Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-002496-19 Uitspraak d.d.: 17 december 2021 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 23 april 2019 met parketnummer 18-830463-16 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981, wonende te [woonadres] . Het hoger beroep De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 25 september 2020, 6 juli 2021, 1, 2, 4 en 5 november 2021, 17 december 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van het onder 1 primair ten laste gelegde (medeplegen van afpersing van [benadeelde partij 1] ) en het onder 2 ten laste gelegde (afpersing van [benadeelde partij 2] ), tot: oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren, met aftrek van voorarrest; oplegging van twee vrijheidsbeperkende maatregelen ex art. 38v Sr, inhoudende een contactverbod ten aanzien van zowel [benadeelde partij 1] als [benadeelde partij 2] voor de duur van 5 jaren (dadelijk uitvoerbaar). De vervangende hechtenis dient te worden gesteld op 1 maand voor de eerste keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, en voor elke volgende keer op 2 maanden; hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] tot een bedrag van € 25.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel; toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] tot een bedrag van € 3.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel; verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen Renault Megane ( [kentekennummer] ); opheffing van het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. D. Nieuwenhuis, naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep Bij bovengenoemd vonnis is verdachte ter zake van het onder 1 primair ten laste gelegde (medeplegen van afpersing van [benadeelde partij 1] ) en het onder 2 ten laste gelegde (afpersing van [benadeelde partij 2] ), veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 68 maanden, met aftrek van voorarrest. Daarnaast is verdachte tweemaal een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd, bestaande uit een contactverbod met [benadeelde partij 1] en een contactverbod met [benadeelde partij 2] , elk voor de duur van 5 jaren. Deze maatregelen zijn dadelijk uitvoerbaar verklaard. Voorts is de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] (hoofdelijk) toegewezen tot een bedrag van € 10.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] is toegewezen tot € 100,-, eveneens vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ten aanzien van het meer gevorderde zijn beide benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard in de vordering en verwezen naar de burgerlijke rechter. Ten slotte is de inbeslaggenomen Renault Megane verbeurdverklaard en het verzoek van de officier van justitie tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis afgewezen. Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het hof op onderdelen tot een andere beslissing omtrent bewijs en straf komt en daarom opnieuw rechtdoen. Formele verweren 1. Standpunt verdediging De raadsman heeft ter terechtzitting van het hof primair bepleit dat er in het vooronderzoek op onherstelbare wijze vormen zijn verzuimd die tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging moeten leiden. Hiertoe heeft de raadsman aangevoerd dat ten aanzien van de verhoren van aangever [benadeelde partij 1] de “Aanwijzing auditief en audiovisueel registreren van verhoren van aangevers, getuigen en verdachten” (hierna: de AVR) op vele onderdelen niet is nageleefd en er sprake is van een schending van de verbaliseringsplicht ex art. 152 van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Voorts zijn de banden waarop de verhoren van [benadeelde partij 1] zijn opgenomen, op onrechtmatige wijze gemanipuleerd en is het aannemelijk dat er banden met (delen van) verhoren aan de verdediging zijn onthouden. Door de gebrekkige wijze van verbaliseren - te weten: niet tijdig en inhoudelijk onjuist - kan de precieze gang van zaken rondom de verhoren niet worden gecontroleerd, waardoor verdachte ernstig in zijn belangen is geschaad. De verhoren van verbalisanten en de officier van justitie die op verzoek van de verdediging hebben plaatsgevonden, bieden geen compensatie, nu die in plaats van helderheid te verschaffen, alleen maar meer vragen hebben opgeroepen. Op grond van het voorgaande stelt de verdediging dat het niet anders kan zijn dan dat er sprake is van doelbewuste misleiding in het vooronderzoek en dat [benadeelde partij 1] door verbalisanten uit het onderzoeksteam is beïnvloed. De verdediging acht het aannemelijk dat hij is ‘gevoed’ met voor verdachten belastende informatie, waardoor niet van de juistheid en betrouwbaarheid van zijn verklaringen kan worden uitgegaan. In hoeverre de verklaringen op ongeoorloofde wijze door verbalisanten zijn beïnvloed, is vanwege de gebrekkige registratie en verslaglegging niet te controleren. Latere verklaringen van [benadeelde partij 1] bieden geen compensatie, omdat die verklaringen al besmet zijn en niet authentiek. Hetzelfde geldt voor de verklaringen van diens zoon [getuige 1] . Het voorgaande maakt dat volgens de raadsman sprake is van een situatie dat met opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van de zaak is tekort gedaan. Naast de verzuimen met betrekking tot de AVR en de schending van de verbaliseringsplicht, heeft de verdediging zich beroepen op de gevolgen van het zogenoemde Prokuratuur-arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU). Ten slotte dient bij de beoordeling van het verweer tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie te worden betrokken dat de redelijke termijn is geschonden, hetgeen een nadelig effect heeft gehad op de reproduceerbaarheid van aanvullende onderzoeksgegevens en het reëel kunnen effectueren van het ondervragingsrecht van getuigen zoals [getuige 3] en [getuige 2] , en het kunnen weerleggen van belastende onderzoeksgegevens. De vormverzuimen met betrekking tot de AVR zijn van bepalende invloed geweest op het verloop van het opsporingsonderzoek en de verdere vervolging van verdachte, en dienen in samenhang met de gevolgen van het Prokuratuur-arrest, het structureel late aanleveren (na aanvankelijk achterhouden) van processen-verbaal, en de koerswijziging van de Hoge Raad waarbij met name de gevolgen van het verloop van de procedure als geheel worden beoordeeld, tot de conclusie te leiden dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging van verdachte, zo heeft de raadsman geconcludeerd. Subsidiair dient dit te leiden tot bewijsuitsluiting van de verklaringen van [benadeelde partij 1] . Ten aanzien van de verklaringen van de zoon van [benadeelde partij 1] , [getuige 1] , en - in de zaak van verdachte - [benadeelde partij 2] zijn door de verdediging dezelfde bezwaren geuit met betrekking tot de manier waarop de verhoren zijn verlopen en geregistreerd. Voor zover het hof niet overgaat tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, dienen de verklaringen van [getuige 1] en [benadeelde partij 2] van het bewijs te worden uitgesloten. 2 Standpunt openbaar ministerie De advocaten-generaal hebben zich ter terechtzitting van het hof op het standpunt gesteld dat de verweren dienen te worden verworpen en dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging. In het schriftelijke requisitoir is uitgebreid onderbouwd waarom er volgens de advocaten-generaal geen sprake is van één of meer vormverzuimen. Niet ten aanzien van [benadeelde partij 1] , en evenmin ten aanzien van [getuige 1] en/of [benadeelde partij 2] . Voor zover er van de AVR is afgeweken, is dit met toestemming van de officier van justitie gebeurd, een mogelijkheid waarin de regeling voorziet. Mocht het hof van oordeel zijn dat er wel vormen zijn verzuimd, dan zijn de advocaten-generaal van mening dat de afwijkingen van de AVR geen onherstelbare vormverzuimen betreffen, en dat er evenmin nadeel voor verdachte door is ontstaan. Het bewijsmateriaal heeft niet ingeboet aan betrouwbaarheid en bruikbaarheid. Daarom kan in dat geval worden volstaan met de enkele constatering dat er vormen zijn verzuimd. Hooguit is er plaats voor strafvermindering, aldus de advocaten-generaal. In elk geval is geen sprake van de situatie dat door verbalisanten doelbewust is gehandeld om verdachten in de verdediging te benadelen, noch is met grove veronachtzaming van de belangen van verdachten gehandeld. Hoewel de gang van zaken rondom de verhoren en de wijze van verbaliseren beter had gekund en gemoeten, is er geen enkele aanwijzing dat aangevers opzettelijk zijn beïnvloed of gemanipuleerd dan wel dat zij verdachten ten onrechte hebben belast. Ten aanzien van het verweer dat sprake is van een vormverzuim in lijn met het Prokuratuur-arrest, hebben de advocaten-generaal zich primair op het standpunt gesteld dat de overwegingen van het HvJ EU in het Prokuratuur-arrest geen gevolgen hebben voor de Nederlandse rechtspraktijk met betrekking tot de uitoefening van opsporingsbevoegdheden in verhouding tot een aanbieder van een elektronische communicatiedienst of een elektronisch communicatienetwerk. De overwegingen van het HvJ EU over voorafgaande toetsing hebben namelijk telkens betrekking op toegang tot verkeers- en locatiegegevens die op grond van een wettelijke bewaarplicht worden verwerkt. Het arrest van het HvJ EU moet beperkt worden uitgelegd en heeft slechts betrekking op verkeers- en locatiegegevens die op grond van een wettelijke bewaarplicht door de aanbieder worden bewaard. De Nederlandse Wet Bewaarplicht, die is opgenomen in de Telecommunicatiewet, is op 11 maart 2015 door de kortgedingrechter in Den Haag buiten werking gesteld (vindplaats ECLI:NL:RBDHA:2015:2498). Hierdoor kent Nederland geen algemene wettelijke verplichting meer voor aanbieders om verkeers- en locatiegegevens op te slaan. Uitsluitend gegevens die ten behoeve van de bedrijfsvoering door aanbieders worden en nog zijn opgeslagen, zijn te vorderen op grond van de wettelijke bevoegdheden. Subsidiair hebben de advocaten-generaal zich op het standpunt gesteld dat de gegevens zijn opgevraagd in overeenstemming met de wettelijke voorschriften, maar dat deze achteraf gezien niet door een officier van justitie gevorderd hadden mogen worden zonder voorafgaande onafhankelijke (rechterlijke) toetsing. Indien in de onderhavige zaak de rechter-commissaris zou zijn benaderd met het verzoek om de vordering vooraf te toetsen, is het openbaar ministerie ervan overtuigd dat daarvoor toestemming zou zijn gegeven. Uit het arrest La Quadrature du Net e.a. van 6 oktober 2020 (C-511/18, C-512/18, C-520-18, ECLI:C:2020:791) volgt dat bewijs dat is verkregen in strijd met het Unierecht niet per definitie ontoelaatbaar is in een strafrechtelijke procedure, maar dat daarbij moet worden gekeken naar het nationale recht en naar artikel 6 EVRM. Bovendien levert een schending van de privacyrechten van artikel 8 EVRM niet per definitie ook een schending op van artikel 6 EVRM. De advocaten-generaal hebben naar voren gebracht dat de gegevens zijn gevorderd in het kader van een opsporingsonderzoek naar een misdrijf als bedoeld in artikel 67, eerste lid Sv, dat de gegevens zijn opgevraagd binnen de doelbinding van het Prokuratuur-arrest en dat is voldaan aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. Nu aan het openbaar ministerie en de politie geen verwijt kan worden gemaakt wegens de toepassing van de wettelijke vorderingsbevoegdheden, dient te worden volstaan met de constatering dat sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv zonder daaraan een rechtsgevolg te verbinden. Ten slotte kan ook het verweer met betrekking tot het tijdsverloop niet slagen. De situatie dat sprake is van onbehoorlijk tijdsverloop waardoor de waarheidsvinding ernstig in het gedrang is gekomen en er bijgevolg, in combinatie met de overige aangevoerde vormverzuimen, geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM, doet zich niet voor. 3 Juridisch kader Bij de beoordeling van de door de verdediging gevoerde verweren gaat het hof uit van het volgende juridische kader zoals dat uit de wet en de rechtspraak kan worden afgeleid. Daarbij gaat het hof onder 3.1 eerst in op artikel 359a Sv en vervolgens onder 3.2 op de regeling omtrent de AVR. et ho 3.1 Vormverzuimen in het vooronderzoek: art. 359a Sv Artikel 359a Sv houdt in dat indien blijkt dat bij het voorbereidend onderzoek vormen zijn verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld en de rechtsgevolgen hiervan niet uit de wet blijken, bepaald kan worden dat (
- a)de hoogte van de straf in verhouding tot de ernst van het verzuim zal worden verlaagd, indien het door het verzuim veroorzaakte nadeel langs deze weg kan worden gecompenseerd, (
- b)de resultaten van het onderzoek die door het verzuim zijn verkregen, niet mogen bijdragen aan het bewijs van het tenlastegelegde feit en (
- c)het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is, indien door het verzuim geen sprake kan zijn van een behandeling van de zaak die aan de beginselen van een behoorlijke procesorde voldoet. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad kunnen met betrekking tot de toepassing van voornoemd artikel de volgende aandachtspunten worden afgeleid. Toepassing De toepassing van artikel 359a Sv is onder meer beperkt tot vormverzuimen die zijn begaan bij “het voorbereidend onderzoek" tegen de verdachte. Op grond van artikel 132 Sv moet daaronder worden verstaan het onderzoek dat voorafgaat aan de behandeling ter terechtzitting. Onder die vormverzuimen zijn in het bijzonder ook begrepen normschendingen bij de opsporing. Daarbij dient op grond van artikel 132a Sv onder opsporing te worden verstaan het onderzoek in verband met strafbare feiten onder gezag van de officier van justitie met als doel het nemen van strafvorderlijke beslissingen. Daarnaast heeft “het voorbereidend onderzoek" in artikel 359a Sv uitsluitend betrekking op het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte ter zake van het aan hem tenlastegelegde feit waarover de rechter die in artikel 359a Sv wordt bedoeld, heeft te oordelen. Artikel 359a Sv is dus niet van toepassing indien het verzuim is begaan buiten het verband van dit voorbereidend onderzoek. De begrenzing tot vormverzuimen die zijn begaan bij “het voorbereidend onderzoek" tegen de verdachte, sluit niet uit dat de vraag aan de orde kan komen of een rechtsgevolg moet worden verbonden aan een onrechtmatige handeling jegens de verdachte die buiten het bereik van artikel 359a Sv ligt. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt namelijk dat onder omstandigheden een rechtsgevolg kan worden verbonden aan een vormverzuim door een ambtenaar die met opsporing en vervolging is belast, maar dat niet is begaan bij het voorbereidend onderzoek of aan een onrechtmatige handeling jegens de verdachte door een andere functionaris of persoon dan zo'n opsporingsambtenaar. In de rechtspraak zijn criteria aangelegd waarin als algemene overkoepelende maatstaf besloten ligt dat een rechtsgevolg op zijn plaats kan zijn indien het betreffende vormverzuim of de betreffende onrechtmatige handeling van bepalende invloed is geweest op het verloop van het opsporingsonderzoek naar en/of de (verdere) vervolging van de verdachte ter zake van het tenlastegelegde feit. Bij de beoordeling of aan een vormverzuim zoals hiervoor bedoeld enig rechtsgevolg dient te worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg dan in aanmerking komt, dient de rechter rekening te houden met de in het tweede lid van art. 359a Sv genoemde factoren. Het rechtsgevolg zal immers door deze factoren moeten worden gerechtvaardigd. De eerste factor is "het belang dat het geschonden voorschrift dient". De tweede factor is "de ernst van het verzuim". Bij de beoordeling daarvan zijn de omstandigheden van belang waaronder het verzuim is begaan. Daarbij kan ook de mate van verwijtbaarheid van het verzuim een rol spelen. De derde factor is "het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt". Bij de beoordeling daarvan is onder meer van belang of en in hoeverre de verdachte door het verzuim daadwerkelijk in zijn verdediging is geschaad. Opmerking verdient dat indien het niet de verdachte is die door de niet-naleving van het voorschrift is getroffen in het belang dat de overtreden norm beoogt te beschermen, in de te berechten zaak als regel geen rechtsgevolg zal behoeven te worden verbonden aan het verzuim. Volstaan met constatering dat onherstelbaar vormverzuim is begaan: Uit de rechtspraak volgt dat het wettelijk stelsel aldus moet worden opgevat dat een vormverzuim in de zin van dat artikel niet steeds behoeft te leiden tot één van de daar omschreven rechtsgevolgen. Art. 359a Sv formuleert een bevoegdheid en niet een plicht, en biedt de rechter die een vormverzuim heeft vastgesteld, de mogelijkheid af te zien van het toepassen van een van de daar bedoelde rechtsgevolgen en te volstaan met het oordeel dat een onherstelbaar vormverzuim is begaan. De strekking van de regeling van art. 359a Sv is immers niet dat een vormverzuim hoe dan ook moet leiden tot enig voordeel voor de verdachte. Indien de rechter op grond van de hiervoor bedoelde weging en waardering van de wettelijke beoordelingsfactoren en aan de hand van alle omstandigheden van het geval tot het oordeel komt dat níet kan worden volstaan met de vaststelling dat een onherstelbaar vormverzuim is begaan, en dat het verzuim niet zonder consequentie kan blijven, zal hij daaraan een van de in art. 359a, eerste lid, Sv genoemde rechtsgevolgen verbinden. Strafvermindering Voor toepassing van strafvermindering is vereist dat de verdachte door het vormverzuim daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden en dat strafvermindering ook in het licht van het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim gerechtvaardigd is. Het moet dus gaan om een voldoende ernstig vormverzuim dat concreet de belangen van de verdachte in de strafzaak heeft aangetast. Bewijsuitsluiting Bewijsuitsluiting kan als rechtsgevolg worden verbonden indien het gaat om gevallen waarin het uitsluiten van bepaalde resultaten van het opsporingsonderzoek van het gebruik voor het bewijs, noodzakelijk is om een schending van artikel 6 EVRM te voorkomen. Hetzelfde geldt voor gevallen waarin sprake is van een vormverzuim waarbij het recht van de verdachte op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM niet (rechtstreeks) aan de orde is, maar waarbij het gaat om de schending van een ander strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel. In die gevallen geldt als belangrijk uitgangspunt dat de omstandigheid dat de verkrijging van onderzoeksresultaten gepaard is gegaan met een vormverzuim dat betrekking heeft op een ander strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel dan het recht op een eerlijk proces, niet eraan in de weg staat dat die resultaten voor het bewijs van het tenlastegelegde feit worden gebruikt. Is echter sprake van een ernstige schending van een strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel, dan kan onder omstandigheden toepassing van bewijsuitsluiting noodzakelijk worden geacht als rechtsstatelijke waarborg en als middel om met de opsporing en vervolging belaste ambtenaren te weerhouden van onrechtmatig optreden en daarmee als middel om te voorkomen dat vergelijkbare vormverzuimen in de toekomst zullen plaatsvinden. Of daartoe grond bestaat, beoordeelt de rechter aan de hand van de in artikel 359a lid 2 Sv genoemde beoordelingsfactoren en met inachtneming van het uitgangspunt van subsidiariteit. In het bijzonder dient de rechter te beoordelen of het vormverzuim zodanig ernstig is dat niet met strafvermindering kan worden volstaan, maar bewijsuitsluiting gerechtvaardigd is. Daarbij moet acht worden geslagen op de negatieve effecten die aan bewijsuitsluiting zijn verbonden, gelet op de zwaarwegende belangen van waarheidsvinding, van de vervolging en berechting van (mogelijk zeer ernstige) strafbare feiten, en in voorkomend geval van de rechten van slachtoffers. Voor het bepalen van de ernst van het vormverzuim kan mede betekenis toekomen aan het verwijt dat aan politie en justitie kan worden gemaakt en aan de omstandigheid dat een vormverzuim zich bij herhaling blijkt voor te doen, maar ook aan de omstandigheid dat door politie en justitie al maatregelen zijn getroffen om (verdere) herhaling tegen te gaan. Ten slotte is er grond voor bewijsuitsluiting indien zich onregelmatigheden hebben voorgedaan die de betrouwbaarheid en accuraatheid van onderzoeksresultaten wezenlijk hebben aangetast. In dat geval berust bewijsuitsluiting niet op de toepassing van artikel 359a Sv, maar vloeit die uitsluiting rechtstreeks voort uit de regel dat de rechter bij de beantwoording van de vraag of het tenlastegelegde kan worden bewezen verklaard, alleen dat bewijsmateriaal gebruikt dat hij betrouwbaar en bruikbaar vindt. Niet-ontvankelijkverklaring openbaar ministerie in de vervolging Niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging komt als in art. 359a Sv voorzien rechtsgevolg slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking. Daarvoor is alleen plaats ingeval het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. De strekking van deze maatstaf is dat in het geval dat een zodanig ernstige inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak is gemaakt dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM, niet ontvankelijk-verklaring van het openbaar ministerie in de vervolging plaatsvindt. Het moet dan gaan om een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kan worden gecompenseerd. Daarbij moet die inbreuk het verstrekkende oordeel kunnen dragen dat - in de bewoordingen van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens - “the proceedings as a whole were not fair". In het zeer uitzonderlijke geval dat op deze grond de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging in beeld komt, hoeft niet daarnaast nog te worden vastgesteld dat de betreffende inbreuk op het recht op een eerlijk proces doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte heeft plaatsgevonden. 3.2. Aanwijzing auditief en audiovisueel registreren van verhoren van aangevers, getuigen en verdachten (AVR) De achtergrond van de AVR zoals die ten tijde van de aangiftes gold, luidt: “In het belang van de waarheidsvinding is het wenselijk dat in bepaalde gevallen aangiften en/of verhoren auditief of audiovisueel worden opgenomen. Deze vormen van registratie kunnen ingezet worden zowel voor verhoren van aangevers en getuigen (waaronder slachtoffers) als voor verhoren van verdachten. Een landelijk uniforme aanpak is noodzakelijk. Om die reden wordt in deze aanwijzing auditieve of audiovisuele registratie in een aantal gevallen verplicht gesteld. In andere gevallen blijft dit facultatief. De auditieve en audiovisuele registratie zijn in de eerste plaats hulpmiddelen ten behoeve van de toetsbaarheid van de verhoren in een latere fase van het strafproces. Audiovisueel registreren kan van belang zijn als er sprake is van omstandigheden die gelegen zijn in de kwetsbaarheid van de verhoorde persoon of in de aard van het verhoor. Audiovisuele opnamen bieden immers de mogelijkheid om non-verbale signalen en vastgelegde emotie terug te zien. Daarnaast geeft het gebruik van opnameapparatuur de mogelijkheid om: aanwijzingen te geven aan de verhoorders tijdens het verhoor en vervolgverhoren, (gedrags)deskundigen te laten adviseren tijdens of na het verhoor, ondersteuning te bieden bij het uitwerken van de verklaring in het proces-verbaal, als evaluatiemateriaal te gebruiken voor verdere professionalisering van verhoorders, leerstof te genereren ten behoeve van opleidingen in verhoormethodieken.” Samengevat bevat de regeling regels voor het auditief respectievelijk audiovisueel registreren van verhoren afgenomen van aangevers, getuigen en verdachten. Aangegeven is wanneer het verplicht is om verhoren auditief dan wel audiovisueel vast te leggen en wanneer dit facultatief is. Hierbij is niet de opsporingsinstantie maar de aard van de zaak bepalend. Voorgeschreven is welk type registratie minimaal verplicht is. Indien de officier van justitie of advocaat-generaal dit in een concreet geval noodzakelijk acht, kan besloten worden tot een ‘zwaardere’ vorm van registratie. Voorts bevat de aanwijzing regels voor registratie van verhoren van kwetsbare personen. De opsporingsinstantie is verantwoordelijk voor de beschikbaarheid, capaciteit, organisatie en integriteit van de technische infrastructuur en voor een deugdelijke opslag en administratie van de registraties. De procedures voor het auditief en audiovisueel registreren zijn beschreven in een protocol. Vervolgens is - voor zover hier relevant - een paragraaf opgenomen waarin de gevallen staan genoemd waarin auditieve of audiovisuele registratie verplicht is en is een indicatie gegeven wanneer daartoe facultatief zou kunnen worden overgegaan. Onder meer is auditieve registratie verplicht bij misdrijven met een strafbedreiging van 12 jaar of meer. Verder bevat de AVR-paragrafen over facultatief registreren (in deze zaak niet relevant), over de opslag en bewaartermijn en vervolgens over audiovisuele registratie. Nadat in het bij de AVR behorende protocol begrippen zijn uitgewerkt, volgt een beschrijving van de procedure met betrekking tot het registreren van het verhoor. In bepaling 2.1. is opgenomen: Wanneer op grond van de Aanwijzing een verhoor auditief wordt geregistreerd, worden alle vervolgverhoren van de betreffende persoon eveneens zo geregistreerd; Auditief te registreren verhoren vinden plaats in een verhoorruimte. Indien de te verhoren persoon niet in de omstandigheden verkeert om in een verhoorruimte te worden gehoord, dan moet indien mogelijk mobiele audio registratieapparatuur worden gebruikt. In dit geval dient de registratie, zodra dit mogelijk is, op het netwerk te worden opgeslagen; De verhoorder start de registratie voor aanvang van het verhoor; De verhoorder doet mededeling van de datum, tijd en namen van de aanwezigen in de verhoorruimte. Tevens deelt de verhoorder aan de te verhoren persoon mede dat het verhoor auditief wordt geregistreerd; Als tijdens het verhoor voorwerpen worden getoond, benoemt de verhoorder deze zodat op de registratie is te horen wat er wordt getoond; Als tijdens het verhoor geluidsfragmenten ten gehore worden gebracht, benoemt de verhoorder deze vooraf zodat op de registratie duidelijk is uit welke bron dit fragment afkomstig is; De verhoorder benoemt de datum en tijd van het einde van het verhoor en beëindigt daarna de registratie. Daarna volgt in de AVR een aantal paragrafen over audiovisueel registreren, de procedure met betrekking tot het opmaken van het proces-verbaal van verhoor, het beheer van registraties en de procedure met betrekking tot kennisneming en verstrekking van registraties. In de zesde paragraaf van het protocol is opgenomen dat indien van de bepalingen in dit protocol wordt afgeweken, dit met toestemming van de officier van justitie/advocaat-generaal en met redenen omkleed in het procesdossier dient te worden opgenomen. De zesde paragraaf maakt aldus duidelijk dat er van het protocol kan worden afgeweken, mits daartoe toestemming van de officier van justitie wordt verleend en de redenen hiervoor uit het procesdossier blijken. Wanneer daarvan sprake is, blijkt uit de toelichting op de AVR, die als bijlage 3 aan de AVR was toegevoegd. In deze toelichting staat: “In uitzonderlijke gevallen kan in opdracht van de OvJ/A-G afgeweken worden van de regels van het Protocol. Denkbaar is bijvoorbeeld dat in het geval van een bedreigde getuige afgeweken wordt van het Protocol. De uitzonderingspositie is hier opgenomen om bijzondere situaties ook op een goede bijzondere manier tegemoet te kunnen treden en daar transparant over te zijn door dit ook expliciet in het Procesdossier op te nemen. De rechter is dan altijd in staat de uitzondering te toetsen.” 4 Oordeel hof Het verweer richt zich in de kern op de wijze waarop de verhoren van aangever [benadeelde partij 1] , getuige [getuige 1] en aangever [benadeelde partij 2] hebben plaatsvonden en of dit al dan niet in overeenstemming is geweest met de AVR. Het hof stelt daarom onder 4.1.1 de feitelijke gang van zaken rondom de verhoren van [benadeelde partij 1] vast, onder 4.1.2. de gang van zaken rondom de verhoren van [benadeelde partij 2] en [getuige 1] , waarna onder 4.1.3. een tussenconclusie volgt. Daarna wordt onder 4.2. het verweer met betrekking tot het Prokuratuur-arrest beoordeeld, gevolgd door het verweer met betrekking tot het tijdsverloop onder 4.3. De eindconclusie met betrekking tot de formele verweren volgt onder 4.4. 4.1.1. Feitelijke gang van zaken rond de verhoren van aangever [benadeelde partij 1] heeft op 9 november 2016, en aanvullend op latere data en tijdstippen, aangifte gedaan van onder meer afpersing in vereniging gepleegd. Zijn verklaring houdt kort gezegd in dat hij in de nacht van 7 op 8 november 2016 in een woning in [plaats 1] door meerdere personen zwaar is mishandeld, dat hij vervolgens is ontvoerd, en dat er geld of goederen van waarde aan zijn belagers moest worden overhandigd. Uiteindelijk is hij in zijn ondergoed in een bos vrij gelaten en heeft bij een woning aangebeld. Hij is met een ambulance naar het ziekenhuis overgebracht en opgenomen om aan zijn verwondingen te worden behandeld. De mannen die de mishandeling hebben uitgevoerd, zouden allemaal, net als hijzelf, lid zijn (geweest) van motorclub No Surrender. In een proces-verbaal van 8 maart 2018 en een proces-verbaal van 10 maart 2018, is door verbalisant 97006 de gang van zaken rondom het eerste contact met [benadeelde partij 1] beschreven en de omstandigheden ten tijde van de aangifte. De betreffende verbalisant heeft verklaard dat hij op 8 november 2016 opdracht kreeg om naar de woning van [benadeelde partij 1] te gaan om de aangiftebereidheid van [benadeelde partij 1] te peilen en eventueel afspraken te maken omtrent een op te nemen aangifte. Aangezien uit mededelingen van de partner van [benadeelde partij 1] , [getuige 2] , bleek dat [benadeelde partij 1] nog in het ziekenhuis was, is verbalisant 97006 naar het ziekenhuis toe gegaan. Verbalisant 97006 trof [benadeelde partij 1] daar buiten bij het ziekenhuis en verklaart op 10 maart 2018 daarover: “Vervolgens liep ik op [benadeelde partij 1] af en vroeg hem of hij [benadeelde partij 1] was. Ik zag dat hij schrok. Ik zei hem dat ik van de politie was. [benadeelde partij 1] reageerde geschrokken en zei : “niet hier, niet hier”. Ik zei tegen hem dat zijn vriendin mijn gegevens had en dat hij mij kon bellen. Hierop ben ik doorgelopen. Vervolgens werd (het hof begrijpt: kreeg) ik op dinsdag 8 november omstreeks 17.00 uur een telefoontje van het slachtoffer [benadeelde partij 1] dat hij met mij wilde praten. Vervolgens ben ik naar de woning van het slachtoffer [benadeelde partij 1] gegaan aan de [adres 1] . In de woning trof ik [benadeelde partij 1] , zijn vriendin [getuige 2] en naar later (bleek) de zoon van [benadeelde partij 1] genaamd [getuige 1] . Tevens waren in zijn woning ook nog twee minderjarige kinderen. Ik trof een “ontredderde” situatie aan. [benadeelde partij 1] gaf (aan dat) een van de mannen die hem hadden ontvoerd en mishandeld bij hem aan de woning was geweest. Dit was rond 16.30 uur. Hij zei dat de daders, kennelijk wisten dat hij uit het ziekenhuis was. Hij vertelde mij dat hij aan de woning was bedreigd en dat hem te kennen was gegeven dat hij die avond om 20.00 uur, € 1100,- euro zou moeten betalen.” Gezien de gestelde zware mishandeling en ontvoering, gelinkt aan de motorclub No Surrender, is vervolgens besloten om [benadeelde partij 1] en zijn gezin met spoed in een safehouse onder te brengen, aldus verbalisant 97006. Op 9 november 2016 is [benadeelde partij 1] door verbalisant 97006 en verbalisant 97008 in het safehouse bezocht. Over dat bezoek is op 8 maart 2018 bij de rechter-commissaris verklaard: “Wij troffen daar een ontredderd gezin aan. [benadeelde partij 1] , zijn vrouw en kinderen waren hevig geëmotioneerd. Hen was medegedeeld dat ze niet meer naar hun woning zouden terugkeren en hadden hun mobiele telefoons in moeten leveren. Tevens was het hen te verstaan gegeven dat ze met niemand contact mochten onderhouden anders dan met collega’s van het Stelsel Bewaken en Beveiligen of met mij verbalisant 97006. Tevens werd hen medegedeeld dat de kinderen voorlopig niet naar de basisschool zouden kunnen gaan en geen contacten mochten onderhouden met hun vriendjes en vriendinnetjes. [benadeelde partij 1] gaf aan dat hij pijn had. Wij verbalisanten zagen zijn letsel en zijn gemoedstoestand.” Blijkens het proces-verbaal gaf [benadeelde partij 1] tegenover verbalisanten aan dat hij het helemaal gehad had met No Surrender en dat hij bang was voor nog meer represailles. Hij zei dat hij koos voor zijn gezin en dat hij aangifte wilde doen. Vervolgens is op 9 november 2016 de eerste aangifte opgenomen. Verbalisant 97006 heeft daarover op 8 maart 2018 bij de rechter-commissaris verklaard: “Wij maakten hierbij gebruik van opnameapparatuur, dit omdat het een zogenaamd AVR verhoor zou moeten worden. Echter tijdens het verhoor werd duidelijk dat [benadeelde partij 1] zeer emotioneel werd en van de hak op de tak sprong. Tevens stelde hij of zijn vrouw steeds vragen hoe het nu verder moest. Hierbij bestond het gevaar dat er gesprekken over de genomen en te nog te nemen veiligheidsmaatregelen opgenomen zouden worden. De ruimte waarin [benadeelde partij 1] en zijn gezin verbleef was zeer klein. Er bestond geen mogelijkheid om [benadeelde partij 1] in alle rust te verhoren. Tijdens de verhoren stelde ook de vrouw van [benadeelde partij 1] allerlei vragen en liepen de kinderen rond in de ruimte waar het verhoor plaats vond. Hierna heb ik verbalisant contact opgenomen met de officier van justitie en haar de mogelijkheden en onmogelijkheden verteld omtrent het volgens AVR opnemen van de verklaring. Met de officier werd afgesproken dat in de uitzonderlijke situatie waar wij zaten, wij voor zover het mogelijk was de gesprekken op zouden nemen en dat we daarnaast gesprekken met [benadeelde partij 1] zouden voeren. Vervolgens hebben wij [benadeelde partij 1] gehoord. Het verhoor vond in beginsel plaats met behulp van de opnameapparatuur en aantekeningen. Hierbij werd gezien de situatie vele malen de opname gepauzeerd. Vervolgens is aan het eind met behulp van de opnames en de aantekeningen door ons een aangifte geformuleerd die [benadeelde partij 1] ondertekende. Hierbij is getracht zo helder en gestructureerd mogelijk een aangifte te formuleren. Op dezelfde wijze zijn de aanvullende aangifte op 21 november, 6 december en 7 december tot stand gekomen. Waar er veiligheidsaspecten of veiligheidstrategieën of zaken anders dan wat [benadeelde partij 1] was overkomen ter sprake kwamen, werd door ons de opname gepauzeerd. Gedurende alle aangifte gesprekken was [benadeelde partij 1] zeer geëmotioneerd en schreeuwde hij, vloekte hij en huilde hij uit frustratie, angst, en zorg voor zijn gezin. Opnames werden gepauzeerd om [benadeelde partij 1] de gelegenheid te geven weer tot zichzelf te komen.” In de loop van de procedure zijn verbalisanten 97006, 97008 en 97004 (meermalen) bij de rechter-commissaris gehoord over de door hen afgenomen verhoren van aangevers. Daarnaast zijn naar aanleiding van verzoeken van de verdediging de geluidsbanden van de verhoren door de verdediging beluisterd, zijn verhoren door luistertolken woordelijk uitgewerkt, en heeft het NFI de geluidsbanden van de verhoren onderzocht, hetgeen heeft geresulteerd in de rapporten van 5 juli 2021 en 14 oktober 2021. Uiteindelijk is ter terechtzitting van het hof op 1 november 2021 de betrokken officier van justitie, mr. P.F. Hoekstra, gehoord. De officier van justitie heeft bij die gelegenheid als getuige verklaard dat ze op 9 november 2021 is gebeld door de verbalisant die aangever [benadeelde partij 1] aan het horen was en dat hij haar vertelde dat het niet goed ging. Aangever was emotioneel en sprong van de hak op de tak. [benadeelde partij 1] bleek bereid om te verklaren over wat hem overkomen was, maar wilde óók vertellen over andere zaken die binnen No Surrender speelden. Vanwege het gesloten karakter van de club, was de politie hierin geïnteresseerd. Volgens de officier van justitie is besproken om de verschillende onderwerpen waar [benadeelde partij 1] over verklaarde, af te kaderen, omdat niet alles relevant was voor het onderzoek Turgon, en in verband met de inzet van opsporingsbevoegdheden. Toen bleek dat de getuige moeite had om zaken van elkaar te scheiden - voor hem was het één verweven verhaal - is beslist om het verhoor op een andere manier te structureren. Er zijn delen van het verhoor voor de aangever teruggespoeld, zodat er nadere vragen over konden worden gesteld. Omdat het verhoor plaatsvond in het safehouse, was er geen tweede opnameapparaat beschikbaar om die gang van zaken op te nemen. Het verhoor van [benadeelde partij 1] op 9 november 2016 is vervolgens op deze gefragmenteerde wijze opgenomen. Er is nadrukkelijk niet achteraf in de verhoren ‘geknipt’, zo heeft de officier van justitie verklaard. Afgesproken is dat een en ander goed geverbaliseerd moest worden, in verband met latere toetsing door een rechter. De officier van justitie heeft benadrukt dat waar er tijdens dit verhoor (op onderdelen) is afgeweken van de AVR, dit in overleg en met haar toestemming is gebeurd, op basis van de hiervoor genoemde overwegingen. De AVR voorziet in deze mogelijkheid. Het proces-verbaal dat hieromtrent is opgemaakt is later bij het dossier gevoegd. Ten tijde van de voorgeleiding was dit nog niet noodzakelijk. Daarbij is het van belang te bedenken dat de onderdelen die niet op band zijn opgenomen, gelet op voornoemde uitleg, andere feiten betreffen dan die in de zaak Turgon centraal staan. Vanzelfsprekend zijn die verklaringen niet in het procesdossier van Turgon terechtgekomen, aldus de officier van justitie, omdat deze feiten eerst nog moesten worden beoordeeld voor nader onderzoek door de recherche-officier. 4.1.2. Feitelijke gang van zaken rond de verhoren van [getuige 1] en [benadeelde partij 2] [getuige 1] is op 21 november en 13 december 2016 gehoord als getuige en op 19 december 2017 bij de rechter-commissaris. Ten aanzien van [benadeelde partij 2] geldt dat hij zich op 14 november 2016 op het politiebureau heeft gemeld met de mededeling dat hij aangifte wilde doen van afpersing en bedreiging door leden van motorclub No Surrender, zo blijkt uit een proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 november 2016 (p. 107, map 1). [benadeelde partij 2] gaf daarbij aan dat hij naar het bureau was gekomen omdat hij op de radio had gehoord dat als er aangifte tegen deze leden zou worden gedaan, de politie zou zorgdragen voor bescherming en veiligheid. [benadeelde partij 2] verklaarde bang te zijn, er niet tegen meer tegen te kunnen en aangifte te willen doen. De bedreigingen waren volgens hem op dat moment nog steeds gaande, hetgeen hij ook op zijn telefoon kon aantonen. Op 15 november 2016 heeft [benadeelde partij 2] daadwerkelijk aangifte gedaan, hetgeen nadien woordelijk is uitgewerkt (p. 137). Later, op 31 januari 2017 is [benadeelde partij 2] nogmaals gehoord en op 19 september 2017 heeft hij een verklaring afgelegd bij de rechter-commissaris. Ten aanzien van aangever [benadeelde partij 2] zijn in december 2017 verbalisanten 97006 en 97004 door de rechter-commissaris gehoord. De verbalisanten hebben aangegeven dat de opnameapparatuur meerdere keren is uitgezet in verband met hoog oplopende emoties bij [benadeelde partij 2] , omdat hij van de “hak op de tak” verklaarde, in verband met de juistheid en de chronologie en omdat er ook dingen werden gezegd die verband hielden met de te nemen maatregelen voor zijn beveiliging. De verbalisanten verklaren dat zij daarom met de officier van justitie hebben besproken dat niet alles van de gesprekken opgenomen kon worden en dat ze de opnames in combinatie met hun aantekeningen zouden gebruiken om te komen tot een proces-verbaal van aangifte. Er is tevens contact geweest met de officier van justitie om te overleggen over veiligheidsaspecten en over de werkwijze met betrekking tot de aangifte, waarna een proces-verbaal is opgemaakt met betrekking tot de totstandkoming van de aangifte, zo hebben de verbalisanten verklaard. 4.1.3. Tussenconclusie Het hof stelt voorop dat het dossier geen steun biedt voor de suggestie van de verdediging dat sprake is geweest van beïnvloeding van aangevers of getuigen door verbalisanten. Nog daargelaten dat het volstrekt onlogisch is dat verbalisanten dit op een dergelijke opvallende manier zouden doen, is er feitelijk geen enkele concrete aanwijzing dat verbalisanten verklaringen naar hun hand hebben gezet, dat zij aangevers of getuigen hebben gevoed met informatie of bij hen namen hebben ingefluisterd. Verbalisanten hebben dit in hun verklaringen bij de rechter-commissaris ook stellig ontkend en het hof heeft geen enkele reden om aan deze verklaringen te twijfelen. Het verwijt mist dus feitelijke grondslag en kan alleen daarom al niet leiden tot enig rechtsgevolg. Anders dan de verdediging heeft betoogd biedt het dossier ook geen ondersteuning voor de stelling dat de banden waarop de verhoren van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] zijn opgenomen, op onrechtmatige wijze zijn gemanipuleerd. In tegenstelling tot hetgeen de verdediging heeft betoogd, blijkt uit de inhoud van de rapportages van het NFI juist dat het verloop van de verhoren en de ingelaste pauzes goed verklaarbaar zijn, en dat er geen aanwijzingen zijn dat de opnames zijn gemanipuleerd in de door de verdediging bedoelde zin of dat er onverklaarbare, suspecte wendingen in het verloop van de verhoren hebben plaatsgevonden. Het hof acht evenmin aannemelijk dat er banden met (delen van) verhoren aan de verdediging zijn onthouden. Voor zover dit verweer ziet op de stelling van de verdediging dat er voorafgaand aan de aangifte gesprekken met aangever [benadeelde partij 1] hebben plaatsgevonden, welke gesprekken niet zijn geverbaliseerd, is het hof van oordeel dat deze contacten gelet op hetgeen de verbalisanten daarover hebben verklaard, niet het karakter van een verhoor hadden. Derhalve is de AVR daar in die zin niet op van toepassing en is geen sprake van schending van de verbaliseringsplicht. Hetzelfde geldt voor het gesprek dat op 14 november 2016 met [benadeelde partij 2] heeft plaatsgevonden en waaromtrent wel een proces-verbaal van bevindingen is opgemaakt. Ten aanzien van het pauzeren van opnames vanwege veiligheidsrisico’s (de vrees dat er informatie over de verblijfplaats zou worden prijsgegeven), dan wel ten gevolge van de emotionele toestand van [benadeelde partij 1] en zijn gezin en/of de chaotische situatie waarin [benadeelde partij 1] en zijn verhoorders verkeerden, is het hof van oordeel dat dit niet per definitie in strijd is met de AVR. De advocaten-generaal hebben terecht opgemerkt dat in de AVR niet als procedureel voorschrift is opgenomen dat de verhoren integraal moeten worden opgenomen en opnames niet zouden kunnen worden gepauzeerd of tijdelijk stilgezet. Bovendien voorziet de AVR in de mogelijkheid om van het protocol af te wijken als sprake is van bijzondere omstandigheden. Zoals hiervoor is overwogen is het hof van oordeel dat daar in de onderhavige zaak sprake van is. Het hof stelt vast dat de verdediging op (ondergeschikte) onderdelen wel terecht onregelmatigheden heeft geconstateerd met betrekking tot de naleving van de AVR en de verbaliseringsplicht ten aanzien van de verhoren van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] . Zo heeft de verdediging er terecht op gewezen dat tijdens het opnemen van de aangifte niet steeds de datum, tijd en aanwezigen in de verhoorruimte zijn genoemd, zowel niet bij de aanvang alsook niet bij het beëindigen. Daarnaast zijn de verhoren kennelijk pas in juli 2017 ingespoeld. Hieronder volgt een bespreking van deze onderscheidenlijke constateringen in het licht van het hiervoor uiteengezette kader ter zake van artikel 395a Sv. Incompleetheid opnamen, toestemming officier Wat betreft het niet volledig opnemen van de verhoren van [benadeelde partij 1] , stelt het hof voorop dat evident is dat de verhoren plaatsvonden onder zeer bijzondere omstandigheden. Zo vonden de eerste verhoren plaats in een safehouse, met behulp van mobiele opname-apparatuur. Duidelijk is voorts dat er door verbalisanten moest worden geïmproviseerd en dat er snel moest worden gehandeld. De advocaten-generaal hebben terecht opgemerkt dat de AVR niet voorschrijft hoe in gevallen zoals de onderhavige moet worden gehandeld. Het hof is van oordeel dat de AVR ruimte laat om naar bevind van zaken te handelen, afhankelijk van de concrete feiten en omstandigheden van het geval, op grond van afwegingen van de officier van justitie zoals met betrekking tot de veiligheid van betrokkenen en/of relevante informatie terzake andere strafrechtelijke aandachtsgebieden, gelijk in de onderhavige zaak is gebeurd. Hoewel de officier van justitie ter zitting van het hof als getuige heeft verklaard dat zij alleen ten aanzien van het verhoor op 9 november 2016 is gebeld door verbalisant 97006 en haar toestemming (alleen) op dat verhoor sloeg, hebben verbalisanten verklaard dat de voorgaande werkwijze bij alle verhoren van aangevers is toegepast. Dit blijkt ook uit het dossier. Hoewel deze werkwijze ten aanzien van die verhoren formeel dus niet gedekt was, acht het hof het evenwel aannemelijk dat de verbalisanten de toestemming van de officier van justitie niet onbegrijpelijk aldus hebben opgevat, dat dit ook gold voor de daaropvolgende verhoren. Het laat zich immers moeilijk voorstellen dat verbalisanten bij elk verhoor opnieuw met dezelfde vraag contact zouden opnemen met de officier van justitie. Uit de verklaring van 97008 op 13 september 2018 blijkt dat zij ook in de veronderstelling verkeerden dat de toestemming van de officier van justitie voor alle verhoren gold. Voor zover met deze gang van zaken formeel nog kan worden gesproken van een vormverzuim, acht het hof dit vanuit het gezichtspunt van de strekking van de AVR-regeling en in de context van de feitelijke omstandigheden waarin de verbalisanten hebben moeten acteren, gedekt, in die zin dat, met de extrapolatie van de toestemming van de officier van justitie naar de vervolgverhoren, in materiële zin geen sprake is geweest van een vormverzuim. Dat de werkwijze en de verantwoording van de gang van zaken vervolgens niet tijdig en slechts summier is geverbaliseerd, betreft een vormverzuim. Het herstel daarvan heeft vervolgens onnodig en onredelijk lang op zich laten wachten, welke omstandigheid op zichzelf eveneens als vormverzuim kan worden gekwalificeerd, dat echter wat betreft ernst en nadeel voor de verdachte tot niet meer noopt dan een enkele constatering daarvan. Relativiteit Uit de uitleg die de officier van justitie als getuige ter zitting van het hof heeft gegeven valt voorts af te leiden dat de onderdelen van de verhoren die niet op band terug te vinden zijn, betrekking hebben op andere feiten. Voor zover het verweer daarop betrekking heeft, treft het dan ook geen doel, omdat artikel 359a Sv niet van toepassing is indien het verzuim is begaan buiten het verband van dit voorbereidend onderzoek. Transparantie data, aanwezigen en latere inspoeling Ten aanzien van het feit dat niet steeds de datum, tijd en aanwezigen in de verhoorruimte zijn genoemd bij het opnemen van de verhoren, zowel niet bij de aanvang alsook niet bij het beëindigen, merkt het hof op dat dit goed valt te verklaren nu datum en tijdstip al geregistreerd worden door het mobiele opnameapparaat (Marantz) en het proces-verbaal ook de datum vermeldt. Dat het gezin bij een bepaalde situatie aanwezig was, blijkt bovendien uit het procesdossier. Hoewel het voorgaande derhalve formeel in strijd is met de AVR, overweegt het hof dat - voor zover deze vormverzuimen niet al zijn hersteld door nadere verbalisering en door het getuigenverhoor van [getuige 2] bij de raadsheer-commissaris - in het licht van de ernst van de feiten, de vormverzuimen wat ernst betreft dermate gering worden geacht, en bovendien onvoldoende is gebleken van nadeel voor verdachte in zijn verdediging, dat ook in dit geval kan worden volstaan met constatering daarvan. Hetzelfde geldt ten aanzien van het feit dat de met de mobiele opnameapparatuur opgenomen verhoren kennelijk pas in juli 2017 zijn ingespoeld. Conclusie Concluderend is het hof van oordeel dat er met betrekking tot de nakoming van de AVR en - daarmee samenhangend, de verbaliseringplicht - inderdaad sprake is geweest van vormverzuimen in het vooronderzoek, maar dat voor zover deze onherstelbaar zijn met de enkele vaststelling daarvan kan worden volstaan. Het hof waardeert de afwijkingen van het standaard AVR-protocol op een andere wijze dan de rechtbank en is voor zover het (onherstelbare) vormverzuimen betreft van oordeel dat de ernst daarvan gering is geweest en het recht van verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak niet in het gedrang is gebracht. Het betreffen met andere woorden geringe vormverzuimen die niet tot concreet nadeel hebben geleid, onder meer nu een schriftelijke weergave van de verhoren van [benadeelde partij 1] zich in het dossier bevindt, de verbalisanten meermalen uitvoerig zijn verhoord bij de rechter-commissaris in aanwezigheid van de verdediging en de verdediging de mogelijkheid heeft gekregen om aan deze verbalisanten vragen te stellen en de verklaringen van de verbalisanten aan het dossier zijn toegevoegd. Daarnaast is aangever door een rechter-commissaris gehoord en heeft de verdediging ook aan aangever vragen kunnen stellen. Voorts zijn er deskundigen-rapporten opgesteld aan de hand van een onderzoek aan de geluidsopnamen en de vragen van de verdediging. Ten slotte is de officier van justitie op zitting gehoord en hebben de raadslieden vragen kunnen stellen. De verhoren en de gang van zaken daar omheen zijn dus - anders dan de verdediging heeft betoogd - in voldoende mate toetsbaar geweest. Dit geldt tevens voor het politieverhoor van [getuige 1] alsmede de verklaringen die door aangever [benadeelde partij 2] ten overstaan van de politie zijn afgelegd. 4.2. Arrest Hof van Justitie van de Europese Unie d.d. 2 maart 2021, H.K. vs Estland (“Prokuratuur-arrest) De verdediging heeft zich bij het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie onder meer beroepen op voornoemd arrest. In dit arrest heeft het HvJ EU onder meer overwogen dat “artikel 15, lid 1, van richtlijn 2002/58, gelezen in het licht van de artikelen 7, 8 en 11 en artikel 52, lid 1, van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling die de mogelijkheid biedt om overheidsinstanties met het oog op het voorkomen, onderzoeken, opsporen en vervolgen van strafbare feiten toegang te verlenen tot een reeks verkeers- of locatiegegevens die informatie kunnen verschaffen over de communicaties van een gebruiker van een elektronische-communicatiemiddel of over de locatie van de door hem gebruikte eindapparatuur en waaruit precieze conclusies kunnen worden getrokken over zijn persoonlijke levenssfeer ‐ welke toegang niet beperkt is tot procedures ter bestrijding van zware criminaliteit en ter voorkoming van ernstige bedreigingen van de openbare veiligheid ‐, en dit ongeacht de duur van de periode waarvoor om toegang tot dergelijke gegevens wordt verzocht en ongeacht de hoeveelheid en de aard van de gegevens die voor die periode beschikbaar zijn.” Uit voornoemd arrest volgt dat het voor strafrechtelijke doeleinden verlenen van toegang tot de in het arrest bedoelde communicatiegegevens, te weten verkeers- en locatiegegevens, slechts is toegestaan in het kader van procedures ter bestrijding van zware criminaliteit en procedures ter voorkoming van ernstige bedreigingen van de openbare veiligheid. Het gaat hier immers om een ernstige inmenging op de grondrechten van artikel 7 en 8 EU-Handvest waarbij uit de opgevraagde persoonsgegevens nauwkeurige conclusies kunnen worden getrokken over de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene. Aldus moet eerst worden bezien of het opvragen van de betreffende gegevens in de onderhavige zaak plaatsvond in het kader van een procedure ter bestrijding van zware criminaliteit. Het hof is van oordeel dat die vraag bevestigend moet worden beantwoord. De vordering is gedaan in het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar ernstige gewelds- en vermogensfeiten, verband houdende met de motorclub No Surrender. Het betreft strafbare feiten waarop een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld, waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten en die een ernstige inbreuk maken op de rechtsorde. Voorts volgt uit het arrest van het HvJ EU dat het aan de nationale wetgever is om de voorwaarden vast te stellen waaronder de aanbieders van elektronische communicatie-diensten aan de bevoegde nationale instanties toegang moeten verlenen tot de persoonsgegevens waarover zij beschikken. Van belang is dat die toegang onderworpen is aan een voorafgaande toetsing door een rechterlijke instantie of een onafhankelijke bestuurlijke entiteit. Gelet op de vereiste onafhankelijkheid, mag de instantie die die toetsing verricht niet betrokken zijn bij de uitvoering van het betrokken strafrechtelijk onderzoek en moet zij neutraal zijn ten opzichte van de partijen in de strafprocedure. Dat is niet het geval bij een openbaar ministerie dat de onderzoeksprocedure van een strafrechtelijk onderzoek leidt en in een voorkomend geval ook optreedt als openbaar aanklager tijdens de strafprocedure. Een latere toetsing van het besluit van de officier van justitie is niet voldoende om aan het onafhankelijkheidsvereiste te voldoen, omdat de controle door een onafhankelijke autoriteit moet plaatsvinden voorafgaand aan de machtiging (par. 58 van het arrest van het HvJ EU). Anders dan het openbaar ministerie is het hof - in lijn met het arrest van het gerechtshof te Den Haag d.d. 20 juli 2021 - van oordeel dat het arrest van het HvJ EU zich niet beperkt tot verkeers- en locatiegegevens die op grond van een wettelijke bewaarplicht door de aanbieder worden bewaard. Het dictum van het arrest is juist algemeen geformuleerd. De beperkte interpretatie van het openbaar ministerie verhoudt zich daar niet mee. Naar het oordeel van het hof ziet het arrest dus ook op de gegevens die telecombedrijven bewaren in verband met bedrijfsdoeleinden. Daarnaast vindt het hof voor dit oordeel steun in het arrest in de zaak Ministerio Fiscal van 2 oktober 2018, waarin het HvJ EU heeft geoordeeld dat een in het kader van een opsporingsonderzoek geformuleerd verzoek om toegang tot persoonsgegevens die door aanbieders van elektronische communicatiediensten worden bewaard, binnen de werkingssfeer van Richtlijn 2002/58 (hierna: de Richtlijn) valt. Ten slotte wijst het hof in dit verband op rechtsoverwegingen 57-60 van de conclusie van de advocaat-generaal bij dit arrest (ECLI:EU:C:2020:18) waarin wordt overwogen dat het HvJ EU de problematiek van de toegang van de bevoegde nationale autoriteiten tot de bewaarde gegevens “los van de omvang van de aan de aanbieders van elektronische communicatiediensten opgelegde verplichting tot bewaring van gegevens” behandelt en, met name, los van de algemene of gerichte aard van bewaring van de gegevens. Deze vaststelling houdt verband met het feit dat het HvJ EU de bewaring van gegevens en de toegang ertoe als twee onderscheiden inmengingen in de door het Handvest beschermde grondrechten beschouwt. Op grond van het bovenstaande is het hof van oordeel dat de in het onderhavige onderzoek opgevraagde verkeers- en locatiegegevens achteraf gezien niet door een officier van justitie gevorderd hadden mogen worden zonder voorafgaande onafhankelijke toetsing door een rechterlijke instantie of een onafhankelijke bestuurlijke entiteit. Het HvJ EU geeft in het arrest La Quadrature du Net e.a. van 6 oktober 2020 (C-511/18, C-512/18, C-520-18, ECLI:C:2020:791) een beoordelingskader met betrekking tot de vraag hoe om te gaan met processen-verbaal die zijn opgesteld op basis van informatie die in strijd met de voorschriften van het Unierecht is verkregen. Het HvJ EU overweegt allereerst dat het volgens het beginsel van procedurele autonomie uitsluitend een zaak van het nationale recht is om de regels vast te stellen met betrekking tot de toelaatbaarheid van (onrechtmatig verkregen) informatie/bewijs. Het hof zal daarom aansluiting zoeken bij het beoordelingskader van artikel 359a Sv zoals de verdediging en het openbaar ministerie ook voorstaan, en zoals hiervoor onder 3.1. uiteen is gezet. Rechtsgevolg In onderhavige zaak zijn de historische gegevens van de telefoon van verdachte opgevraagd. Dit zijn gegevens die kunnen worden aangemerkt als verkeers- en locatiegegevens in de zin van de Richtlijn. Zoals hiervoor al is overwogen, zijn de bewaarde gegevens weliswaar opgevraagd in overeenstemming met de wettelijke regeling maar is daarbij - achteraf bezien - in strijd gehandeld met het Unierecht. De onrechtmatige toegang tot deze historische verkeers- en locatiegegevens moet worden beschouwd als een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek als bedoeld in artikel 359a Sv. Dit verzuim levert een schending op van het in artikel 8 EVRM gegarandeerde recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Het is bestendige jurisprudentie dat een dergelijke schending niet zonder meer maakt dat er ook sprake is van een inbreuk op de in artikel 6 EVRM vervatte waarborg van een eerlijk proces. Naar het oordeel van het hof is de verdediging zowel in eerste als in tweede aanleg in de gelegenheid geweest om op adequate wijze commentaar te leveren op de voorhanden bewijsmiddelen, waaronder de betreffende gegevens, en is het recht van hoor en wederhoor geëerbiedigd zodat van een inbreuk op artikel 6 EVRM geen sprake is. Voorts is de inbreuk van de in artikel 8 gewaarborgde privacyrechten niet zo aanzienlijk geweest dat bewijsuitsluiting het enig passend rechtsgevolg is. De historische gegevens beslaan slechts een zeer beperkte tijdsspanne en niet kan immers worden gezegd dat op grond van de verstrekte historische verkeersgegevens een min of meer compleet beeld van het privéleven van de verdachte is verkregen. Het nadeel dat door de schending is veroorzaakt is in deze zaak aldus beperkt. Bovendien weegt het hof mee dat aannemelijk is dat de rechter-commissaris - indien deze was benaderd met het verzoek de vorderingen vooraf te toetsen - toestemming zou hebben gegeven voor het doen van deze vorderingen. Dit brengt met zich dat het hof zal volstaan met de constatering dat er sprake is van een vormverzuim zonder dat daar een rechtsgevolg aan wordt verbonden. 4.3. Redelijke termijn De verdediging heeft aangevoerd dat bij de beoordeling van het verweer tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie dient te worden betrokken dat de redelijke termijn is geschonden, hetgeen een nadelig effect heeft gehad op de reproduceerbaarheid van aanvullende onderzoeksgegevens, het reëel kunnen effectueren van het ondervragingsrecht ten aanzien van getuigen zoals [getuige 3] en [getuige 2] , en het kunnen weerleggen van belastende onderzoeksgegevens. Aldus is de waarheidsvinding ernstig in het gedrang gekomen en kan er geen sprake meer zijn van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM. Het hof volgt de verdediging hierin niet. Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 13 september 2016, stelt het hof vast dat niet, althans onvoldoende, is gebleken dat het tijdsverloop waarvan gedurende de procedure sprake is geweest, ertoe heeft geleid dat het hof in de feitenvaststelling is beperkt, noch dat is gebleken dat verdachte in zijn verdedigings-mogelijkheden is beperkt. Voor zover sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn, zullen de gevolgen hiervan bij de strafoplegging worden meegewogen. 4.4. Conclusie formele verweren Dat er op enigerlei wijze sprake is geweest van een doelbewuste opsporingsstrategie waarbij een of meer aangevers en/of getuigen zouden zijn beïnvloed en bewogen om ten onrechte belastend omtrent verdachten binnen dit onderzoek te verklaren, is gelet op grond van hetgeen hiervoor is overwogen en ook overigens niet aannemelijk geworden. De door de verdediging gestelde, en in sommige gevallen ook gebleken vormverzuimen, leiden afzonderlijk, noch in samenhang tot de conclusie dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging, zoals door de verdediging betoogd. Een dergelijk uitzonderlijk geval doet zich hier niet voor. Er is geen sprake van een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is gecompenseerd. Evenmin zijn de hiervoor aangehaalde vormverzuimen van dien aard dat die tot bewijsuitsluiting dan wel strafvermindering moeten leiden. Het nadeel dat door de schending is veroorzaakt is in deze zaak zoals gezegd beperkt. Het hof volstaat daarom met de constatering dat er vormen zijn verzuimd in het vooronderzoek. De verweren van de verdediging op dit punt worden verworpen. Het openbaar ministerie is ontvankelijk in de vervolging. De tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat 1. primair hij in of omstreeks de periode van 7 en 8 november 2016 te [plaats 1] , in de gemeente [gemeente 1] , en/of te [plaats 2] en/of [plaats 3] , in de gemeente [gemeente 2] , tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(
- en)wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [benadeelde partij 1] heeft gedwongen tot de afgifte van 5000 euro, althans een geldbedrag en/of een zak met hennep, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 1] en/of zijn zoon en/of een vriend van zijn zoon, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(
- en)dat verdachte tezamen en in vereniging met zijn mededader(
- s)- een strijkijzer heeft verhit en klaargezet en/of - die [benadeelde partij 1] meermalen met kracht tegen het hoofd en/of elders tegen het lichaam heeft gestompt (met handschoenen met rubberen noppen erop aan) en/of geschopt (met geschoeide voet) en/of geprobeerd heeft die [benadeelde partij 1] in zijn kruis te trappen (met geschoeide voet) en/of - tegen die [benadeelde partij 1] heeft gezegd dat ze zijn vrouw ook nog wel klein zouden krijgen en/of - het hete strijkijzer heeft getoond en tegen die [benadeelde partij 1] heeft gezegd dat ze de No Surrender tatoeage op zijn buik met het strijkijzer weg zouden branden en/of - die [benadeelde partij 1] meermalen heeft bedreigd met de dood, als er geen geld zou komen en/of - tegen die [benadeelde partij 1] heeft gezegd dat hij geld moest betalen en dat ze wisten waar hij woonde en/of dat ze zijn vingers af zouden knippen en/of - die [benadeelde partij 1] een handdoek in zijn mond heeft gepropt en/of - die [benadeelde partij 1] heeft gedwongen mee te rijden in een busje naar een plek nabij de Papiermolen en/of - die [benadeelde partij 1] (aldaar) een mes en/of een pistool heeft getoond, althans zichtbaar voor die [benadeelde partij 1] heeft gedragen; en/of (vervolgens) dat hij op of omstreeks 8 november 2016 te [plaats 2] en/of te [plaats 3] , in de gemeente [gemeente 2] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(
- en)wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [benadeelde partij 1] te dwingen tot de afgifte van (nog meer) geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [benadeelde partij 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), tezamen en in vereniging met zijn mededader(s), (nadat die [benadeelde partij 1] was mishandeld en onder dwang was meegevoerd in een Volkswagen busje naar een locatie bij de Papiermolen , alwaar die [benadeelde partij 1] een bedrag van 5000 euro, althans een geldbedrag en/of een zak hennep had afgegeven) - tegen die [benadeelde partij 1] heeft gezegd dat er nog meer geld moest komen en/of dat ze de volgende dag bij zijn huis langs zouden komen om het op te halen en/of - die [benadeelde partij 1] (weer) gedwongen heeft in het Volkswagen busje plaats te nemen en/of - die [benadeelde partij 1] (vervolgens) heeft weggereden naar een voor die [benadeelde partij 1] onbekende locatie en/of - die [benadeelde partij 1] heeft gedwongen uit het busje te stappen en (een deel van) zijn kleren uit te doen en/of - heeft gepost voor het ziekenhuis toen die [benadeelde partij 1] eruit kwam en/of - - naar het huis van die [benadeelde partij 1] is gegaan en heeft gezegd dat hij nog niet van hun af was en dat ze hem zouden vermoorden en zijn gezin iets zouden aandoen (als hij niet zou betalen), dat hij, verdachte een 'Bad Standing' had en dat ze om 20.00 uur terug zouden komen om geld te halen en/of - naar het huis van die [benadeelde partij 1] is gereden en daar (meermalen) naar binnen heeft gekeken en op de ramen geklopt (rond 20.40 uur en 21.15 uur) terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 1. subsidiair hij op of omstreeks de periode van 7 en 8 november 2016 te [plaats 1] , in de gemeente [gemeente 1] , tezamen en in vereniging met anderen of een ander, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [benadeelde partij 1] opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet en na kalm en rustig beraad, tezamen en in vereniging met zijn mededaders die [benadeelde partij 1] meermalen met kracht tegen het hoofd en/of elders tegen het lichaam heeft gestompt (met handschoenen met rubberen noppen erop aan) en/of geschopt (met geschoeide voet) en/of geprobeerd heeft die [benadeelde partij 1] in zijn kruis te trappen (met geschoeide voet) terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; en/of dat hij in of omstreeks de periode van 7 en 8 november 2016 te [plaats 1] , in de gemeente [gemeente 1] , tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk [benadeelde partij 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, immers heeft verdachte tezamen en in vereniging met zijn mededader(
- s)- die [benadeelde partij 1] gedwongen mee te rijden in een busje naar een plek nabij de Papiermolen en/of - die [benadeelde partij 1] (vervolgens) (weer) gedwongen in het Volkswagen busje plaats te nemen en/of - die [benadeelde partij 1] (vervolgens) weggereden naar een voor die [benadeelde partij 1] onbekende locatie en/of - die [benadeelde partij 1] gedwongen uit het busje te stappen en (een deel van) zijn kleren uit te doen (waarna die [benadeelde partij 1] wist te ontkomen); 2.hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2016 tot en met 14 november 2016 te [plaats 2] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(
- en)wederrechtelijk te bevoordelen, door geweld en/of bedreiging met geweld [benadeelde partij 2] (telkens) heeft gedwongen tot de afgifte van geldbedragen, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(
- en)dat verdachte, tezamen en in vereniging met zijn mededader(
- s)- die [benadeelde partij 2] te kennen heeft gegeven dat hij een 'bad standing' had, (omdat hij niet op de clubavonden was verschenen van No Surrender. [benadeelde partij 2] had eerder gezien dat een 'bad standing' onder meer in kan houden dat er een fysieke bestraffing plaatsvindt) en/of - die [benadeelde partij 2] meermalen, op verschillende tijdstippen in die periode, met kracht, heeft geschopt en/of geslagen en/of tegen de auto aan heeft geduwd en/of hem bij de keel heeft vastgegrepen en/of - die [benadeelde partij 2] meermalen heeft bedreigd o.a. met de woorden dat de gevolgen voor die [benadeelde partij 2] niet te overzien zouden zijn als hij niet zou betalen en/of dat hij nog meer klappen kon verwachten als hij niet zou betalen en dat ze hem dan thuis zouden komen opzoeken en/of - tegen die [benadeelde partij 2] heeft gezegd dat wat er was gebeurd met die jongen in [plaats 3] met hem ( [benadeelde partij 2] ) nog veel erger zou gebeuren als hij ( [benadeelde partij 2] ) geen geld zou brengen (in de media waren berichten verschenen dat een jongen in [plaats 3] door leden van No Surrender was mishandeld en ontvoerd) - meermalen telefonisch contact heeft gezocht met die [benadeelde partij 2] (o.a. via Whatsapp) en hem duidelijk heeft gemaakt dat hij nog moest betalen. Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Overwegingen met betrekking tot het bewijs 1Standpunt verdediging m.b.t. feit 1 De raadsman heeft bepleit dat verdachte van het onder 1 primair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de verklaringen van aangever [benadeelde partij 1] - afgezien van de formele bezwaren die daaraan kleven - niet betrouwbaar genoeg zijn om voor het bewijs te gebruiken. De verklaringen zijn inconsistent, in strijd met verklaringen van andere getuigen en vinden volgens de raadsman onvoldoende steun in objectief bewijs. Bovendien is het aannemelijk dat [benadeelde partij 1] informatie van de verhorende autoriteiten heeft gekregen en kan er het nodige worden opgemerkt over de plausibiliteit van zijn verklaringen. Subsidiair heeft de raadsman zich aangesloten bij het oordeel van de rechtbank over de bruikbaarheid van de verklaringen van [benadeelde partij 1] , inhoudende dat alleen de verklaringen die ten overstaan van de rechter-commissaris zijn afgelegd voor het bewijs kunnen worden gebruikt, en alleen voor zover zij steun vinden in meer objectieve bewijsmiddelen. Hoewel verdachte ter terechtzitting van het hof heeft erkend dat hij [benadeelde partij 1] op 7 november 2016 in de woning van [medeverdachte 1] volgens een vooropgezet plan met anderen heeft mishandeld, omvatte dat plan niet het afpersen van [benadeelde partij 1] , zo heeft de raadsman aangevoerd. Het ging hem niet om geld of goederen. Verdachte is niet bij het gebeuren bij de Papiermolen aanwezig geweest en had daar ook niets mee te maken. Van een gezamenlijke opzet was geen sprake. Aldus bevat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het afpersen van [benadeelde partij 1] . Hetzelfde geldt voor de primair cumulatief ten laste gelegde poging tot afpersing op 8 november 2016. Het subsidiair ten laste gelegde medeplegen van de poging tot zware mishandeling met voorbedachten rade kan volgens de raadsman wel worden bewezen; het subsidiair alternatief cumulatief ten laste gelegde medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving niet. 2Standpunt openbaar ministerie m.b.t. feit 1 Het openbaar ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle verklaringen van [benadeelde partij 1] voor het bewijs kunnen worden gebruikt en dat een bewezenverklaring kan volgen voor het medeplegen van de onder 1 primair ten laste gelegde (voltooide) afpersing van [benadeelde partij 1] in [plaats 1] en [plaats 2] . Volgens de advocaten-generaal kan worden vastgesteld dat verdachte in deze zaak een regisserende rol heeft gehad en dat hij in dat kader contact heeft onderhouden met [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] . Verdachte is in de woning van [medeverdachte 1] het meest agressief geweest en heeft aldus een aanzienlijke bijdrage gehad in het gepleegde geweld en in de gepleegde bedreigingen. Ondanks verdachtes ontkenning kan worden vastgesteld dat verdachte samen met andere verdachten bij de Papiermolen aanwezig was: daar gaf hij [medeverdachte 5] opdracht om “het af te maken”. Ten aanzien van de onder 1 primair cumulatief ten laste gelegde poging tot afpersing dient vrijspraak te volgen, aldus de advocaten-generaal. 3Oordeel hof m.b.t. feit 1 Gelet op de standpunten van de verdediging en het openbaar ministerie zal het hof eerst ingaan op de betrouwbaarheid van [benadeelde partij 1] en de bruikbaarheid van zijn verklaring voor het bewijs. Vervolgens stelt het hof onder 3.2. de feiten en omstandigheden vast die uit zijn verklaring kunnen worden afgeleid en komt onder 3.3. het steunbewijs aan de orde. Ten slotte volgt onder 3.4 de conclusie inhoudende de juridische beoordeling en beantwoording van de vraag of de ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen. 3.1 Betrouwbaarheid [benadeelde partij 1] Het hof stelt voorop dat - zoals bij de bespreking van de formele verweren reeds is overwogen - er geen formeel beletsel is om de verklaringen van [benadeelde partij 1] voor het bewijs te gebruiken. Er is geen aanleiding om op grond van artikel 359a Sv tot bewijsuitsluiting over te gaan, nu op geen enkele manier is gebleken dat [benadeelde partij 1] bij de totstandkoming van zijn verklaring op onrechtmatige wijze is beïnvloed. Daarin schuilt derhalve geen onbetrouwbaarheid. Ten aanzien van de inhoud van de verklaringen is van belang dat het hof heeft gelet op de mate van consistentie, accuraatheid en volledigheid van de verklaringen van [benadeelde partij 1] . Daarbij gaat het om de totale indruk die de verklaringen maken en de wijze waarop deze zijn afgelegd. Het enkele feit dat in verklaringen op onderdelen tegenstrijdigheden of onduidelijkheden voorkomen, zoals de verdediging heeft aangevoerd, maakt deze verklaringen op zichzelf nog niet onbetrouwbaar. Verschillen tussen verklaringen (zoals wie waar zat in de bus) kunnen immers veroorzaakt zijn door de feilbaarheid van het menselijk geheugen, teweeggebracht onder invloed van emoties, ontstaan door het delict of door het tijdsverloop. Dat [benadeelde partij 1] ten tijde van het gebeuren onder invloed verkeerde van drugs en/of alcohol en behoorlijk zwaar is mishandeld, zal daarbij ook een rol hebben gespeeld. Hetzelfde geldt voor de stress en hectiek waar ten tijde van de eerste verhoren sprake van was, in verband met het overbrengen naar een safehouse. Dit betekent niet dat de betrouwbaarheid van zijn verklaring daardoor volledig is aangetast, maar het is wel een aspect dat onduidelijkheden en verschillen op detailniveau kan verklaren. Bij het hof wekken de verklaringen van [benadeelde partij 1] als geheel een geloofwaardige, authentieke indruk. Nadat [benadeelde partij 1] aan verbalisant 97006 te kennen had gegeven dat hij bereid was aangifte te doen, na daar kennelijk een afweging in te hebben gemaakt, heeft hij zijn verhaal gedaan. Samen met de andere verklaringen die hij nadien heeft afgelegd, vormt dit een volledig en gedetailleerd verslag, met een logisch, plausibel verloop. De inhoud van zijn verklaring past bij de emotionele en fysieke toestand waarin hij in de nacht van 7 op 8 november 2016 eerst door een getuige, en later door de politie werd aangetroffen. [benadeelde partij 1] is bovendien stellig in hetgeen hij heeft verklaard en heeft zijn verklaring als getuige onder ede bevestigd. Het feit dat bepaalde specifieke details uit zijn verklaring stroken met forensisch of ander bewijs (zoals het bloed op de muur in de woning van [medeverdachte 1] ) sterkt het hof in de overtuiging dat hij naar waarheid heeft verklaard. Dat [benadeelde partij 1] niet meteen alle namen van de betrokken verdachten heeft genoemd, doet aan het voorgaande niet af. [benadeelde partij 1] heeft daar zelf een plausibele verklaring voor gegeven, te weten dat hij in eerste instantie vooral [verdachte] voor zich zag. Nu [verdachte] ook de meest agressieve en gewelddadige van de verdachten was, is dat niet onaannemelijk. Voorts acht het hof het, gelet op alle emoties, het toegebrachte letsel, de hectiek en bijzondere omstandigheden rondom de eerste verhoren, begrijpelijk en invoelbaar dat [benadeelde partij 1] niet meteen een ‘panklaar’ verhaal heeft verteld. Dat bij [benadeelde partij 1] na verloop van tijd steeds meer informatie en ook gezichten en namen van betrokkenen zijn opgekomen, acht het hof dan ook bepaald niet onvoorstelbaar. Ten slotte acht het hof van belang dat de ten laste gelegde feiten zich afspelen tegen de achtergrond van het lidmaatschap van de motorclub No Surrender, een club die bekend staat om zijn besloten karakter. Er geldt een zwijgplicht: spreken over wat er binnen de club gebeurde is, ook thans nog, volledig in strijd met de clubregels waaraan leden zich vrijwillig onderwerpen. Tegen deze achtergrond acht het hof aannemelijk dat [benadeelde partij 1] , die de verdachten in meer of mindere mate kende, wel twee keer heeft nagedacht voordat hij de namen van zijn voormalige clubgenoten bij de politie opgaf. Het pas later noemen van namen kan derhalve ook (deels) vanuit herbezinning op zijn eigen hulpeloze situatie te verklaren zijn. Hoe dan ook zijn er meerdere omstandigheden denkbaar die van invloed kunnen zijn geweest op het wel of niet direct noemen van namen van betrokken personen door [benadeelde partij 1] . Het enkele feit dat sommige namen niet meteen zijn genoemd, maakt naar het oordeel van het hof niet dat de latere verklaring daarover onbetrouwbaar is. Bij het wegen van de betrouwbaarheid van de verklaringen, slaat het hof ook acht op hetgeen de verdachten tegenover de verklaring van [benadeelde partij 1] hebben gesteld. In dat kader is van belang dat de verdachten zich in eerste instantie veelal op hun zwijgrecht hebben beroepen en dat niet één van hen gedurende de procedure volledige openheid van zaken heeft willen geven, zich daarbij verschuilend achter een in clubverband omarmde zwijgplicht als excuus om ook geen verantwoordelijkheid te hoeven tonen voor eigen gedrag. Ook verdachte niet, al geeft hij thans wel een aandeel in het geweld in de woning in [plaats 1] toe. Gezien het verloop van de verklaringen van verdachte en zijn medeverdachten heeft het hof de stellige indruk gekregen dat zij steeds pas zijn gaan verklaren, nadat zij met belastende zaken werden geconfronteerd en daar simpelweg niet meer onderuit konden. Het hof is van oordeel dat de verklaringen van verdachte (en zijn medeverdachten) inhoudelijk gezien een veel minder kloppende, geloofwaardige indruk hebben gewekt dan die van [benadeelde partij 1] . Al met al ziet het hof geen reden om aan de inhoud van de verklaring van [benadeelde partij 1] te twijfelen en acht het hof die voldoende geloofwaardig en betrouwbaar. Met de advocaten-generaal is het hof van oordeel dat niets in de weg staat aan het voor het bewijs gebruiken van zijn verklaringen, óók waar het betreft de verklaringen die in eerste instantie tegenover de politie zijn afgelegd. Het hof gaat dan ook in beginsel uit van de door [benadeelde partij 1] geschetste gang van zaken. Wel ziet het hof in de omstandigheid dat [benadeelde partij 1] zwaar is mishandeld aan onder andere zijn hoofd en dat hij ten tijde van de mishandeling onder invloed verkeerde van drank en/of drugs, aanleiding om behoedzaam met zijn verklaring om te gaan en zoveel als mogelijk acht te slaan op steun in objectieve bewijsmiddelen, zoals hierna zal worden overwogen. 3.2. Feiten en omstandigheden zoals die blijken uit de verklaring van [benadeelde partij 1] Aanloop: Uit de verklaring die [benadeelde partij 1] op 21 november 2016 ten overstaan van de politie heeft afgelegd, blijkt dat hij op zaterdag 5 november 2016 in [plaats 1] bij [medeverdachte 1] thuis is geweest en dat hij daar de nacht heeft doorgebracht. [medeverdachte 1] had gevraagd of hij de dag daarna, op zondag, weer kwam ‘chillen’. Dit ging niet door, waarna [medeverdachte 1] vroeg of hij dan op maandag kwam. [benadeelde partij 1] stemde daarmee in en is op maandag 7 november 2016 om 20:45 uur bij [medeverdachte 1] thuis in de woning aan de [adres 2] te [plaats 1] aangekomen. Mishandeling: [benadeelde partij 1] heeft in zijn eerste verklaring op 9 november 2016 verklaard dat nadat hij op 7 november 2016 bij [medeverdachte 1] in de woning kwam, hij even met haar heeft gepraat en wat te drinken kreeg. [benadeelde partij 1] : “En toen in één keer ging de deur open, en toen zag ik in één keer de kop van [verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte] ), zag ik zo recht op mij af komen (…). Voordat ik het door had, kreeg ik petsen en klappen en toen werd er gedreigd dat ze mijn tatoeage zouden eraf branden met een strijkijzer daar, die stond al klaar. (…) Het bloed van mij zat tegen de muur omhoog. Heb ik zelf nog af moeten halen.” Over [medeverdachte 1] heeft [benadeelde partij 1] verklaard dat zij erbij was. Het leek dat ze schrok, maar daarna ging ze ook op [benadeelde partij 1] lopen foeteren: “En ze zei ook toen ze zo kanker was op mij ‘ja en dat wijf van jou is ook niet klaar met mij, die maak ik ook nog wel klein”. Enne ze wou me een volle trap in mijn zak geven, dus die heb ik gefaked dat ik die kreeg”. [benadeelde partij 1] moest van [medeverdachte 1] van de bank af en op de grond gaan zitten. [medeverdachte 1] wilde hem in zijn kruis trappen, maar omdat hij zijn hand ervoor hield, trapte ze keihard tegen zijn hand aan. Naar aanleiding van de opmerking van verbalisanten dat [benadeelde partij 1] eerst had aangegeven dat hij had ‘gefaked’ dat hij die trap kreeg, heeft [benadeelde partij 1] verklaard: “Dus wel in mijn noten, alleen ja, ja, toen heb ik daarna een spelletje lopen spelen van echt echt dat het raak was, want ik denk: anders ga ik er nog één achteraan krijgen”. Hieruit leidt het hof af dat [medeverdachte 1] [benadeelde partij 1] wel heeft geraakt, maar dat dit door de afweerbeweging tegen zijn hand was. [benadeelde partij 1] heeft verklaard dat [verdachte] hem sloeg terwijl hij motorhandschoenen aan had, met plastic doppen op de knokkels. [benadeelde partij 1] : “En hij heeft op mijn hoofd lopen stampen”. Hij riep daarbij “kankermongool”, en “wat lieg je nou”, “ik maak je dood”. Hij ging maar door. Hij riep ook “wakker blijven!”, omdat [benadeelde partij 1] steeds bijna wegviel. Later in zijn verklaring op 9 november 2016 heeft [benadeelde partij 1] nog wat zaken omtrent de mishandeling verduidelijkt: na binnenkomst begon [verdachte] gelijk te slaan, vol op het gezicht. De anderen ( [benadeelde partij 1] noemt dan [medeverdachte 2] en later op 16 november 2016 telefonisch [medeverdachte 3] (het hof begrijpt: [medeverdachte 3] ) en op 18 november 2016 [medeverdachte 4] ) begonnen tegelijkertijd te meppen. [benadeelde partij 1] geeft aan dat hij in elkaar is geklapt en dat hij toen op zijn ribben en hoofd werd getrapt en zich de hele tijd moest afweren. Hij voelde het bloed uit zijn oren druppen. [verdachte] zei daarbij dat hij “doekoe” moest hebben. Geld regelen: [benadeelde partij 1] heeft verklaard dat de verdachten geld van hem eisten. [benadeelde partij 1] : “Toen moest ik uh… geld gaan regelen. Ze wouden 5.000 euro hebben”. [benadeelde partij 1] heeft verklaard dat hij daarom [getuige 4] , een vriend van zijn zoon heeft gebeld (het hof begrijpt: [getuige 4] ). Er is meerdere keren contact met [getuige 4] geweest. De eerste keer dat [benadeelde partij 1] met [getuige 4] belde was nog in de woning van [medeverdachte 1] . Na het bellen gingen de mannen en [medeverdachte 1] met elkaar overleggen aan de tafel. Van [plaats 1] naar de Papiermolen : Na de mishandeling werd [benadeelde partij 1] naar eigen zeggen naar buiten begeleid. Hij zegt daarover: “ [verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte] ) was er toen. [medeverdachte 5] (het hof begrijpt: [medeverdachte 5] ), nee [medeverdachte 5] zat in de bus, er was nog een donkere jongen bij. [naam] (fon) was erbij. Ik weet het niet, [naam] . (…) [naam] . (het hof begrijpt: [medeverdachte 2] ). (…)” [benadeelde partij 1] moest plaatsnemen in een werkbus. Dit was een donkergekleurde Transporter. Uit de verklaring van [benadeelde partij 1] blijkt er naast de bus ook een auto van de woning van [medeverdachte 1] naar de Papiermolen is gereden. Volgens [benadeelde partij 1] stapten [verdachte] en [naam] (het hof begrijpt wederom: [medeverdachte 2] ) in een Renault. Later verklaart hij dat dit [medeverdachte 3] was die met [verdachte] in de Renault stapte en dat [naam] (het hof begrijpt: [medeverdachte 2] ) in de VW Transporter zat. In ieder geval waren [medeverdachte 5] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 3] , [verdachte] en [naam] bij de Papiermolen aanwezig. Papiermolen : Eenmaal aangekomen bij de Papiermolen te [plaats 2] , moest [benadeelde partij 1] meelopen. [benadeelde partij 1] : “En toen met [medeverdachte 5] liep ik daar, [medeverdachte 5] (fon) liep ik daar. En die ene securityboy, die nieuwe, die ik niet ken. En.... Toen kwam uh, kwam uh, me zoon eraan rijen, samen met die jongen. (…) toen is mijn zoon uitgestapt. En die heeft gezegd ‘wat is er allemaal aan de hand?” En die is uh, toen is [medeverdachte 5] erheen gelopen. En zei “er moet geld komen”. Toen had mijn zoon hem een zak gegeven. En uh.. Toen werd er gezegd “er moet nog meer komen, er moet nog meer komen”. Toen werd er al gezegd “dat lukt niet”. Toen werd er gezegd “morgen komen we bij je huis langs en dan halen we meer op”. Toen heb ik gezegd “ik doe mijn best”.” [benadeelde partij 1] geeft in eerste instantie aan niet te weten wat er door zijn zoon in de zak is overhandigd: geld of hennep. In een latere verklaring geeft [benadeelde partij 1] te kennen dat hem later is gebleken dat het hennep is geweest. Van Papiermolen naar [plaats 3] : Nadat de zak was overhandigd is [benadeelde partij 1] weer de bus ingegaan. [benadeelde partij 1] heeft over dat moment verklaard: “Nou, ik ging die bus in, [verdachte] die kwam bij die, bij die, bij die deur staan, [medeverdachte 5] zat naast mij en waar [medeverdachte 5] zat daar stond [verdachte] buiten de bus. En [verdachte] zei tegen, toen kneep ik hem echt, toen zei die tegen [medeverdachte 5] “jij maakt het [benadeelde partij 1] wel even hartstikke goed duidelijk hè?” zei die ‘jij regelt het verder allemaal” en uh, toen werd die deur, toen zei [medeverdachte 5] “ja ja is goed”. Toen werd die deur dicht gedaan, en toen zijn, toen zijn we gaan rijen.” [benadeelde partij 1] : “Toen uh staat me bij dat we ergens bij Vinkhuizen (fon) zijn geweest, (…) Denk ik, en uiteindelijk daar bij uh [plaats 3] , [plaats 3] , [plaats 3] (het hof begrijpt: [plaats 3] ), nou daar bij, waar ik die paddenstoel, daar heb ik, daar moest ik mij uitkleden van [medeverdachte 5] . Maar toen wouden ze, hij wou dat ik alles uit deed, maar ik ben gaan lopen, ik had mijn broek al uit, ik had mijn schoenen uit, had mijn trui uit. Had mijn t-shirt nog aan en mijn onderbroek nog aan, en mijn sokken en ben ik gaan lopen. Toen zeiden ze “die kant oplopen en niet om kijken”. Toen ben ik gaan kijken of ik huizen kon vinden, toen heb ik aangebeld bij uh... Bij een huis waar licht was.” Vervolgens is de politie en ambulance gekomen. In het ziekenhuis is bij [benadeelde partij 1] een hersenschudding geconstateerd, een gebroken neus, een forse bloeduitstorting in zijn aangezicht, een gescheurde oorschelp en gekneusde borstkas. Tevens was sprake van een scheur in het trommelvlies. Rechter-commissaris Bij de rechter-commissaris heeft [benadeelde partij 1] op 14 december 2017 in lijn met zijn verklaring bij de politie verklaard en gepersisteerd bij de gestelde betrokkenheid van [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 3] . De mannen kwamen ongeveer een kwartiertje à twintig minuten nadat [benadeelde partij 1] bij [medeverdachte 1] was gekomen en wat te drinken had gekregen. [benadeelde partij 1] heeft sommige onderdelen uit eerdere verklaringen gecorrigeerd en verduidelijkt. Over de betrokken personen heeft hij verklaard dat hij ze allemaal kende van No Surrender. Bij de mishandeling sloeg [medeverdachte 3] vanaf rechts en [verdachte] vanaf links. [medeverdachte 2] stopte op een bepaald moment. [benadeelde partij 1] : “ [verdachte] bleef maar doorgaan. Hij trapte tegen mijn hoofd. Bloed liep uit mijn oren, neus en mond. Hij zei “ik maak je dood”. Ze bleven maar doorgaan als of ik een stuiterbal was of zo. Ik word nu enorm boos. Ik werd door iedereen geslagen, behalve [medeverdachte 1] . [verdachte] bleef doorgaan toen de anderen stopten. [verdachte] ging 5 minuten zitten, ik denk dat hij moe was en daarna stond hij op en ging mij weer slaan met die handschoen aan. Hij probeerde mijn kop kapot te trappen. Dat is wel drie â vier keer gebeurd. Bloed van mij spatte op de muur. [medeverdachte 1] zei [benadeelde partij 1] ga op de grond zitten. Alles komt er onder te zitten. Mijn meubels en alles gaat kapot. Ik moest het bloed met een handdoek van de muur halen. (…) Ik ben op de grond gaan zitten en iemand kwam achter mij staan en trok een handdoek over mijn gezicht en deed die in mijn mond. Met die handdoek moest ik het bloed weghalen (…).” [benadeelde partij 1] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat zowel [medeverdachte 3] als [verdachte] tegen hem zeiden dat hij geld moest regelen. Ze schreeuwden dat. Volgens [benadeelde partij 1] hebben [verdachte] en [medeverdachte 3] ook gedreigd om zijn tatoeage eraf te branden en dat ze zijn vingers eraf wilden knippen. [benadeelde partij 1] ; “ [medeverdachte 3] en [verdachte] zeiden tegen mij dat als ik mijn tatoeage niet voor vrijdag weg zou halen dat ze het dan zouden wegbranden en dat ze mijn vingers eraf zouden knippen als ik niet zou betalen. ” Deze verklaring over het wegbranden van de tatoeage voor vrijdag strookt met hetgeen [benadeelde partij 1] in zijn eerste verklaring op 9 november 2016 tegenover de politie heeft gezegd. Voorts is van belang hetgeen [benadeelde partij 1] op 20 maart 2018 bij de rechter-commissaris heeft verklaard: “U vraagt of ik wist waar ik heen ging toen ik in de bus zat. We zouden naar de Papiermolen gaan. Dat hoorde ik van [medeverdachte 3] en van [verdachte] toen we richting de bus liepen. (…) U vraagt naar de rol van [medeverdachte 3] bij de Papiermolen , waar [medeverdachte 3] was toen ik daar aankwam. Dat weet ik niet meer. (…) U vraagt hoe ik dan wel weet dat hij erbij was. Het hele clubje was samen op de parkeerplaats. U vraagt hoe het kan dat ik dit wel weet. Bepaalde stukken kan ik terug halen en bepaalde stukken kan ik niet terug halen. Het kan zijn dat als ik morgen deze vraag weer moet beantwoorden, dat ik dan het ene niet meer weet en het andere weer wel. U vraagt mij of ik meer kan vertellen, wat ik weet van de rol van [medeverdachte 3] bij de Papiermolen . Ik weet van hem heel weinig meer, hij was er wel bij. Hij was erbij in het huis, hij heeft mij daar geslagen. Hij was er ook bij de Papiermolen . Ik zag hem vooruit lopen en dat is wat ik nog weet.” Met betrekking tot het gebeuren op 8 november 2016: In de verklaring van 20 maart 2018 bij de rechter-commissaris heeft [benadeelde partij 1] verklaard over de dag na de mishandeling, toen hij uit het ziekenhuis werd ontslagen. [benadeelde partij 1] : “Ik heb voor de eerste keer met de politie gesproken nadat ik in elkaar getrapt was door [verdachte] . Dit was de ochtend daarna, voor het ziekenhuis. Dit gesprek duurde ongeveer 10 seconden. Hij vroeg of ik wilde praten. Ik zei tegen die politieman dat hij op moest rotten, omdat er mensen van No Surrender stonden te posten. De agent zei dat hij een kaartje had gegeven aan mijn vriendin. Als ik wilde praten moest ik dat nummer bellen. U vraagt wanneer ik dat nummer voor het eerst heb gebeld. ik heb dat nummer gebeld toen [medeverdachte 5] bij mij aan de deur stond om geld te eisen en mij af te persen en mij te bedreigen. Als ik niet zou betalen, zouden mijn vingers worden afgeknipt. Hij zei ook dat ik mijn tatoeage voor vrijdag moest verwijderen, anders zou het worden weggebrand. Ik zou maar moeten gaan werken als een mannelijke hoer als ik het geld niet voor elkaar zou krijgen.” (…) “U vraagt wie de deur open heeft gedaan toen [medeverdachte 5] de volgende dag bij mij aan de deur kwam. Ik heb de deur open gedaan, [medeverdachte 5] stond bij het hek. De afstand tussen de deur en het hek is een metertje of vier. Ik kon hem via het keukenraam zien staan. Ik ben naar het hek toegelopen. Mijn jongste en mijn oudste zoon zijn met mij meegelopen naar het hek toe en stonden er bij. Betrokkenen: Vanaf zijn eerste verklaring heeft [benadeelde partij 1] stellig verklaard over de aanwezigheid van [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 2] in de woning van [medeverdachte 1] , en [medeverdachte 5] buiten bij de bus. [benadeelde partij 1] heeft immers verklaard dat toen hij uit de woning van [medeverdachte 1] kwam, [medeverdachte 5] uit de bus kwam zetten. Daarvoor had hij [medeverdachte 5] nog niet gezien. [medeverdachte 5] was er niet bij in de woning. In een latere verklaring, op 21 november 2016, heeft [benadeelde partij 1] ook de namen van [medeverdachte 4] , van wie de bus was, en [medeverdachte 3] genoemd. Zij waren volgens hem ook bij de mishandeling betrokken. [benadeelde partij 1] heeft verklaard dat deze namen terugkwamen toen hij helder van geest begon te worden. Het beeld van [verdachte] vervaagde op den duur en toen kwamen er ook gezichten bij de andere posturen die hij zag. [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] kent hij van No Surrender, aldus [benadeelde partij 1] . Dat [benadeelde partij 1] zich meer kon herinneren, had hij een paar dagen vóór 21 november 2016, al aan verbalisant 97006 doorgebeld. In het proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 november 2016 relateert verbalisant daarover: “Hij vertelde mij dat hij zich een andere naam kon herinneren van een van de mannen die hem hadden ontvoerd en afgeperst. Hij noemde de naam [medeverdachte 3] . Hij had deze naam diverse malen gehoord in de conversaties tussen de verdachten onderling ten tijde van het plegen van de feiten. [benadeelde partij 1] gaf aan zich te herinneren dat genoemde [medeverdachte 3] woonde aan de [adres 3] in [plaats 2] . Hij wist niet het juiste perceelnummer. Hij vertelde dat [medeverdachte 3] woonde in het zesde of zevende huis aan de zijde waar men de straat in kan rijden. De voordeur van de woning zou vernield zijn en er zou een grote barst in de voordeurruit zitten. Bij onderzoek in de geautomatiseerde systemen van de politie eenheid Noord Nederland bleek in de [adres 3] te wonen [medeverdachte 3] , geboren op [geboortedatum] . Deze man zou [medeverdachte 3] genoemd worden. In een mutatie werd aangetroffen dat bij [medeverdachte 3] zijn woning, de voordeur was vernield en er een grote barst in zijn voordeurruit zat. Uit de systemen blijkt dat [medeverdachte 3] lid is van motorclub No Surrender, in de functie van sergeant of arms.” Blijkens een proces-verbaal van 18 november 2016 nam [benadeelde partij 1] die dag opnieuw telefonisch contact op met verbalisant 97006. Verbalisant 97006: “Hij vertelde dat de film van wat hem was overkomen constant in zijn hoofd draaide. Hij zei dat hij steeds helderder kon denken. Hij vertelde dat hij in de aangifte die van hem was opgenomen, hij gesproken had over een gezette, wat dikkere man. Hij vertelde dat hij zich nu herinnerde dat deze man [medeverdachte 4] genaamd is.” Alle mannen zoals [benadeelde partij 1] die blijkens het voorgaande heeft genoemd en die hij kent, zijn door hem op foto’s herkend: - de door hem genoemde [verdachte] (foto 13) betreft [verdachte] , geboren op [geboortedatum] ; - de door hem genoemde [medeverdachte 2] (foto 14) betreft [medeverdachte 2] , geboren op [geboortedatum] ; - de door hem genoemde [medeverdachte 3] (foto 3) betreft [medeverdachte 3] , geboren op [geboortedatum] ; - de door hem genoemde [medeverdachte 4] (foto 9) betreft [medeverdachte 4] , geboren op [geboortedatum] ; - de door hem genoemde [medeverdachte 5] (foto 6) betreft [medeverdachte 5] , geboren op [geboortedatum] . Samenvatting Samengevat komen de gebeurtenissen zoals die volgens [benadeelde partij 1] in de avond en nacht van 7 op 8 november 2016 hebben plaatsgevonden, erop neer dat [benadeelde partij 1] op uitnodiging van [medeverdachte 1] naar de woning van [medeverdachte 1] is gekomen. Enige tijd daarna is hij door 5 of 6 mannen, waaronder [verdachte] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] , belaagd en zwaar mishandeld. De mishandeling heeft tussen 22:00 uur en 22:15 uur plaatsgevonden. Door de mishandeling en dreigingen is [benadeelde partij 1] onder druk gezet om geld te regelen, hetgeen hem ertoe heeft gebracht [getuige 4] te bellen. Buiten de woning van [medeverdachte 1] stond op dat moment [medeverdachte 5] . [benadeelde partij 1] is vervolgens vervoerd naar de Papiermolen . Hij zat in een VW Transporter en er reed ook een Renault Megane mee. Bij de Papiermolen waren in ieder geval [medeverdachte 5] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 3] , [verdachte] en [medeverdachte 2] aanwezig. Bij die Papiermolen is door [benadeelde partij 1] zijn zoon een zak met inhoud, vermoedelijk hennep, aan de belagers overhandigd. Vervolgens moest hij opnieuw in de bus plaatsnemen, is hij naar een bos in [plaats 3] meegenomen, alwaar hij uit de bus is gezet en werd gedwongen zich uit te kleden. In gewonde toestand heeft hij uiteindelijk bij een woning aangebeld en is hij door een ambulance naar het ziekenhuis vervoerd. De dag erna, op 8 november 2016 is hij thuis door [medeverdachte 5] bezocht, alwaar onder dreiging van geweld om meer geld werd gevraagd. Zoals hiervoor reeds uiteengezet, acht het hof de verklaring van [benadeelde partij 1] geloofwaardig en betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. Het hof stelt op grond daarvan vast dat alle verdachten die thans in het onderzoek Turgon terecht staan ( [medeverdachte 1] , [verdachte] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] ), op enigerlei wijze bij de door hem gestelde gebeurtenissen betrokken zijn geweest. Het hof gebruikt daarvoor het volgende steunbewijs. 3.3. Steunbewijs Verklaring verdachte: Verdachte heeft voor het eerst op 1 november 2021 ter zitting van het hof verklaard dat het klopt dat hij [benadeelde partij 1] op 7 november 2016 samen met anderen heeft mishandeld in de woning van [medeverdachte 1] in [plaats 1] . Verdachte heeft verklaard dat hij van tevoren contact had gehad met [medeverdachte 1] en dat hij daarom wist dat [benadeelde partij 1] op 7 november 2016 bij haar was. Verdachte heeft erkend dat hij de initiatiefnemer van de mishandeling was. Verdachte heeft ook erkend dat hij tijdens de mishandeling motorhandschoenen droeg en dat het kan kloppen dat daar bloed van [benadeelde partij 1] op is aangetroffen. Ten slotte is van belang dat verdachte heeft verklaard dat hij niet denkt dat hij die avond zijn telefoon had uitgeleend. Verklaring medeverdachte [medeverdachte 1] : [medeverdachte 1] heeft op 13 november 2016 tegenover de politie bevestigd dat [benadeelde partij 1] op 7 november 2016 bij haar thuis was. Hij kwam ergens tussen 20:30 uur en 21:00 uur. Ze zaten in de woonkamer toen er opeens vijf mannen in de kamer stonden. Dat was ongeveer een uur later. Verklaring medeverdachte [medeverdachte 4] : [medeverdachte 4] heeft op 15 november verklaard dat hij een blauwe Volkswagen Transporter op zijn naam heeft staan en dat hij de bus sinds drie weken heeft. Dit komt overeen met de verklaring van [benadeelde partij 1] over een donkergekleurde Transporter. Forensische sporen Op 10 november 2016 zijn in de woning aan de [adres 2] te [plaats 1] een paar zwarte handschoenen aangetroffen en veiliggesteld. Op de handschoenen werden bloedsporen aangetroffen die zijn voorzien van SIN AAJP4706NL. Uit onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) volgt dat de bloedsporen met SIN-codes AAJP4706NL #01 en #02 (bemonstering van bloed op de buitenzijde van de rugzijde van de linkerhandschoen en een bemonstering van bloed op de buitenzijde van de palmzijde van de rechterhandschoen) gelinkt worden aan het DNA-profiel van [benadeelde partij 1] . De zogenoemde matchkans daarbij is kleiner dan één op één miljard. Ten aanzien van de SIN-code AAJP4706NL#03 (bemonstering met bloed van de binnenzijde van de linkerhandschoen), geldt dat een DNA-mengprofiel van minimaal drie personen is aangetroffen. Er is een afgeleid DNA-hoofdprofiel vastgesteld dat met een matchkans van één op één miljard kan worden gelinkt aan verdachte [verdachte] . Ten slotte is ten aanzien van de SIN-code AAJP4706NL#04 (een bemonstering met bloed van de binnenzijde van de rechterhandschoen) een DNA-mengprofiel van minimaal drie personen aangetroffen, waarvan minimaal één man. Er is een afgeleid DNA-hoofdprofiel vastgesteld dat eveneens met een matchkans van één op één miljard kan worden gelinkt aan verdachte [verdachte] . In de woning van [medeverdachte 1] zijn op 10 november 2016 ook bloedsporen aangetroffen op het bankstel (welke bemonstering werd voorzien van SIN AAJP4707NL) en op de muren achter de hoekbank, ter hoogte van de verste hoek. Dat betroffen zeer kleine bloedspatten die waarschijnlijk deel uit hadden gemaakt van grotere bloedspatpatronen. Eén van de bloedspatten werd bemonsterd als SIN AAJP4708NL. Onderzoek van het NFI heeft uitgewezen dat ten aanzien van de bemonstering SIN AAJP4708NL#01 (bemonstering met bloed lange zijde binnenmuur) een DNA-profiel van een man is aangetroffen dat gelinkt kan worden aan [benadeelde partij 1] . De matchkans is wederom één op één miljard. Blijkens een proces-verbaal van sporenonderzoek d.d. 13 december 2016 is op 19 november 2016 sporenonderzoek verricht aan de VW Transporter met kenteken [kentekennummer] . Op de zitting van de achterbank van de VW Transporter is een bemonstering met bloed afgenomen (SIN-code AAJP4713NL#01). Blijkens een deskundigenrapport van het NFI is ten aanzien van deze bemonstering een DNA-mengprofiel vastgesteld van minimaal vijf personen, waarvan minimaal één man, te weten [benadeelde partij 1] , en minimaal vier andere personen. Uit het NFI-rapport d.d. 24 oktober 2017 blijkt voorts dat het DNA-profiel van verdachte [medeverdachte 2] matcht met het DNA-mengprofiel van het celmateriaal in de bemonstering AAJP4713NL#01. Dit betekent dat deze bemonstering naast celmateriaal van [benadeelde partij 1] celmateriaal bevat dat afkomstig kan zijn van de verdachte [medeverdachte 2] . De bemonstering bevat daarnaast celmateriaal van minimaal drie andere personen. Verklaring getuige [getuige 1] : [getuige 1] is op 21 november 2016 en 13 december 2016 gehoord door de politie en heeft bij die gelegenheden verklaard dat hij op 7 november 2016 tussen 23:00 uur en 23:30 uur bij de Papiermolen in [plaats 2] is geweest, samen met [getuige 4] (door hem aanvankelijk ‘ [naam] ’ genoemd). Volgens [getuige 1] werd hij die avond omstreeks 22:30 uur door [getuige 4] gebeld, die hem vroeg om mee te gaan. [getuige 1] is daarop naar [getuige 4] zijn huis gegaan en is daarna met hem meegereden naar [plaats 2] . Dat was om ongeveer 22:45 uur. Onderweg kregen ze te horen dat ze naar de Papiermolen moesten. Bij de Papiermolen zag [getuige 1] zijn vader staan, met twee mannen. [getuige 1] : “Stapte ik uit, ik liep dus hierheen, hier liep een andere jongen heen en hier stond nog een andere man bij m'n vader, om voor te zorgen dat hij niet weg kon. (…) En de man hier, waarvan ik de naam ook weet, die eh ... begon met mij te praten. Die vroeg dus inderdaad "Heb je wat we nodig hebben?" Ik liep weer terug naar de auto, pakte het uit de auto, gaf het aan hem en ik liep toen met hun eerst mee om m'n vader te kunnen zien. (…) Dat is iets dat ik niet meer zal vergeten. Toen kreeg ik de schrik van m'n leven, een beeld wat ik ook niet meer vergeet, letterlijk. Hij is gewoon gemarteld”. [getuige 1] verklaart over hoe hij zijn vader zag staan; “Wankelend. Beduusd. Niet meer helder. Bloed over de hele rechterkant van z’n gezicht”. [getuige 1] verklaart verder: “Man 1 is de persoon waaraan ik de plastic zak heb overhandigd, met inhoud.” Op de vraag of hij ook een naam weet, antwoordt [getuige 1] : “ [medeverdachte 5] ”. Volgens [getuige 1] lid van de club. Dat weet hij omdat hij ook wel eens met een hesje aan heeft gezien. Over persoon 2 zegt [getuige 1] : “Hij is kaal”. En hij heet [medeverdachte 4] . Ook [medeverdachte 4] heeft hij wel eens met een hesje van No Surrender gezien. Later in deze verklaring begint [getuige 1] over de naam [medeverdachte 4] te twijfelen, maar op 13 december zegt hij toch 100% zeker te weten dat de man [medeverdachte 4] heet. [getuige 1] heeft verklaard dat hij nadat hij de tas had overhandigd, aan de mannen vroeg of hij zijn vader mee mocht nemen. Dat mocht niet. Ze zeiden dat hij geld moest betalen vanwege de bad stand. Pas de volgende dag zag [getuige 1] zijn vader terug. Over die volgende dag heeft [getuige 1] verklaard dat hij erbij was toen zijn vader werd ontslagen uit het ziekenhuis. [getuige 1] : “Ja, dat die ontslagen werd was ik bij. En we stonden buiten, we werden in de gaten gehouden door één van de club. Ik weet ook precies hoe die d'r uit zag. (…) Wij stonden, als je letterlijk met je rug naar de ingang van het UMCG staat, stond 'ie links. Niet bij het glas, maar letterlijk bij de hoek van de muur en daar stond 'ie dan tegen aan te leunen, sigaretje te roken, hield 'ie ons in de gaten. Toen ik zijn kant op keek, keek 'ie steeds weg, toen we in de taxi stapte liep die weg. (…) Ik weet dat hij ons in de gaten hield. Want toen we aankwamen bij m'n vader thuis, nog geen 30 seconden later stond [medeverdachte 5] voor de deur. (…) Die kwam even verhaal halen. Uitleggen dat m'n vader een week de tijd had om te betalen, anders was 'ie dood. Hij zei niet letterlijk dat 'ie dan dood ging, hij zei gewoon: Je weet wat er dan gaat gebeuren, dan is het twee keer bad stand, daarna ben je dood.” Hij vertelde dat [benadeelde partij 1] een week had om te betalen. Het ging om € 5.000,-. [getuige 1] : “En toen had ik dus gezegd van oké, maar als ik nou vanavond 1100 euro kan regelen, contant, kun je me dan meer tijd geven dat ik je dan later weer wat ga geven? Over een paar maand. Toen zei die: Ja, dat is goed. Zei die, maak ik met jou de afspraak en toen heb ik de hand geschud met hem.(…) Ik zou hem dus die avond om 8 uur, 1100 euro hebben gegeven, dat was de afspraak.” Tijdens het gesprek met ‘ [medeverdachte 5] ’ stonden ze in de voortuin, hij stond nog op de straat aan de andere kant van het hekje, aldus [getuige 1] . Over de inhoud van de plastic zak heeft [getuige 1] verklaard dat er volgens hem hennep in zat, maar dat hij het niet zelf heeft gezien. Hij heeft wel gezien dat het werd ingepakt. Het ging om toppen hennep, wiet. Op 13 december 2016 is [getuige 1] opnieuw gehoord en heeft toen de door hem beschreven personen op foto’s aangewezen. Hij heeft de door hem genoemde [medeverdachte 4] op foto ‘subject 1’ herkend als zijnde [medeverdachte 4] . Over deze persoon heeft [getuige 1] verteld dat hij wel eens bij zijn vader thuis was geweest, “vaak genoeg met een hesje aan”. Een hesje van No Surrender. Hij was degene die op de bewuste avond zijn vader meetrok: “Mijn vader die wist niet waar die heen moest en toen pakte die hem direct bij de mouwen en dan sleept die m'n vader gewoon mee.” De andere persoon waarover [getuige 1] heeft verklaard, is door hem herkend op foto ‘subject 3’ als [medeverdachte 5]: “Die jongen heb ik al vaker bij m'n vader over de vloer gezien, ook al zoals eerder aangeven, sowieso één keer met hesje van No Surrender. Want hij is diegene waarmee ik toen die .. waar ik toen dat eh ... die plastictas aan heb moeten geven. Ik heb aan [medeverdachte 5] toen die plastic tas gegeven. (…) Waar hij woont, weet ik niet precies maar wel in de buurt van Beijum, daar heb ik 'm altijd gezien en hij heeft ook heel veel geluk gehad voor het hek toen de volgende ochtend, dat mijn vader ontslagen was uit het ziekenhuis.(…) Die kwam nog eventjes verhaal halen, [medeverdachte 5] kwam nog even verhaal halen. Bij m'n vader voor het huis, zeggen dat die geld moest betalen. En hij heeft gezegd dat het zeker 'bad stand' is.” Dit was op de dag dat zijn vader het ziekenhuis werd ontslagen, aldus [getuige 1] . Verderop verduidelijkt [getuige 1] dat hij niet zeker weet of deze persoon nu [naam] of [naam] heet, maar dat hij met die namen op dezelfde persoon doelt, dus [medeverdachte 5] . Anders dan de verdediging heeft bepleit, acht het hof de verklaring van [getuige 1] geloofwaardig en betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. Het betreft een concrete en gedetailleerde verklaring, die steun vindt in andere bewijsmiddelen. Dat [getuige 1] in zijn verklaring eerlijk heeft aangegeven dat hij twijfelt over de naam [medeverdachte 4] , is een omstandigheid die bij het hof juist een authentieke, oprechte indruk wekt. Dit maakt het bovendien onaannemelijk dat hij door zijn vader of anderen is beïnvloed, zoals de verdediging heeft geopperd. Ook anderszins ziet het hof geen aanleiding aan de verklaring van [getuige 1] te twijfelen. Verklaring getuige [getuige 4] : Op 28 november 2016 is [getuige 4] als getuige gehoord. Hij heeft bevestigd dat hij op 7 november 2016 is gebeld door de vader van [getuige 1] , waarna hij [getuige 1] heeft gebeld en samen met hem naar een locatie in [plaats 2] is gereden. Verklaring getuige [getuige 3] : [getuige 3] heeft op 19 december 2017 tegenover de rechter-commissaris verklaard dat [verdachte] (het hof begrijpt [verdachte] ) de toenmalige vriend van [medeverdachte 1] (het hof begrijpt: [medeverdachte 1] ) was. Volgens [getuige 3] heeft [medeverdachte 1] haar op 6 november 2016 verteld dat [benadeelde partij 1] bij haar thuis zou komen en dat hij mishandeld zou worden: “ [medeverdachte 1] heeft tegen mij gezegd dat [benadeelde partij 1] daar zou komen en dat hij mishandeld zou worden. Dat zou zondag plaatsvinden, maar uiteindelijk vond dat maandag plaats. Ik heb dit van [medeverdachte 1] bij haar thuis gehoord. Ik was daar op de avond van 6 november 2016. U houdt mij voor dat ik bij de politie heb verklaard dat ik toen tegen [medeverdachte 1] heb gezegd dat “dit problemen zou gaan opleveren en dat zij er niet mee weg konden komen als zij iemand zouden mishandelen”. Dat heb ik toen inderdaad gezegd tegen [medeverdachte 1] . U vraagt of [medeverdachte 1] namen heeft genoemd van personen die de mishandeling zouden uitvoeren. [medeverdachte 1] heeft geen namen van personen genoemd. Wel heeft zij No Surrender genoemd. U vraagt of [medeverdachte 1] heeft gezegd hoe [benadeelde partij 1] mishandeld zou worden. Nee, niet hoe. Zij heeft wel een aantal dingen genoemd, o.a. het strijkijzer. De tattoos zouden van zijn arm worden afgebrand met het strijkijzer. Er zijn wel andere dingen gezegd, maar dat van het strijkijzer is het enige wat mij is bijgebleven.” Dat [getuige 3] die dag inderdaad bij [medeverdachte 1] thuis is geweest, vindt bevestiging in het feit dat haar telefoon op 6 november 2016 rond 18:40 uur, met het wachtwoord van [medeverdachte 1] , contact heeft gemaakt met de modem in de woning van [medeverdachte 1] . Dat er contact is geweest tussen [getuige 3] en [medeverdachte 1] wordt tevens ondersteund door het (latere) Whatsappgesprek tussen [getuige 3] en [betrokkene 1] , waaruit ook kan worden afgeleid dat het plan aanvankelijk was om [benadeelde partij 1] op 6 november 2016 al te grazen te nemen, en daarnaast het Whatsappgesprek met [betrokkene 2] , waarin zij op 7 november 2016 om 14:34 uur vraagt of ze nog iets gehoord heeft over gisteren. [getuige 3] antwoordt daarop: “Ja vanavond nu, want hij was in slaap gevallen ofzo”. Dit bericht sluit aan op het bericht van [medeverdachte 1] aan [verdachte] op 6 november 2016 om 01:11 uur dat hij in slaap was gevallen en morgen komt, alsook bij de verklaring van [benadeelde partij 1] dat [medeverdachte 1] hem aanvankelijk vroeg om op 6 november 2016 te komen, maar hij niet is geweest. Uit het voorgaande blijkt dat [getuige 3] op 7 november 216 om 14:34 uur over informatie beschikte, waarvan de juistheid wordt bevestigd door het bericht dat [medeverdachte 1] op 6 november 2016 om 01:11 uur aan [verdachte] had gestuurd. Nu de verklaring van [getuige 3] op verschillende punten wordt ondersteund, en het hof ook overigens geen aanleiding ziet te twijfelen aan haar verklaring, gaat het hof uit van de juistheid van die verklaring. Opgenomen gesprekken: Het hof overweegt voorts dat de aangifte van [benadeelde partij 1] en de door hem gestelde betrokkenheid van verdachten, steun vindt in opgenomen OVC-gesprekken. Zo is er op 10 november 2016 een gesprek opgenomen in het clubhuis van No Surrender inhoudende: Gesprek van 10 november 2016: (p. 395) NN: Die rooie [benadeelde partij 1] (het hof begrijpt: [benadeelde partij 1] ), die heb een BS (het hof begrijpt: een bad standing) gekregen, die heeft hem gehad, nu. Die hebben we eindelijk te pakken gehad. Die was heel lang onderweg. Die hebben we afgelopen dinsdag, hebben we die heel goed te grazen gehad. NN: Die ligt helemaal in diggelen, die is helemaal in z’n nakie bij ‘t flikkerbos d’r uit gegooid. Naar huis laten lopen. Theo: Hef klap’n had NN: Ja, heel, heel, heel veel klappen heeft hij gehad. Die is helemaal total… die is echt heel erg (ntv). We zouden dus, z’n rug gaan doen, maar [naam] is een paar keer heen geweest, maar zelfs z’n vrouw en kinderen zijn nou uit/in huis. H: Mooi laten zitten. NN: deze was perfect ook, dinsdag. Zat in een huis, had ons nooit verwacht. (ntv) huissleutel. (ntv) Hij lag te slapen op de bank, (ntv) handschoenen aan - NN2: Wakker worden -NN: Hallo, wakker worden (ntv) achter in de bus gegooid. Ja, was mooi. Blijkens een proces-verbaal van stemherkenning d.d. 24 februari 2017 betreft dit een gesprek tussen [betrokkene 3] en twee andere personen, die in de schriftelijke verslaglegging van dit gesprek worden aangeduid met NN en NN2. Naar aanleiding van het afluisteren van bovengenoemde geluidsopname, herkenden verbalisanten de stem die in dit uitgewerkte gesprek van 10 november 2016 werd aangeduid als NN, als de stem van [medeverdachte 3] . Voorts houdt het rapport van het NFI d.d. 16 maart 2018 in: “De bevindingen van het vergelijkend spraakonderzoek dat heeft plaatsgevonden tussen aan verdachte (hof: [medeverdachte 3] ) toegekende delen uit het OVC-gesprek, onder meer de zin: “Die heb ee die die heb een b die heb een B.S. gekregen” (opmerking hof: zoals dat hiervoor is vermeld) en verhoren van verdachte door de politie. Conclusie: De bevindingen van het onderzoek ten aanzien van het overgelegde onderzoeksmateriaal zijn waarschijnlijker onder de hypothese dat het betwiste materiaal is geproduceerd door verdachte [medeverdachte 3] dan onder de hypothese dat het betwiste materiaal is geproduceerd door een andere mannelijke spreker met een vergelijkbare taalachtergrond dan verdachte [medeverdachte 3] . Het hof is met de rechtbank en de advocaat-generaal van oordeel dat op grond van het voorgaande met een aan zekerheid grenzende mate van waarschijnlijkheid is vast te stellen dat de persoon die de voor het bewijs gebezigde passages uitspreekt, verdachte [medeverdachte 3] is. In dit kader is van belang dat een aantal van de door de deskundige genoemde specifieke, identificerende aspecten juist die onderdelen betreft die voor de bewijsvoering relevant zijn, zoals de geconstateerde redelijk hoge mate van niet-vloeiende spraak, die onder meer tijdens de opnames terugkomt in passages als “Die heb ee die die heb een b die heb een B.S. gekregen”. Vervolgens is nog een ander gesprek van belang, te weten een gesprek tussen [verdachte] (aangeduid als A) en [betrokkene 4] (aangeduid als F), dat op 13 januari 2017 in de PI de Marwei te Leeuwarden is opgenomen. Hierin wordt onder andere besproken: (p. 355) F: Nee.. dat is gewoon kloten. (Onverstaanbare zin). (Lacht). Dus alleen [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] moeten doen. Dat ga ik dan regelen. A: (Onverstaanbaar woordje) advocaat. [medeverdachte 5] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] zaten in die bus. F: [medeverdachte 2] moet ook... A: Ze moeten slikken broer, ze moeten... F: Om de rest vrijuit te krijgen. A: Ja, ze moeten slikken. F: Ik ga kijken of dat kan. A: Ja. F: Ik zal kijken of dat mogelijk is ik snap het wel. A: Want dat zei ik toen gelijk al, ik zeg jullie hebben deze fout gemaakt dus jullie moeten zoek het maar uit. Ten slotte is het op 29 maart 2017 in de PI opgenomen gesprek tussen [medeverdachte 2] en zijn moeder van belang, waarvan de advocaten-generaal terecht hebben opgemerkt dat uit de context kan worden afgeleid dat het over [verdachte] gaat. Dit gesprek houdt in: “(…) 00:15:00 (…) V: Denk jij dat? G: Nou jah weet je ik heb zoiets van, hoezo moeten wij gaan slikken weet je. V: Huhum. G: Waarom moeten wij gaan slikken, alle bewijs die leidt direct naar hem toe. Weet je dus d'r is bewijs van. . Z: Hij was jah haantje de voorste. G: Hij had handschoenen .. V: Ja. G: Hij heeft handschoenen aangehad ... V: Hm. G: .. met van die rubberen noppen ... V: Ja. G: .. . eh daar is bloed van [benadeelde partij 1] op gevonden en zijn DNA is in die handschoen gevonden. (…) Overig bewijs: De auto van [benadeelde partij 1] is door de politie voor de woning van [medeverdachte 1] aangetroffen. De auto is weggesleept, waarover door [medeverdachte 1] en [verdachte] telefonisch is gesproken. Ook dit telefoongesprek komt hieronder nog aan de orde. De kleding van [benadeelde partij 1] is in de buurt van de woning waar hij heeft aangeklopt, aangetroffen. Ook dit strookt met zijn aangifte. Voorts is van belang dat getuige [getuige 5] , de toenmalige vriendin van [verdachte] , heeft bevestigd dat [verdachte] in een Renault Megane rijdt, die op naam staat van [medeverdachte 3] . [getuige 5]