GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.274.841/01 (zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 118238) arrest van 7 december 2021 in de zaak van [appellante] , wonende te [woonplaats1] , appellante in het principaal hoger beroep, geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep, bij de rechtbank: gedaagde in conventie en eiseres in reconventie, hierna: [appellante], advocaat: mr. O.M.M. Philips, die kantoor houdt te Haren, tegen [geïntimeerde] , erfgenaam van [erflaatster], wonende te [woonplaats2] , geïntimeerde in het principaal hoger beroep, appellant in het incidenteel hoger beroep, bij de rechtbank: eiseres in conventie en verweerster in reconventie, hierna: [geïntimeerde], advocaat: mr. P.G.H. van Dijk, die kantoor houdt te Groningen. 1Het verdere verloop van het geding in hoger beroep Naar aanleiding van het arrest van 19 januari 20211 heeft op 17 november 2021 een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Hierna hebben partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen. 2Waar gaat deze zaak over? 2.1 Het draait in deze procedure om de afwikkeling van de erfenis van de moeder van beide partijen. Daarbij speelt een centrale rol dat [appellante] kort voor de dood van haar vader (niet de biologische vader van [geïntimeerde] ) de echtelijke woning van haar ouders heeft gekocht. De woning is vervolgens verbouwd om bewoning van zowel haar moeder als het gezin van [appellante] mogelijk te maken. 2.2 Partijen zijn het niet eens over de opeisbaarheid en de omvang van de schulden en de vorderingen van [appellante] die daaruit zijn voortgevloeid. Dit geschil heeft de volgende achtergrond. 2.3 Sinds haar huwelijk met de vader van [appellante] en tot haar overlijden [in] 2020 (nadat het eindvonnis in deze zaak was gewezen) woonde de moeder van partijen in een woning aan de [adres1] 11 in [woonplaats1] . Die woning is indertijd door haar vader ingebracht. In 2004 hebben deze ouders de woning aan hun dochter verkocht en in eigendom overgedragen, waarbij aan de ouders het recht van gebruik en bewoning is verleend. De koopsom van € 121.200,- is bij die gelegenheid omgezet in een lening. 2.4 De vader is in december 2004 overleden. [appellante] heeft haar moeder daarna verzorgd. Met het oog op de zorgbehoeften van de moeder is de woning eind 2007/aanvang 2008 voor dubbele bewoning geschikt gemaakt, met gebruikmaking van een hypotheeklening die zowel op naam van [appellante] als van haar moeder is gesteld. Moeder is daarna in 2008 in het voorhuis blijven wonen. [appellante] betrok met haar gezin het achterhuis. 2.5 Vanaf 2014 is tussen [appellante] en haar moeder een discussie ontstaan over de aflossing van de schuld. Op de achtergrond speelde daarbij een rol dat de moeder in 2013 in het ziekenhuis was opgenomen en dat daarna de tot dat moment verstoorde contacten met [geïntimeerde] zijn hersteld. 2.6 De moeder van [appellante] heeft betaling van de lening gevorderd, vermeerderd met rente en kosten. Die vordering is afgewezen. De rechtbank heeft op vordering van [appellante] wel ‘voor recht’ verklaard dat haar moeder gehouden is aan haar € 10.983,84 te voldoen (€ 7.237,71 aan gas en elektra en € 3.618,76 aan zakelijke lasten). 2.7 In dit hoger beroep vordert [appellante] dat haar vordering tot betaling van € 99.968,52 alsnog geheel wordt toegewezen, vermeerderd met hetgeen verder opeisbaar is geworden, met veroordeling tot terugbetaling van wat zij op grond van het vonnis heeft betaald, vermeerderd met rente. [geïntimeerde] heeft als erfgenaam van zijn moeder haar vordering gehandhaafd en vordert nu ook een verklaring voor recht dat het aandeel van [appellante] in de nalatenschap van haar ouders ‘in goede justitie’ wordt bepaald, ‘welke vastgestelde bedragen kunnen worden verrekend met bovengenoemde vordering’. 2.8 Tegen de eiswijzigingen die in dit een en ander besloten liggen, is niet geprotesteerd. De wijzigingen zijn ook niet onverenigbaar met regels van procesrecht. Daarom worden ze toegestaan. 3Het oordeel van het hof De opzet en de conclusie van deze uitspraak 3.1 Het hof zal de bezwaren (grieven) van beide partijen hierna per onderwerp en met tussenkopjes bespreken. 3.2 De conclusie zal zijn dat de vordering van [geïntimeerde] toewijsbaar is (€ 121.200,-) en dat hetzelfde geldt voor de vordering van [appellante] tot in totaal € 88.261,13. Uitgangspunten 3.3 [geïntimeerde] treedt in deze procedure op als erfgenaam van zijn moeder (namens de nalatenschap). Voor zover hij in dit hoger beroep vorderingen aan het hof voorlegt die hij zelf als erfgenaam van zijn moeder of wijlen [naam1] heeft (of die daarmee direct verband houden), kan hij daarin niet worden ontvangen. 3.4 De rechtbank heeft beslist dat de lening van de moeder aan [appellante] niet bij leven van de moeder kon worden opgeëist. De eerste grief van [geïntimeerde] ziet weliswaar op die beslissing, maar heeft niet de strekking er bezwaar tegen te maken; uit zijn toelichting blijkt dat [geïntimeerde] nu het standpunt inneemt dat de lening inderdaad pas door het overlijden van zijn moeder opeisbaar is geworden. Dat is ook het uitgangspunt van [appellante] , die er (eveneens in strijd met eerder ingenomen standpunten) inmiddels vanuit gaat dat hetzelfde geldt voor haar eigen vorderingen. 3.5 [geïntimeerde] is niet opgekomen tegen de afwijzing van het beroep op rechtsverwerking en verjaring van de vorderingen van zijn zus; beide partijen zien in het overlijden van hun moeder aanleiding om tot een herbeoordeling te komen van de over en weer gepretendeerde, en door dat overlijden opeisbaar geworden vorderingen. 3.6 De rechtbank heeft bij de beoordeling van de vorderingen van [appellante] tot uitgangspunt genomen dat de moeder enkel die kosten hoeft te dragen die voorafgaand aan het opeisen van de lening ook door haar werden gedragen. [appellante] maakt daar bezwaar tegen. Zij voert aan dat het de bedoeling van haarzelf en haar moeder was om alle op de datum van overlijden bestaande vorderingen over en weer tegen elkaar weg te strepen. Daarom meent zij aanspraak te kunnen maken op het geheel van haar vorderingen. Zoals hierna zal blijken, gaat het wat dit uitgangspunt van de rechtbank betreft met name om de hypotheeklasten en de kosten van onderhoud. Alleen de vorderingen die daar betrekking op hebben, zijn namelijk in hun geheel afgewezen omdat de rechtbank er niet vanuit is gegaan dat de moeder in al deze kosten bijdroeg voordat de lening werd opgeëist. Het hof zal hierna bij de behandeling van deze posten ingaan op de bezwaren van [appellante] tegen dat uitgangspunt. Verder zal het hof de bezwaren tegen de beoordeling van de kosten voor gas en elektra en (overige) vaste lasten bespreken. De lening (een schuld van [appellante] aan de nalatenschap van € 121.200,-) 3.7 Zoals gezegd, is tussen partijen niet in geschil dat de lening aan [appellante] door het overlijden van haar moeder [in] 2020 opeisbaar is geworden. De vraag is wel of en in hoeverre daar (gelijktijdig opeisbaar geworden en verrekenbare) vorderingen van [appellante] zelf tegenover staan. Die worden hierna behandeld. De hypotheekrente (een regresvordering van € 57.220,60 die [appellante] op de nalatenschap zegt te hebben) 3.8 [appellante] en haar moeder zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de hypotheekrente. [appellante] heeft die lasten steeds gedragen. [appellante] betoogt dat haar moeder van deze lening heeft meegeprofiteerd en vordert de helft van de betaalde lasten terug - in totaal inmiddels € 57.220,60. 3.9 Omdat niet is gebleken dat deze kosten voorafgaand aan het opeisen van de lening al door de moeder werden gedragen, heeft de rechtbank de regresvordering van [appellante] afgewezen. Het hof volgt de rechtbank hierin niet, omdat – anders dan de rechtbank aanneemt - niets is aangevoerd dat tot de toepasselijkheid van de zogenoemde aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid dwingt. De wet schrijft voor deze situatie namelijk al een verdeling voor: voor het recht op regres van [appellante] geldt het uitgangspunt dat haar moeder als hoofdelijke schuldenaar verplicht was in de schuld bij te dragen voor het gedeelte daarvan dat haar in de onderlinge verhouding met [appellante] aangaat. De verplichting tot bijdragen in de schuld die ten laste van [appellante] is gedelgd voor meer dan dat deel, komt op haar moeder te rusten voor het bedrag van dit meerdere, telkens tot ten hoogste het gedeelte van de schuld dat de moeder aangaat. 3.10 [appellante] heeft aangevoerd dat hierbij moet worden teruggevallen op de hoofdregel dat partijen onderling voor gelijke delen draagplichtig zijn, omdat daar geen nadere afspraken over zijn gemaakt. Haar broer brengt daartegen in dat zijn moeder jarenlang geen kosten hoefde te betalen en dat het dus kennelijk voor zijn zus acceptabel was dat zij dat deed. 3.11 Het hof volgt [appellante] in haar redenering: het mag voor haar dan acceptabel zijn geweest dat zij bij leven van haar moeder de hypotheekrente geheel voldeed, maar dat impliceert niet dat zij een eventuele regresvordering heeft prijsgegeven. Ook verder blijkt dat niet. 3.12 Het hof gaat ervan uit dat dat deze hypothecaire schuld moeder en dochter in gelijke mate aangaat. Dat heeft de volgende redenen: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.