GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer : Wahv 200.280.737/01 CJIB-nummer : 216585089 Uitspraak d.d. : 21 december 2021 Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant van 25 april 2019, betreffende [de betrokkene] (hierna: de betrokkene), wonende te [woonplaats] . De gemachtigde van de betrokkene is F.P.B. Waals, kantoorhoudende te Enschede. De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen. Het verloop van de procedure De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. De beoordeling
- De gemachtigde van de betrokkene voert in de eerste plaats aan dat de officier van justitie zijn informatieplicht heeft geschonden. Hoewel de officier van justitie over een bruikbare foto beschikte, is deze niet aan de gemachtigde verstrekt. Om die reden had de kantonrechter de beslissing van de officier van justitie moeten vernietigen, aldus de gemachtigde.
- Uit het verslag van de hoorzitting op 23 oktober 2018 blijkt dat de gemachtigde heeft gevraagd om een ‘leesbare versie van foto 3’, aangezien het kenteken op die foto niet leesbaar is.
- Het hof stelt vast dat zich in het dossier drie foto’s bevinden, die samen met andere zaakstukken aan de gemachtigde zijn toegestuurd. Op de foto met bijschrift ‘foto 3’ is een voertuig zichtbaar, waarvan het kenteken niet leesbaar is. De officier van justitie heeft in zijn beslissing op het beroep excuses aangeboden voor de slechte kwaliteit van de foto en overwogen dat ‘op het scherm wel duidelijk is te zien dat het kenteken op het voertuig overeenkomt met het in de beschikking genoemde kenteken’. Nu de officier van justitie kennelijk over een foto met een goed leesbaar kenteken beschikte, had hij deze foto in een acceptabele beeldkwaliteit aan de gemachtigde moeten verstrekken en in het dossier moeten voegen. Nu dit is nagelaten, is de informatieplicht daarom geschonden, zodat de beslissing van de officier van justitie geen stand kan houden. Het voorgaande brengt mee dat het hof de beslissing van de kantonrechter zal vernietigen, het beroep gegrond zal verklaren en de beslissing van de officier van justitie zal vernietigen.
- De overige bezwaren van de gemachtigde richten zich tegen de inleidende beschikking, waarbij de betrokkene, als kentekenhouder, een sanctie is opgelegd van € 95,- voor: “parkeren in strijd met parkeerverbod/parkeerverbodszone (bord E1)”. Deze gedraging zou op 6 mei 2018 om 14:33 uur zijn verricht op de Roosje Vosstraat in Eindhoven met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
- Volgens de gemachtigde stelt de betrokkene dat bij het inrijden van de wijk en/of straat geen zichtbare bebording aanwezig was. De ambtenaar heeft niet expliciet gesteld dat hij de bebording heeft gecontroleerd en van de foto’s in het dossier blijkt niet wanneer deze zijn gemaakt.
- In een aanvullend proces-verbaal van 22 augustus 2018 heeft de ambtenaar die de sanctie heeft opgelegd onder meer het volgende verklaard:“In een groot deel van deze wijk, de Limbeek, geldt een parkeerverbodzone, bord E
- Deze bebording staat op de 2 toegangspunten in de wijk, Zernikestraat/Roosje Vosstraat, zie hiervoor foto
- En Boschdijk Roosje Vosstraat, zie foto
- Dit zijn de enige toegangspunten om de wijk in te rijden waar het parkeerverbod geldt. De Roosje Vosstraat maakt deel uit van deze parkeerverbodszone.” Bij het proces-verbaal is een aantal foto’s gevoegd waarop borden E1 (parkeerverbodszone) zichtbaar zijn.
- In zijn algemeenheid mag bij constateringen als deze, waarbij de ambtenaar die de sanctie heeft opgelegd zelf ter plaatse aanwezig is geweest, worden aangenomen dat hij of zij heeft vastgesteld dat de relevante bebording aanwezig en duidelijk zichtbaar is (vgl. het arrest van het hof van 28 februari 2020, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2020:1803). Het hof ziet in de enkele stelling van de gemachtigde dat bebording ontbrak geen aanleiding om in dit geval anders te oordelen, te meer nu de ambtenaar uitgebreid en met foto’s heeft onderbouwd en toegelicht waar de bebording zich bevindt. Daar komt bij dat de gemachtigde niet heeft aangegeven op welke door de betrokkene gevolgde route naar de zone een bord heeft ontbroken. Het verweer treft geen doel. Het beroep tegen de inleidende beschikking wordt dan ook ongegrond verklaard.
- Tot slot heeft de gemachtigde gesteld dat de officier van justitie een dwangsom aan de betrokkene is verschuldigd wegens niet tijdig beslissen.
- Uit het dossier blijkt dat de inleidende beschikking op 14 mei 2018 aan de betrokkene is toegestuurd. Gelet hierop eindigde de beslistermijn op 15 oktober
- Bij brief van 25 september 2018 heeft de officier van justitie de gemachtigde de door hem verzochte gelegenheid gegeven om de beroepsgronden aan te vullen, hetzij schriftelijk binnen vier weken, hetzij op de hoorzitting van 23 oktober
- Een redelijke uitleg van artikel 7:24 van de Algemene wet bestuursrecht brengt mee dat daarmee de beslistermijn wordt opgeschort tot het moment waarop de gronden zijn ingediend dan wel de termijn ongebruikt is verstreken (vgl. het arrest van het hof van 28 oktober 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:8783). De gemachtigde heeft de gronden op de hoorzitting aangevuld. Dat brengt mee dat de beslistermijn met vier weken is verlengd tot 12 november
- De ingebrekestelling van de gemachtigde, ontvangen op 17 oktober 2018, is prematuur. Reeds daarom is de officier van justitie geen dwangsom verschuldigd.
- Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786). De beslissing Het gerechtshof: vernietigt de beslissing van de kantonrechter; verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing; verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond; wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af; wijst het verzoek om vast te stellen dat de officier van justitie een dwangsom is verschuldigd af. Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Huizenga als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.