanvragen van een DigiD voor [slachtoffer 9] , wier aangifte hierboven is aangehaald. Bij deze aanvraag is gebruik gemaakt van het IP-adres [IP-nummer] Dit betreft de locatie Shellstation Meedenertol. Op 24 oktober 2013 is het aangevraagde DigiD-account geactiveerd vanaf het IP-adres [IP-nummer] Dit betreft de locatie Van der Valk hotel [plaats]. Op 25 oktober 2013 is er vanaf het IP-adres [IP-nummer] (dit betreft ook de locatie Van der Valk hotel [plaats]) ingelogd bij de Belastingdienst/Toeslagen. [verdachte] en [medeverdachte 4] hebben erkend dat ze het aanvragen van DigiD-accounts, het activeren van deze DigiD-accounts en het aanvragen van zorg- en huurtoeslagen inderdaad hebben gedaan vanaf de genoemde locaties Van der Valk hotel [plaats] , Texaco Kolham (De Dikke Linde) en Shell station Meedenertol, bij zogenaamde wifi hotspots. Het e-mailadres [mailadres] is gebruikt voor het aanvragen van DigiD-accounts voor bewoners van de [adres 2] , onder meer voor bewoners [naam] , [naam] en [naam] . De namen van deze personen komen ook voor op de eerder aangehaalde en door [verdachte] gemaakte lijst (B.03.04.01.25). De naam van [naam] komt daarnaast voor op een in de handtas van [medeverdachte 4] aangetroffen lijst (J.01.01.01). Het gerechtshof stelt op grond van het vorenstaande vast dat [verdachte] en [medeverdachte 4] van alle drie genoemde e-mailadressen gebruik hebben gemaakt bij het aanvragen van DigiD-accounts en het aanvragen van huur- en zorgtoeslagen. Bij de doorzoeking op 18 februari 2014 in de woning van [verdachte] en [medeverdachte 4] aan de [adres 14] zijn voorts goederen in beslag genomen die in verband kunnen worden gebracht met DigiD-fraude, waaronder (in de handtas van [medeverdachte 4] ) een brief van ASN aan [naam], wonende aan [adres 13] , een lijst met namen, persoonsgegevens en rekeningnummers (naar eigen zeggen opgemaakt door [medeverdachte 4] ), waaronder die van [slachtoffer 8], wonende aan de [adres 8] , de agenda van [medeverdachte 4] waaruit blijkt van verblijf van [verdachte] en [medeverdachte 4] in het hotel in [plaats] in de periode van 18 tot 20 juli en 24 tot 26 juli 2013, een lijst met straatnamen ( [adres 3] , [adres 2] en [adres 5] ) en een notitieblaadje met de naam [naam] en de aantekening “ [rekeningnummer] ”. Het gerechtshof stelt voorts vast dat uit het onderzoek van de politie is gebleken dat er tussen 12 en 20 juli 2012 door fraude verkregen zorg- en huurtoeslagen op naam van bewoners van [adres 4] zijn gestort op rekeningen van katvangers. In deze zelfde periode - namelijk op 13, 17 en 18 juli 2012 - hebben vervolgens contante geldstortingen van respectievelijk twaalfhonderd euro, drieduizend-en-driehonderdtwintig euro en vijftienhonderd-en-vijftig euro plaatsgevonden op rekening [rekeningnummer] ten name van [medeverdachte 4] en [verdachte]. Mede gelet op het hieronder nader beschreven berichtenverkeer tussen de verdachten en de hiervoor vermelde (in de woning aan de [adres 7] aangetroffen) poststukken van [adres 4] gedateerd op 24 maart 2012, kan met een voldoende mate van zekerheid worden vastgesteld dat beide verdachten al in de eerste helft van het jaar 2012 profiteerden van - en dus betrokken zijn geweest bij - deze vorm van DigiD-fraude die in deze periode gepleegd werd bij (in ieder geval, voor zover uit het dossier kan worden opgemaakt) [adres 4] in [gemeente 1] . Met betrekking tot dat berichtenverkeer heeft het gerechtshof het volgende vastgesteld. Tussen 7 augustus 2012 en 15 augustus 2012 heeft [medeverdachte 5] diverse berichten naar [medeverdachte 1] verstuurd met betrekking tot een sleutel die [medeverdachte 1] moest regelen. Op 15 augustus 2012 stuurde [medeverdachte 5] een bericht aan [medeverdachte 1] inhoudende “Jij hebt toch beide pasjes voor de 20e om te pinnen?”. Deze berichten kunnen gerelateerd worden aan de huur- en zorgtoeslagen die op 20 augustus 2012 op de bankrekeningen van de katvangers [naam] en [naam] gestort zijn en aan het pinnen van deze rekeningen op 20 augustus 2012. Op 16 augustus 2012 stuurde [medeverdachte 5] verder een aantal sms berichten naar [medeverdachte 1] inhoudende “Check ook effe of er al geld staat” en “Er moet al geld staan volgens [naam zoon] ”, “Morgen kan nog meer komen”, “Ik kom er zo aan, jij 100 ik 100 en [naam zoon] 100 dat is pa zijn deel”. Bovendien heeft er op 7 maart 2013 sms verkeer plaatsgehad tussen [medeverdachte 4] en [naam zoon] ( [naam zoon] of “ [naam zoon] ”, de jongste zoon van de verdachte [verdachte] ). [medeverdachte 4] stuurde daarbij onder meer de berichten: “geen post aan de JS !!” en “morgen rond de middag gaan pap en ik kijken”. [naam zoon] heeft verklaard dat met “JS” [adres 4] wordt bedoeld. Op grond van al het voorgaande, en daarbij betrokken de verklaring van [medeverdachte 1] , stelt het gerechtshof vast dat de verdachten [verdachte] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] betrokken zijn geweest bij de beschreven fraudeconstructie, in die zin dat [medeverdachte 5] post van [adres 4] , de [adres 2] , [adres 5] en de [adres 1] ZZ heeft weggenomen, dan wel heeft laten wegnemen, dat [verdachte] ontbrekende persoonsgegevens heeft opgezocht in het systeem van de Belastingdienst en dat [verdachte] en [medeverdachte 4] met die verkregen persoonsgegevens DigiD-accounts hebben aangevraagd bij Logius en huur- en zorgtoeslagen hebben aangevraagd bij de Belastingdienst op naam van bewoners aan [adres 4] , de [adres 2] , [adres 5] , de [adres 1] ZZ, de [adres 3] en de [adres 6] . Zoals al eerder opgemerkt stelt het gerechtshof vast dat [verdachte] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] niet pas in maart 2013 betrokken zijn geraakt maar in ieder geval in de eerste helft van 2012, gelet op de verklaring van [medeverdachte 1] en gelet op voornoemde geldtransacties, sms-berichten en aangetroffen poststukken. Het gerechtshof zal in de bewezenverklaring daarom aansluiten bij de aanvangsperiode van de tenlastelegging, te weten 1 maart 2012. De verklaringen van [verdachte] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] dat zij niet bij [adres 4] betrokken zijn geweest acht het gerechtshof gelet op het voorgaande volstrekt niet aannemelijk geworden. De betrokkenheid van de verdachten [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] Het gerechtshof stelt vast dat de betrokkenheid van [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] bij de fraudeconstructie blijkt uit de verklaring van [medeverdachte 1] , die op zijn beurt steun vindt in de verklaringen van [medeverdachte 5] en [verdachte] zoals hiervoor weergegeven, in de verklaring van [medeverdachte 10] en in de verklaringen van de Roemeense katvangers [getuige 2], [getuige 3] , [getuige 7], [getuige 5], [getuige 6] en [getuige 4]. [medeverdachte 10] heeft verklaard dat hij [medeverdachte 7] sinds 2010 kent en voor hem heeft gewerkt in de tweedehandswinkel [naam winkel] (de kringloopwinkel aan [adres 11] , waarover ook [medeverdachte 1] , [medeverdachte 5] en [verdachte] hebben verklaard). [medeverdachte 10] heeft, zo verklaart hij, in opdracht van [medeverdachte 7] , via zijn zus in Roemenië, mensen vanuit Roemenië naar Nederland gehaald. [medeverdachte 10] heeft verder verklaard dat hij de inschrijving van deze personen in de gemeente [gemeente 1] heeft geregeld, zodat zij konden beschikken over een BSN, en dat hij vervolgens er voor gezorgd heeft dat deze personen een bankrekening openden bij de ING. De bij deze rekeningen behorende bescheiden, zoals pincodes en bankpassen, heeft hij aan [medeverdachte 7] laten afgeven. [getuige 2] , [getuige 3] , [getuige 4] en [getuige 5] hebben - in overeenstemming met deze verklaring van [medeverdachte 10] - verklaard dat zij met z’n vieren naar [gemeente 1] zijn gereisd, dat zij in [gemeente 1] werden opgevangen door [medeverdachte 10] , dat zij in [gemeente 1] werden ondergebracht bij [naam winkel] , dat zij bij de ING een rekening moesten openen, dat zij hierbij werden bijgestaan door [medeverdachte 10] , dat zij na het openen van de rekening de bankpas moesten afstaan aan [medeverdachte 10] en dat [medeverdachte 10] zijn opdrachten kreeg van [medeverdachte 7] . Kort na het openen van de bankrekeningen kregen zij te horen dat er geen werk voor hen was en dat zij terug konden naar Roemenië. [getuige 7] heeft verklaard dat zij met haar toenmalige vriend [getuige 6] rond kerst 2012 in Nederland was. Zij zijn in contact gebracht met [medeverdachte 6] . Op verzoek van [medeverdachte 6] zijn er kopieën gemaakt van hun paspoorten en hebben zij bankrekeningen geopend. Hierbij hebben zij een adres opgegeven dat zij van [medeverdachte 6] kregen. Zij moesten de bankpassen en pincodes afgeven aan [medeverdachte 6] . Door de Belastingdienst is een lijst aangeleverd met voor de fraude gebruikte bankrekeningnummers. Daarnaast zijn door bankinstellingen NAW-gegevens verstrekt met betrekking tot de gebruikte bankrekeningnummers. Dit levert met betrekking tot voornoemde katvangers [getuige 2] , [getuige 3] , [getuige 4] , [getuige 6] en [getuige 7] het volgende op. Uit de aangiften van [slachtoffer 4] en Hai (beiden wonende aan [adres 5] in [gemeente 1] ) blijkt dat toeslagen zijn uitbetaald op rekeningnummer IBAN [rekeningnummer] . Deze IBAN is op naam gesteld van [getuige 2] . Uit de aangifte van [slachtoffer 5] (wonende aan de [adres 3] in [gemeente 1] ) blijkt dat toeslagen zijn uitbetaald op IBAN [rekeningnummer] . Ook deze IBAN is op naam gesteld van [getuige 2] . Uit de aangifte van [slachtoffer 10] (wonende aan de [adres 2] in [gemeente 1] ) blijkt dat toeslagen zijn uitbetaald op IBAN [rekeningnummer] . Deze IBAN is op naam gesteld van [getuige 3] . Uit de aangifte van [slachtoffer 11] (wonende aan de [adres 2] in [gemeente 1] ) blijkt dat zorgtoeslag is uitbetaald op IBAN [rekeningnummer] . Deze IBAN is op naam gesteld van [getuige 4] . Uit de aangifte van [slachtoffer 12] (wonende aan [adres 5] in [gemeente 1] ) blijkt dat toeslagen zijn uitbetaald op IBAN [rekeningnummer] . Deze IBAN is op naam gesteld van [getuige 6] . Uit de aangifte van [slachtoffer 8] (wonende aan de [adres 2] in [gemeente 1] ) blijkt dat huur- en zorgtoeslag is uitbetaald op IBAN [rekeningnummer] . Ook deze IBAN is op naam gesteld van [getuige 6] . Uit de aangifte van [slachtoffer 13] (wonende aan de [adres 2] in [gemeente 1] ) blijkt dat toeslagen zijn uitbetaald op IBAN [rekeningnummer] . Deze IBAN is op naam gesteld van [getuige 7] . Uit deze bevindingen blijkt dat de bankrekeningen, overeenkomstig de hiervoor aangehaalde verklaringen, inderdaad gebruikt zijn voor het uitbetalen van door de fraude verkregen toeslagen. Dat onderstreept de betrouwbaarheid van de verklaring van [medeverdachte 10] en de naar Nederland gehaalde Roemenen, voor zover het gaat om de rol van [medeverdachte 7] , en de verklaring van [getuige 7] , voor zover het gaat om de rol van [medeverdachte 6] . De betrokkenheid van [medeverdachte 6] kan voorts worden afgeleid uit de door de politie vastgestelde telefonische contacten tussen hem en [medeverdachte 1] , tussen hem en [medeverdachte 5] en tussen hem en [medeverdachte 4] . Zo is er in de periode tussen maart 2013 en december 2013 sprake van een groot aantal gesprekscontacten en sms contacten tussen [medeverdachte 6] en [medeverdachte 1] en tussen hem en [medeverdachte 5] . Op 14 maart 2013 werd vanaf het telefoonnummer + [telefoonnummer] (blijkens zijn eigen verklaring in gebruik bij [medeverdachte 6] ) in ieder geval aan [medeverdachte 1] het volgende sms bericht verstuurd: “vanaf vandaag graag iedereen ander mobiel”. Daarnaast stelt het gerechtshof vast dat er op 16 juli 2013 door [medeverdachte 1] (met zijn account [gebruikersnaam 2] ) een Skype gesprek werd gevoerd met een persoon met het account "zaken.courant ". Daarin werd getypt: "die sleutel hadden we toen met [naam] gefixt". In dat gesprek is te zien dat er door de verdachte [medeverdachte 6] ( [gebruikersnaam 1] ) via Skype contact werd gelegd met [gebruikersnaam 2] . Het eerste contact tussen [gebruikersnaam 1] en [gebruikersnaam 2] via Skype is op 10 juli 2013 geweest. De verklaring van [medeverdachte 6] dat hij met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 5] slechts een enkele keer contact heeft gehad in verband met het verhuren van een kamer en dat hij hen verder niet kent, is, gelet op de vastgestelde hoeveelheid contacten, ongeloofwaardig. Voorts is in de telefoon van katvanger [naam] als contact aangetroffen [medeverdachte 6], is in een telefoon in gebruik bij [medeverdachte 1] het telefoonnummer van [medeverdachte 7] onder de naam “ [naam] ” aangetroffen en is bij de doorzoeking van de woning aan de [adres 7] in [plaats] , de verblijfplaats van [medeverdachte 1] , een notitie aangetroffen waar op staat geschreven “ [mailadres] ” en een zestal kopieën van het identiteitsbewijs van [medeverdachte 7] . Op grond van al het voorgaande, maar in het bijzonder de onderling overeenstemmende verklaringen van [medeverdachte 1] , [medeverdachte 10] en de katvangers, stelt het gerechtshof vast dat de verdachten [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] betrokken zijn geweest bij de fraudeconstructie en dat deze betrokkenheid hierin bestond dat [medeverdachte 6] post heeft weggenomen bij de [adres 2] en [adres 5] en dat [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] door middel van Roemeense katvangers bankrekeningen en pinpassen hebben geregeld waarop huur- en zorgtoeslagen werden gestort. Overwegingen ten aanzien van de ten laste gelegde feiten Schending van het ambtsgeheim Door aangeefster [naam aangever 1] is op 7 augustus 2014 namens de Belastingdienst [gemeente 1] aangifte gedaan van schending van het ambts-/beroepsgeheim door [verdachte] . [verdachte] is, zoals hierboven reeds overwogen, per 1 januari 2007 aangesteld als ambtenaar van de Belastingdienst. In de ter beoordeling voorliggende strafzaken is het medeplegen van schending van het ambtsgeheim ten laste gelegd. Voor medeplegen van een strafbaar feit is vereist dat sprake is van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de betrokken personen, gericht op de totstandkoming van het delict. Daarnaast moeten de van medeplegen verdachte personen aan de totstandkoming van het delict een wezenlijke bijdrage hebben geleverd. Nu in casu sprake is van een kwaliteitsdelict, is voorts wetenschap van de specifieke kwalificatie bij de medeverdachte(
- n)een vereiste. Met betrekking tot dit laatste punt overweegt het hof in het bijzonder het volgende. De medeverdachten [medeverdachte 5] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] waren ervan op de hoogte dat [verdachte] bij de Belastingdienst werkte. Uit de hiervoor beschreven modus operandi volgt dat het verkrijgen van persoonsgegevens, gelijk de overige te onderscheiden stappen, een noodzakelijk onderdeel was van de te plegen fraude. Dat [verdachte] voor het aanleveren van deze persoonsgegevens zijn geheimhoudingsplicht als belastingambtenaar moest schenden, moet voor ieder weldenkend mens, dus ook voor de medeverdachten, duidelijk zijn geweest. Het gerechtshof acht op grond van het bovenstaande wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan medeplegen van opzettelijke schending van het ambtsgeheim. Diefstal, oplichting en valsheid in geschrift Het gerechtshof komt, zoals reeds hiervoor overwogen bij de bespreking van de bewijsverweren, tot het oordeel dat ook de ten laste gelegde diefstal, oplichting en valsheid in geschrift bewijsbaar zijn in de zin van medeplegen omdat alle ten laste gelegde feiten onlosmakelijk onderdeel uitmaken van de gehele fraudeconstructie, waarvan verdachte wetenschap had, waaraan hij - direct dan wel indirect - een onmisbare en wezenlijke bijdrage heeft geleverd en waarvan hij mede heeft geprofiteerd. Hoewel de verdachte niet bij de feitelijke uitvoering van al deze feiten betrokken is geweest, kan hij daar dus toch strafrechtelijk aansprakelijk voor worden gehouden. Gewoontewitwassen Zoals uit het voorgaande blijkt, acht het gerechtshof bewezen dat de verdachten zich tezamen en in vereniging schuldig hebben gemaakt aan oplichting en de Belastingdienst hebben bewogen tot het storten van zorgtoeslagen en huurtoeslagen op rekeningen van katvangers die geen recht hadden op deze geldbedragen. Deze katvangers hadden eerder hun bankpasjes afgestaan aan een van de verdachten en hadden zelf geen beschikkingsmacht meer over de betreffende rekeningen en de daarop door de Belastingdienst gestorte bedragen. Kort nadat de geldbedragen zijn gestort op de rekeningen van de katvangers hebben de verdachten dat geld telkens contant opgenomen of laten opnemen. Een gedeelte van de geldbedragen is op de rekeningen blijven staan en hierop is door het openbaar ministerie beslag gelegd. Gelet op deze gang van zaken stelt het gerechtshof vast dat de verdachten de herkomst hebben verborgen en verhuld van deze van misdrijf afkomstige geldbedragen (artikel 420bis lid 1 onder a van het Wetboek van Strafrecht) en dat zij deze geldbedragen hebben verworven, voorhanden hebben gehad, hebben overgedragen en hebben omgezet (artikel 420bis lid 1 onder b van het Wetboek van Strafrecht). Wat betreft de vraag of het verwerven en voorhanden hebben van de geldbedragen kwalificeert als witwassen zoals ten laste gelegd, overweegt het hof in reactie op het verweer terzake als volgt. Naar hun uiterlijke verschijningsvorm zijn de gedragingen van de verdachten van meet af aan gericht geweest op het reeds op voorhand daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van de geldbedragen; dat was nu juist de crux van de fraudeconstructie. Immers, verdachten hebben de onmiddellijk uit eigen misdrijven – d.i. oplichting van Logius en van de Belastingdienst en door valsheid in geschrift – afkomstige gelden aanvankelijk doen overmaken op de rekeningen van tal van speciaal daartoe uit Oost-Europa geronselde katvangers. Dit betrof zoals gezegd rekeningen waar verdachten, en niet de katvangers, feitelijk de beschikking over hadden. Vervolgens hebben zij de toeslagen steeds doen pinnen van de betreffende rekening door (al of niet weer anderen dan) vorenbedoelde katvangers. Hiermee is op doelgerichte wijze – de inzet van katvangers dient immers per definitie geen redelijke economische grond – naar het oordeel van het gerechtshof reeds bij de ontvangst van de toeslagen een mistgordijn opgeworpen teneinde de criminele herkomst van de gelden zoals die ten slotte zijn aangetroffen of gestort op de rekeningen van, of in contanten bij, de familie [verdachte] te verhullen. Dit betekent dat de door de Hoge Raad ontwikkelde kwalificatie-uitsluitingsgrond met betrekking tot het verwerven en voorhanden hebben als bedoeld in artikel 420bis lid 1 onder b van het Wetboek van Stafrecht zich hier niet voordoet. Voor zover het geld is uitgegeven (‘met de stroom meegegaan’, zoals de verdachte [medeverdachte 4] heeft verklaard ter terechtzitting in hoger beroep) is de kwalificatie-uitsluitingsgrond sowieso niet aan de orde, omdat dat immers betekent dat het geld is overgedragen en/of omgezet. Door het op voormelde wijze verwerven, voorhanden hebben, omzetten en overdragen van de uit misdrijf verkregen gelden, is de herkomst van deze gelden aan het zicht onttrokken, waardoor deze gelden zijn witgewassen. Nu deze witwashandelingen bovendien over een lange periode hebben plaatsgevonden is het hof van oordeel dat verdachte en zijn medeverdachten van het witwassen een gewoonte hebben gemaakt, terwijl zij wisten dat de gelden afkomstig waren van misdrijven. Volledigheidshalve Aangezien ter zake van de deelnemingsvorm van medeplegen niet enkel dient te worden vastgesteld dat de verdachte zelf een wezenlijke bijdrage in het feit heeft geleverd, maar tevens dat op zijn minst één andere deelnemer eveneens een wezenlijke bijdrage daarin heeft geleverd, overweegt het gerechtshof volledigheidshalve het volgende. Gelet op de hierboven genoemde bewijsmiddelen en bewijsredenering - in onderling verband en in onderlinge samenhang bezien - stelt het gerechtshof vast dat naast de wezenlijke bijdrage van de verdachte in de strafbare feiten tevens vaststaat de wezenlijke bijdrage daarin van in ieder geval de medeverdachten [medeverdachte 5] , [medeverdachte 4] (uitgezonderd feit 1) en [medeverdachte 1] . Deelnemen aan een criminele organisatie Uit het voorgaande volgt tevens dat de verdachte behoorde tot een op het plegen van DigiD-fraude (bestaande uit de onder 6 ten laste gelegde misdrijven) gericht samenwerkingsverband waarbij gedurende een langere periode op gestructureerde en georganiseerde wijze is samengewerkt tussen de verdachten en waarbij de inbreng van de verdachte als belastingambtenaar van essentieel belang was voor het verwezenlijken van het binnen die organisatie bestaande oogmerk. Gelet hierop acht het gerechtshof bewezen dat de verdachte heeft deelgenomen aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht. De bewezenverklaring Op grond van wettige bewijsmiddelen acht het gerechtshof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2 primair, 3, 4, 5 en 6 aan hem ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat: 1.hij in de periode van 1 maart 2012 tot en met 1 november 2013 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen telkens een geheim waarvan hij wist dat hij het uit hoofde van ambt, te weten belastingambtenaar bij belastingkantoor [gemeente 1] , verplicht was te bewaren, opzettelijk heeft geschonden, immers heeft verdachte opzettelijk vertrouwelijke/geheime informatie, te weten de volledige persoonsgegevens, waaronder Burgerservicenummers, geboortedatum/geboortedata, volledige namen en adresgegevens) van derden, te weten van verschillende bewoners van flatgebouwen aan de [adres 1] ZZ en/of de [adres 2] en/of de [adres 3] en/of [adres 4] en/of [adres 5] en/of de [adres 6] , alle te [gemeente 1] , welke gegevens aan hem, als ambtenaar bij de Belastingdienst ter uitvoering van zijn functie ter beschikking stonden door middel van het computersysteem Beheer Van Relaties en/of enig ander elektronisch bestand van de Belastingdienst, opgezocht en/of overgenomen en/of gedeeld met één of meer van zijn mededaders en gebruikt voor het aanvragen van een DigiD-account op naam van vorenbedoelde derden en aldus aangewend voor een ander doel dan waarvoor deze gegevens aan hem ter beschikking waren gesteld. 2. hij op tijdstippen in de periode van 1 maart 2012 tot en met 5 november 2013 in de gemeente [gemeente 1] telkens tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een flatgebouw aan [adres 4] heeft weggenomen poststukken, waaronder poststukken verzonden door/namens Logius inhoudende de activeringscode van (een) DigiD-account(
- s)en/of poststukken verzonden door/namens de Belastingdienst met betrekking tot (de bevestiging van) de aanvraag van zorgtoeslag en/of huurtoeslag, toebehorende aan de geadresseerde van het poststuk en hij op tijdstippen in de periode van 1 maart 2012 tot en met 5 november 2013 in de gemeente [gemeente 1] telkens tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit brievenbussen/ postbussen van flatgebouwen, waaronder aan de [adres 1] ZZ en/of de [adres 2] en/of de [adres 3] en/of [adres 5] en/of de [adres 6] , heeft weggenomen poststukken, waaronder poststukken verzonden door/namens Logius inhoudende de activeringscode van (een) DigiD-account(
- s)en/of poststukken verzonden door/namens de Belastingdienst met betrekking tot (de bevestiging van) de aanvraag van zorgtoeslag en/of huurtoeslag, toebehorende aan de geadresseerde van het poststuk, waarbij verdachte en zijn mededader(
- s)het weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van valse sleutels, immers hebben verdachte en zijn mededader(
- s)gebruik gemaakt van (een) loper(
- s)en/of (een) moedersleutel(
- s)en/of (een) onbevoegd verkregen sleutel(s), passend op vorenbedoelde brievenbussen. 3. hij in de periode van 1 maart 2012 tot en met 1 november 2013 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen telkens met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels Logius heeft bewogen tot de afgifte van DigiD-accounts en DigiD-activeringscodes, hierin bestaande dat hij, verdachte, en een of meer van zijn mededaders telkens met voren omschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid: * zich hebben aangemeld bij de door Logius voornoemd gehouden website www.digid.nl en vervolgens op naam van een derde, bewoners van een flatgebouw aan de [adres 1] ZZ te [gemeente 1] een DigiD-account hebben aangevraagd met gebruikmaking van deels wederrechtelijk verkregen persoonlijke gegevens van deze derden, als ware hij die derde en bij de aanvraag een door hem/hen beheerd e-mailadres hebben ingevuld, waardoor Logius voornoemd is bewogen tot de afgifte van een DigiD-activeringscodes en tot de afgifte van bevestigings-e-mails, en * vervolgens telkens het aldus aangevraagde DigiD-account hebben geactiveerd met de afgegeven/verstrekte activeringscode(s), waardoor Logius voornoemd is bewogen om de (nieuwe) DigiD-account te activeren, en hij in de periode van 1 maart 2012 tot en met 1 november 2013 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen telkens met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels: - Logius heeft bewogen tot de afgifte van DigiD-accounts en DigiD-activeringscodes en - de Belastingdienst heeft bewogen tot de afgifte van zorgtoeslagen en/of huurtoeslagen, hierin bestaande dat hij, verdachte, en een of meer van zijn mededaders telkens met voren omschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid: * zich hebben aangemeld bij de door Logius voornoemd gehouden website www.digid.nl en vervolgens op naam van een derde, bewoners van flatgebouwen waaronder aan de [adres 2] en/of de [adres 3] en/of [adres 4] en/of [adres 5] en/of de [adres 6] , alle te [gemeente 1] , een DigiD-account hebben aangevraagd met gebruikmaking van deels wederrechtelijk verkregen persoonlijke gegevens van deze derden, als ware hij die derden en bij de aanvraag een door hem/hen beheerd e-mailadres hebben ingevuld, waardoor Logius voornoemd is bewogen tot de afgifte van DigiD-activeringscodes en tot de afgifte van bevestigings-e-mails, en * vervolgens telkens het aldus aangevraagde DigiD-account hebben geactiveerd met de afgegeven/verstrekte activeringscode(s), waardoor Logius voornoemd is bewogen om de (nieuwe) DigiD-account te activeren, en * vervolgens telkens met het aldus geactiveerde DigiD-account hebben ingelogd op de website van de Belastingdienst en aldaar op een digitaal formulier een aanvraag voor de zorgtoeslag en/of huurtoeslag inkomensgegevens hebben gewijzigd/vermeld en bankrekeningnummers voor de uitbetaling hebben gewijzigd/vermeld en/of een kale huurprijs hebben vermeld/gewijzigd en/of deze ingevulde gegevens hebben bekrachtigd met een digitale handtekening welke moest doorgaan voor de handtekening van vorenbedoelde derden wiens identiteit gebruikt was, waardoor de Belastingdienst is bewogen op de ingevulde bankrekening(
- en)zorgtoeslag en/of huurtoeslag uit te betalen. 4.hij in de periode van 1 maart 2012 tot en met 1 november 2013 in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen telkens opzettelijk digitale formulier(
- en)aanvraag voor de zorgtoeslag en/of huurtoeslag ten name van een groot aantal (te weten 370 of daaromtrent) derden (te weten verschillende bewoners van flatgebouwen aan de [adres 1] ZZ en/of de [adres 2] en/of de [adres 3] en/of [adres 4] en/of [adres 5] en/of de [adres 6] , alle te [gemeente 1] ), waaronder ten name van: - [slachtoffer 1] , wonende aan de [adres 2] te [gemeente 1] (Aan- [nummer] ), en/of - [slachtoffer 2] , wonende aan de [adres 1] te [gemeente 1] (Aan- [nummer] ), en/of - [slachtoffer 3] , wonende aan de [adres 6] te [gemeente 1] (Aan- [nummer] ), en/of - [slachtoffer 4] , wonende aan [adres 5] te [gemeente 1] (Aan- [nummer] ), en/of - [slachtoffer 5] , wonende aan de [adres 3] te [gemeente 1] (Aan- [nummer] ), en/of - [slachtoffer 6] , (ten tijde van het strafbare feit) wonende aan [adres 4] te [gemeente 1] (Aan- [nummer] ), elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, immers heeft hij, verdachte en/of één of meer van zijn mededaders opzettelijk in strijd met de waarheid op dat digitale formulier aanvraag, voor de zorgtoeslag en/of huurtoeslag, de inkomensgegevens gewijzigd/vermeld en het bankrekeningnummer voor de uitbetaling gewijzigd/vermeld en/of de kale huurprijs vermeld/gewijzigd en/of de ingevulde gegevens bekrachtigd met een digitale handtekening welke moest doorgaan voor de handtekening van vorenbedoelde derden wiens identiteit gebruikt was, zulks telkens met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken. 5.hij in de periode van 1 januari 2012 tot en met 18 februari 2014 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers hebben hij, verdachte, en/of zijn mededaders van geldbedragen de herkomst verborgen of verhuld, terwijl hij, verdachte, wist dat het voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf, en (een) voorwerp(en), te weten (een) geldbedrag(
- en)verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, terwijl hij, verdachte, wist dat bovenomschreven voorwerp(
- en)- onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, door - zakelijk weergegeven - (onder meer) - - personen te verzoeken hun bankrekening ter beschikking te stellen voor de ontvangst van geldbedragen en de bij die bankrekening behorende pinpas al dan niet tijdelijk af te staan, en - bij het aanvragen van zorgtoeslag en/of huurtoeslag op naam van een derde een bankrekeningnummer in te vullen van een ander dan degene op wiens naam de zorgtoeslag en/of huurtoeslag werd aangevraagd, en - vervolgens het/de naar aanleiding van de aanvra(a)g(
- en)door de Belastingdienst gestorte bedrag(
- en)contant op te nemen en/of contant te doen opnemen van vorenbedoelde bankrekening(en); 6.hij in de periode van 1 januari 2012 tot en met 18 februari 2014 in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie die onder andere werd gevormd door hem, verdachte, en/of door [medeverdachte 1] en/of door [medeverdachte 2] en/of door [medeverdachte 3] en/of door [medeverdachte 4] e.v. [verdachte] en/of door [medeverdachte 5] en/of K. [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 7] en/of één of meer anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten: - schending van het ambtsgeheim (artikel 272 Wetboek van Strafrecht), en - diefstal, gepleegd door twee of meer verenigde personen, al dan niet met valse sleutel (artikel 310 / 311 Wetboek van Strafrecht), en - valsheid in geschrift (artikel 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht), en - oplichting (artikel 326 Wetboek van Strafrecht), en - gewoonteheling (artikel 417 Wetboek van Strafrecht), en - gewoontewitwassen (artikel 420ter Wetboek van Strafrecht). Het gerechtshof acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het onder 1 bewezen verklaarde feit levert op: medeplegen van het opzettelijk schenden van enig geheim, waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat hij uit hoofde van zijn ambt verplicht is het te bewaren, meermalen gepleegd. Het onder 2 primair bewezen verklaarde feit levert op: diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd. en diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd. Het onder 3 bewezen verklaarde feit levert op: medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd. Het onder 4 bewezen verklaarde feit levert op: medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd. Het onder 5 bewezen verklaarde feit levert op: medeplegen van: van het plegen van witwassen een gewoonte maken. Het onder 6 bewezen verklaarde feit levert op: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de verdachte niet strafbaar zou doen zijn. Oplegging van straf De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten en de omstandigheden waaronder die feiten zijn begaan, mede gelet op de persoon van de verdachte, zoals daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Met betrekking tot de aard en de ernst van de bewezen verklaarde delicten heeft het gerechtshof in het bijzonder acht geslagen op: de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd; de omstandigheid dat de verdachte zich gedurende een periode van twintig maanden samen met een ander of anderen schuldig heeft gemaakt aan grootschalige DigiD-fraude. Door misbruik te maken van zijn vertrouwelijke positie bij de Belastingdienst heeft hij, onder grove aantasting van de integriteit van de Belastingdienst, de vertrouwelijke persoonsgegevens van grote aantallen personen opgezocht en misbruikt. Het gerechtshof rekent dat de verdachte zwaar aan, omdat mensen sterk afhankelijk zijn van DigiD om overheidszaken te regelen. Dit alles moet geheel veilig kunnen geschieden en mensen moeten er ook op kunnen vertrouwen dat dit veilig gebeurt. Door het opzoeken en gebruik maken van de vertrouwelijke informatie door de verdachte kan het vertrouwen in dienstverlening via het internet in brede lagen van de maatschappij in ernstige mate worden ondermijnd. Indien men dat vertrouwen in de veiligheid verliest en dus in de betrouwbaarheid van het gebruik van het internet voor privé en zakelijke doeleinden, kan dat ontwrichtend werken voor het economisch verkeer, de toegankelijkheid tot overheidsdiensten en het betalingsverkeer bemoeilijken en de kosten daarvan opdrijven. Het moet voor de desbetreffende personen, maar ook voor de samenleving, bovendien beangstigend zijn dat vertrouwelijke gegevens, enkel door criminelen in hun zoektocht naar financieel gewin, in vreemde en kwaadwillende handen komen. Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het gerechtshof in het bijzonder acht geslagen op: de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 7 september 2021, waaruit blijkt dat hij niet eerder door een strafrechter is veroordeeld ter zake van enig strafbaar feit. Er zijn derhalve geen justitiële antecedenten aanwezig die van belang kunnen zijn bij de strafoplegging. Het gerechtshof kent hieraan echter geen bijzondere betekenis toe, nu het uitblijven van enig delictgedrag als een normale omstandigheid heeft te gelden; de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep is gebleken. Het gerechtshof heeft wat betreft de op te leggen strafsoort en de hoogte van de straf aansluiting gezocht bij de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht, dienende als handreiking voor de rechterlijke straftoemeting ten aanzien van fraudedelicten, waaronder valsheid in geschrift en witwassen. De LOVS-oriëntatiepunten kennen als uitgangspunt bij een door fraude verkregen geldbedrag van € 250.000,- tot € 500.000,- een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twaalf tot achttien maanden. Als straf vermeerderende en/of straf verminderende factoren kunnen daarbij betrokken worden: - de duur van de gedraging; - de mate waarin de verdachte door de overtreding voordeel heeft verkregen; - de vraag of verdachte de gedraging uit eigen beweging heeft beëindigd; - de mate waarin het ontstane nadeel ongedaan is gemaakt; - de rol van de verdachte ten opzichte van mededaders; - of de verdachte een natuurlijke persoon of een rechtspersoon betreft; - de mate waarin de verdachte medewerking heeft verleend aan het onderzoek; - de mate waarin door de gedraging het vertrouwen in overheidsdiensten is geschaad; - de financiële draagkracht van de verdachte; - het recidivegevaar; - de duur van de strafprocedure; - de vraag of verdachte heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep c.q. ambt of bedrijf; - het type slachtoffer (professional, leek, overheidsinstantie) en de rol van het slachtoffer bij de gedraging; Ten aanzien van de verdachte stelt het gerechtshof dan vast dat het gaat om grootschalige DigiD-fraude waaraan de verdachte niet zelf een einde heeft gemaakt. Slechts door het ingrijpen van de politie zijn de criminele activiteiten van de verdachte en de mededaders beëindigd. Dit ingrijpen heeft niet kunnen voorkomen dat de fraude twintig maanden heeft voortgeduurd. In die fraude heeft de verdachte - als medewerker van de Belastingdienst misbruik makend van zijn vertrouwelijke positie - blijkens de door het gerechtshof gehanteerde bewijsmiddelen een prominent aandeel gehad en heeft hij een aanzienlijk financieel voordeel verkregen, zowel ten koste van de Belastingdienst als ten koste van de privacy van de gedupeerde personen. Hij was een onmisbare schakel in dit geheel en stond als zodanig aan de basis van de gehele fraudeconstructie. Door zijn gedragingen, die hebben geleid tot de nodige publiciteit, is het vertrouwen in het gebruik van DigiD ernstig geschaad. Van enige substantiële medewerking aan het onderzoek in de zaak kan de verdachte niet worden beticht. Zijn sterk wisselende verklaringen hebben niet bepaald bijgedragen aan het verkrijgen van duidelijkheid en voortgang in de zaak. De verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep veeleer gepresenteerd als slachtoffer dan als dader; een presentatie waar een zekere schaamteloosheid vanuit gaat. Een belangrijke factor bij de strafmaat is - naast de omvang van het nadeel dat de verdachte door zijn handelen mede heeft veroorzaakt - de omstandigheid dat misbruik is gemaakt van de persoonsgegevens van met name buitenlandse studenten die in Nederland verblijven. Daarmee is kennelijk bewust een slachtoffergroep uitgekozen van wie op schrikbarend eenvoudige wijze en in grote hoeveelheden tegelijk de post kon worden ontfutseld om vervolgens toeslagen aan te vragen op hun naam. Bekendheid met het risico van deze vorm van DigiD-fraude met hun persoonsgegevens in Nederland kan daarbij niet zonder meer als vanzelfsprekend verondersteld worden bij deze slachtoffergroep. Die onbekendheid met dat potentiële risico maakt hen een relatief eenvoudig te misbruiken slachtoffergroep, te meer aangezien deze groep personen niet snel in de gaten zal hebben dat er iets bijzonders is gebeurd met hun persoonsgegevens en minder gauw onraad zal vermoeden. Deze groep personen is immers bij uitstek minder goed thuis in de procedures in Nederland. Deze uitgekiende focus van de verdachte en de medeverdachten op een relatief eenvoudig te belagen slachtoffergroep rekent het gerechtshof de verdachte in het bijzonder aan. Bij het bepalen van de strafmaat heeft het gerechtshof voorts aansluiting gezocht bij de straffen die door dit gerechtshof in gevallen vergelijkbaar met deze zaak worden opgelegd. De raadsman van de verdachte heeft in het kader van het door hem gevoerde strafmaatverweer geen zodanig bijzondere of relevante feiten of omstandigheden aangevoerd dat het gerechtshof de oplegging van de door de raadsman bepleite straf, te weten een taakstraf van maximale duur alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf, aangewezen acht. Ook overigens is het gerechtshof niet gebleken van dergelijke feiten of omstandigheden. Zowel de door de advocaat-generaal gevorderde straf als de door de verdediging bepleite straf doet - mede gelet op de ernst van de delicten en de door het gerechtshof gehanteerde oriëntatiepunten - (volstrekt) onvoldoende recht aan de inbreuk op de rechtsorde die de verdachte met zijn handelen heeft gemaakt. Op grond van het bovenstaande en bezien vanuit een oogpunt van normhandhaving en vergelding wordt oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig maanden, met aftrek van de periode die is doorgebracht in voorarrest, in beginsel passend en geboden geacht. Rekening dient echter te worden gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn in de fase van de behandeling van de strafzaak in eerste aanleg en in hoger beroep, welke vertraging niet enkel en alleen aan de verdachte of te verdediging te wijten is en die inmiddels ruim drie jaren en negen maanden bedraagt. Gelet hierop zal het gerechtshof in plaats van de hierboven genoemde straf opleggen een gevangenisstraf voor de duur van eenentwintig maanden, met aftrek van de periode die is doorgebracht in voorarrest. Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is. Toepasselijke wettelijke voorschriften Het gerechtshof heeft gelet op de artikelen 47, 57, 140, 225, 272, 311, 326 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht. Deze wettelijke voorschriften zijn toegepast zoals deze golden ten tijde van het bewezen verklaarde. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 primair, 3, 4, 5 en 6 tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het onder 1, 2 primair, 3, 4, 5 en 6 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 (eenentwintig) maanden. Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Aldus gewezen door mr. M. Aksu, voorzitter, mr. T.H. Bosma en mr. A. Meester, raadsheren, in tegenwoordigheid van H. Kingma, griffier, en op 3 december 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken. Mr. Aksu is buiten staat dit arrest te ondertekenen. AAN-001: AAN-001-01 AH-029, p. 3012 e.v. AAN-101 proces-verbaal van aangifte van aangever [naam aangever 2] namens de Belastingdienst/Toeslagen, pagina 2915 e.v. AH-015, p. 2992 e.v. V-006-06; BOB069-01; BOB-069-02 AH-029; AH029-01: BOB-066-02 e.v.; V-008-14; GET-011 Zie AH-080, p. 3181 e.v., waarin de politie verschillende adressen heeft onderzocht die waren aangetroffen op in beslag genomen stukken en heeft geconstateerd dat de fraude zich alleen op die adressen heeft gericht die vrijelijk voor een ieder toegankelijk zijn. AAN-23 AAN-007 AH- 106 -01 AH-029-01 AAN-028 V-003-03 AH-029-01 AAN- 009 AAN- 067 AAN- 072 AAN- 088 AAN- 095 AAN- 103 De verklaringen van [medeverdachte 1] , afgelegd ter terechtzittingen van de rechtbank van 8 februari 2018 en 9 februari 2018. GET-022 proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 1] , bewoonster van de flat [adres 1] ZZ, p. 4622 e.v. AH-015, p. 2992 e.v. I.01.13.01, p. 6028 e.v. IBN-012, p. 4805 D.02, p. 6009 D.01, p. 6008 D.07 e.v., p. 6013 e.v. IBN-005-03, p. 4759 e.v. B.03.04.01.41, p. 5961 B.01.02.01, p. 5678 Zie ook de hiervoor opgenomen aangifte van Strätz B.01.02.05, p. 5682 B.03.04.01.25, p. 5895 e.v. B.03.04.01.29, p. 5930 B.03.04.01.32, p. 5935 B.04.02.01.04, p. 5967 B.07.01.02.05, p. 5981 B.01.04.20, p. 5805 B.01.04.22, p. 5810 B.03.01.01, p. 5841 B.03.01.01, p. 5841 B.01.03.09 B.01.03.10 B.01.02.07 B.01.02.08 B.07.01.02.18 De verklaringen van [medeverdachte 4] , p. 5448 e.v. V-007-10 en 11, de verklaring van [medeverdachte 5] AH-029-01 AAN- 095 aangifte van [slachtoffer 5] AAN- 072 aangifte van [slachtoffer 3] BOB-001-01, BOB- 009 -02, AH-029 en AH-029-01 AAN-052 aangifte van [slachtoffer 14] ; AAN-72 aangifte van [slachtoffer 3] BOB-125-01 BOB-130-01 BOB-132-01 J.01.01.02, p. 6034 J.01.01.01, p. 6032; zie ook de hiervoor genoemde aangifte van [slachtoffer 8] J.01.06.01.01, p. 6052 e.v. J.01.08.01, p. 6056 J.o1.08.05, p. 6057 BOB-108-02 AH-074 DIG-001-06 DIG-010-01-01; AH-028 V- 009 -04, p. 837 V-024-01-V en V-024-02 V-019-01-V V-018-01-V V-020-01-V V-022-01-V V-021-01-V BOB-002-02 AAN- 088 AAN-079 BOB-013-03 AAN- 095 BOB-013-03 AAN-010 BOB-005-01 AAN-011 BOB-005-01 AAN-070 BOB-005-01 AAN-007 BOB-005-01 AAN-012 BOB-005-01 AH-087, DIG-010-01-01 en BOB-158-03-01 AH-070 en B.01.04.01.01.01 DIG-013-01-01 DIG-002-01-04 B.03.01.01 B.01.04.08 AAN-100 proces-verbaal van aangifte van [naam aangever 1] namens de Belastingdienst [gemeente 1] , p. 2910 e.v. AH-045-01 akte van aanstelling van [verdachte] , p. 3093 [rekeningnummer] t.n.v. [medeverdachte 5] [rekeningnummer] t.n.v. [medeverdachte 5] [rekeningnummer] t.n.v. [medeverdachte 5] [rekeningnummer] t.n.v. [verdachte] [rekeningnummer] t.n.v. [verdachte] e/o [medeverdachte 4] e.v. [verdachte] [rekeningnummer] t.n.v. [verdachte] vergelijk HR 26 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2499