← Nederland

ECLI:NL:GHARL:2021:11280

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.295.202/01 (zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 202956) beschikking van 2 december 2021 inzake [verzoekster] (de grootmoeder), wonende te [woonplaats1] ,verzoekster in hoger beroep, advocaat: mr. R.W. de Gruijl te Rotterdam, en de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis Groningen (de GI), gevestigd te Groningen, verweerster in hoger beroep, Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt: 1 [de moeder] (de moeder), wonende te [woonplaats2] , advocaat mr. M. Schlepers, 2de pleegouders van [de minderjarige1] (de pleegouders), wonende op een bij het hof bekend adres. In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend:de raad voor de kinderbescherming (de raad),regio Noord-Nederland, locatie Groningen. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 30 april 2021, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 2 juni 2021; - een brief namens de grootmoeder van 23 juni 2021 met bijlage(n); - het verweerschrift van de GI met bijlage(n); - een brief van de pleegouders van 28 juli 2021. 2.2 De mondelinge behandeling heeft op 15 november 2021 plaatsgevonden. De grootmoeder is in persoon verschenen, bijgestaan door haar advocaat. Namens de moeder heeft haar advocaat de zitting bijgewoond, via een beeldbelverbinding. Voor de GI was aanwezig [naam1] , zittingsvertegenwoordiger. 3De feiten 3.1 De moeder is de moeder van [de minderjarige1] , geboren [in] 2011. Ook is zij de moeder van [de minderjarige2]

(2004)en [de minderjarige3]
(2007). 3.2 [de minderjarige1] is op 2 maart 2018 uithuisgeplaatst. Op 25 augustus 2020 heeft de rechtbank het ouderlijk gezag van de moeder over [de minderjarige1] beëindigd en is de GI benoemd tot haar voogd. 3.3 [de minderjarige1] en [de minderjarige3] wonen in het gezin van de pleegouders. [de minderjarige2] woont bij zijn oom (een broer van de moeder). 3.4 De grootmoeder is de moeder van de moeder en (dus) de grootmoeder van [de minderjarige1] . Een verzoek van de grootmoeder om een omgangsregeling tussen haar en [de minderjarige1] vast te stellen is op 12 februari 2019 door de kinderrechter afgewezen. Deze beslissing is door dit hof bekrachtigd op 22 augustus
  1. 3.5 Op 15 december 2020 heeft de grootmoeder opnieuw een verzoek bij de rechtbank ingediend om een omgangsregeling met [de minderjarige1] . De grootmoeder heeft verzocht te bepalen dat [de minderjarige1] en de grootmoeder ieder weekeinde vanaf vrijdagmiddag uit school tot zondagavond 17.00 uur omgang hebben met elkaar, dan wel een in het belang van [de minderjarige1] wenselijke opbouwomgangsregeling te bepalen. 4De omvang van het geschil 4.1 Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de grootmoeder afgewezen. 4.2 De grootmoeder is met één grief in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De grief beoogt het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. De grootmoeder verzoekt, zo heeft zij ter zitting verduidelijkt, de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende het inleidende verzoek alsnog toe te wijzen. 4.3 De GI voert verweer en verzoekt de grootmoeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek, dan wel de bestreden beschikking te bekrachtigen. 5De motivering van de beslissing De wettelijke regeling 5.1 Ingevolge artikel 1:377a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft een kind recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Op grond van lid 2 van dat artikel stelt de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen of van degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang.Volgens artikel 1:377a lid 3BW ontzegt de rechter het recht op omgang slechts, indien:a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, ofb. de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, ofc. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder heeft doen blijken, ofd. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind. De positie van de moeder 5.2 Hoewel het gezag van de moeder over [de minderjarige1] is beëindigd, is het hof van oordeel dat de moeder in deze zaak als belanghebbende heeft te gelden. Volgens artikel 798 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in zaken als deze belanghebbende diegene op wiens rechten en verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft. Vast staat dat er een omgangsregeling bestaat tussen de moeder en [de minderjarige1] . Gezien de hoge frequentie en intensiteit van het verzoek van de grootmoeder is voorstelbaar dat een toewijzing van het verzoek zou leiden tot een zodanige belasting van [de minderjarige1] dat dit invloed zou hebben op het ongestoorde verloop van de omgang tussen de moeder en [de minderjarige1] . Daarnaast is, vanwege de verstoorde verhoudingen tussen de moeder en de grootmoeder, niet uit te sluiten dat contacten tussen de grootmoeder en [de minderjarige1] de relatie tussen de moeder en [de minderjarige1] beïnvloeden, de huidige contactregeling van de moeder en [de minderjarige1] onder druk zetten of veroorzaken dat de moeder uit beeld raakt. Aldus heeft de zaak naar het oordeel van het hof rechtstreeks betrekking op het familieleven van de moeder en haar recht op contact met haar kind. De ontvankelijkheid van het verzoek 5.3 De GI heeft aangevoerd dat de grootmoeder niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar verzoek in hoger beroep omdat in het petitum bovenaan ‘moeder’ als verzoekster wordt vermeld. Dit betreft volgens het hof echter, zo valt uit de rest van het beroepschrift af te leiden, overduidelijk een (eenmalige) verschrijving, zodat het verweer wordt verworpen. De nauwe persoonlijke betrekking 5.4 De GI heeft voorts gesteld dat het ‘family life’, ofwel de nauwe persoonlijke betrekking, tussen de grootmoeder en [de minderjarige1] door verloop van de tijd is verdwenen. Inmiddels is er immers meer dan vijf jaar verstreken waarin er (nagenoeg) geen contact is geweest tussen de grootmoeder en [de minderjarige1] . 5.5 Het hof stelt voorop dat een aanvankelijk vastgesteld family life door latere omstandigheden kan eindigen. De enkele omstandigheid dat er gedurende een bepaalde (langere) periode contacten tussen de grootmoeder en een kleinkind achterwege zijn gebleven is daarvoor echter niet voldoende. Dat klemt te meer nu de grootmoeder in deze zaak in de betreffende periode steeds de wens heeft geuit en pogingen heeft ondernomen contact te krijgen met haar kleinkind, maar die niet zijn gehonoreerd. De verzochte omgangsregeling 5.6 Net als de rechtbank is het hof van oordeel dat het verzoek van de grootmoeder om een omgangsregeling met [de minderjarige1] vast te stellen afgewezen moet worden. 5.7 [de minderjarige1] heeft een erg belaste voorgeschiedenis. Zij heeft de eerste jaren van haar leven doorgebracht in een complex gezinssysteem, waar grote spanningen waren. De relatie tussen de moeder enerzijds en haar broer en de grootmoeder anderzijds is zeer verstoord. [de minderjarige1] is door wat zij binnen het gezinssysteem heeft meegemaakt ernstig beschadigd. Zij volgt op dit moment traumatherapie, waarbij rust en stabiliteit in de opvoedsituatie nodig is. De pleegouders bieden dit. Tijdens de therapie is gebleken dat [de minderjarige1] angstig is voor de grootmoeder. Zo is zij bang door de grootmoeder te worden meegenomen. Of deze angsten terecht zijn of niet, ze zijn in elk geval voor [de minderjarige1] reëel. Nu [de minderjarige1] een behandeling volgt om haar belaste verleden te verwerken, is een confrontatie met dat wat voor haar op negatieve wijze verbonden is met dat verleden, onwenselijk. [de minderjarige1] heeft overigens aangegeven geen behoefte te hebben aan contact met haar grootmoeder. Naar het oordeel van het hof mag de huidige, kwetsbare, situatie waarin [de minderjarige1] zich bevindt niet door een opgelegd contact met de grootmoeder worden verstoord, ook niet als dat via een beeldbelverbinding is. Daarnaast acht het hof het belangrijk dat de lopende omgangsregeling met de moeder niet in gevaar wordt gebracht doordat [de minderjarige1] omgangscontacten zou moeten hebben met de grootmoeder. Ten slotte heeft de GI aangegeven dat de grootmoeder de neiging heeft grenzen van [de minderjarige1] over te gaan, wat onrust en paniek bij [de minderjarige1] veroorzaakt. De grootmoeder lijkt niet in te zien wat haar gedrag bij [de minderjarige1] teweegbrengt. De grootmoeder schetst telkens een geheel andere gang van zaken. Het hof stelt vast dat, zo lang de beleving van [de minderjarige1] een geheel andere is dan die van de grootmoeder, contactherstel ook op langere termijn moeilijk haalbaar zal zijn. 5.8 Op grond van het voorgaande zullen contacten tussen de grootmoeder en [de minderjarige1] ernstig nadeel opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van [de minderjarige1] en in strijd zijn met haar zwaarwegende belangen. 6De slotsom Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, faalt de grief. Het hof zal de bestreden beschikking onder aanvulling van de gronden bekrachtigen. 7De beslissing Het hof, beschikkende in hoger beroep: wijst de verzoeken van de grootmoeder in hoger beroep af; bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 30 april
  2. Deze beschikking is gegeven door mrs. E.B.E.M. Rikaart-Gerard, M.P. den Hollander en J.L. Roubos, bijgestaan door mr. M.J. Muller als griffier en is op 2 december 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.