GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer : Wahv 200.235.508/01 CJIB-nummer : 204065678 Uitspraak d.d. : 7 december 2021 Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Limburg van 8 februari 2018, betreffende [de betrokkene] (hierna: de betrokkene), wonende te [woonplaats] . De gemachtigde van de betrokkene is mr. C.M.J.E.P. Meerts, kantoorhoudende te Beegden. Het tussenarrest De inhoud van het tussenarrest van 18 september 2020 wordt hier overgenomen. Het verdere procesverloop De griffier van de rechtbank heeft het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter van 14 december 2017 verstrekt. Een afschrift daarvan is aan partijen toegezonden. De beoordeling 1. Een proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter is toegevoegd aan het dossier. Het verweer van de gemachtigde op dit punt slaagt dan ook niet. 2. De gemachtigde verzoekt het hof om aan de omstandigheid dat het openbaar ministerie geen verweerschrift heeft ingediend en de namens de betrokkene aangevoerde stellingen dus niet heeft weersproken het gevolg te verbinden dat de inleidende beschikking wordt vernietigd. 3. Het hof merkt hierover op dat de officier van justitie niet verplicht is om een verweerschrift in te dienen. De officier van justitie wordt uitgenodigd om ter zitting zijn standpunt toe te lichten. Dat is hier ook gebeurd. De officier van justitie heeft gepersisteerd bij zijn beslissing. De advocaat-generaal kan een verweerschrift indienen (vgl. artikel 19, tweede lid, van de Wahv), maar geen rechtsregel verplicht hiertoe. Tot vernietiging van de inleidende beschikking, zoals de gemachtigde meent, leidt het uitblijven van een verweerschrift niet. 4. De gemachtigde heeft voorts bezwaar tegen een aantal overwegingen van de kantonrechter naar aanleiding van klachten van de gemachtigde over de beslissing van de officier van justitie. 5. Zo verwijst de kantonrechter naar een ondermandaatregeling maar is niet gebleken wie op het administratief beroep heeft beslist en of op deze persoon de mandaatregeling van toepassing is. 6. In zijn algemeenheid mag er van worden uitgegaan dat een namens de officier van justitie verzonden beslissing op een administratief beroep bevoegd is genomen. Dat kan slechts anders zijn wanneer blijkt van concrete feiten of omstandigheden die in een individuele zaak aan de bevoegdheid doen twijfelen. Van dergelijke feiten of omstandigheden is niet gebleken. Het enkel opwerpen van de vraag of de medewerker in de onderhavige zaak bevoegd was, is hiertoe niet voldoende (vgl. het arrest van het hof van 19 augustus 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2019:6666). De kantonrechter heeft dit verweer van de gemachtigde dan ook terecht verworpen. 7. Voorts voert de gemachtigde aan dat de kantonrechter de klacht over de motivering van de beslissing van de officier van justitie niet heeft behandeld en slechts op een enkel punt heeft afgewezen. 8. Het hof stelt vast dat de gemachtigde in beroep bij de kantonrechter weliswaar heeft geklaagd over schending van het motiveringsbeginsel door de officier van justitie, maar dat hij slechts in algemene bewoordingen heeft opgeworpen dat in de beslissing van de officier van justitie onvoldoende gemotiveerd is ingegaan op de aangevoerde gronden. Concreet heeft de gemachtigde slechts het bezwaar met betrekking tot de automatische vaststelling van de gedraging genoemd, waarover de officier van justitie zich niet heeft uitgelaten. Dit verweer mist feitelijke grondslag, de officier van justitie heeft zich hierover wel uitgelaten. De kantonrechter heeft in zijn beslissing overwogen dat de beslissing van de officier van justitie op dit punt deugdelijk is gemotiveerd en is daarmee op juiste wijze ingegaan op dit bezwaar. Het verweer treft geen doel. 9. Voorts klaagt de gemachtigde over de overweging van de kantonrechter dat hetgeen de gemachtigde had aangevoerd met betrekking tot de overige stukken geen bespreking meer behoeft, omdat de betreffende bescheiden op 25 oktober 2017 naar de gemachtigde zijn verzonden. 10. Het hof stelt vast dat de gemachtigde in zijn beroepschrift aan de kantonrechter aanvoert dat hij (wel) de foto en het zaakoverzicht heeft ontvangen. Voor zover de gemachtigde betoogt dat de kantonrechter heeft miskend dat de officier van justitie hem ook de andere, door de gemachtigde opgevraagde stukken had moeten toesturen, is dat niet juist. De overige stukken die de gemachtigde bij brief van 19 januari 2017 heeft opgesomd, betreffen immers geen op de zaak betrekking hebbende stukken (vgl. het arrest van het hof van 5 maart 2020, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2020:1946). Het hof gaat daarom ook aan deze klacht voorbij. 11. Verder wijst de gemachtigde erop dat de kantonrechter een aantal gronden met betrekking tot de beslissing van de officier van justitie helemaal niet heeft behandeld. De gemachtigde noemt hierbij hetgeen hij had aangevoerd over het (ontbreken) van bijlagen bij de beslissing van de officier van justitie en het verslag van de hoorzitting. 12. Het hof stelt vast dat de gemachtigde in zijn beroepschrift aan de kantonrechter slechts heeft gevraagd om het verslag van het horen en dat hij heeft opgemerkt dat de bijlage(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.