GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.291.310 (zaaknummers rechtbank Gelderland 369628 en 374346) beschikking van 21 december 2021 inzake [verzoeker] , wonende te [woonplaats1] ,verzoeker in hoger beroep, verder te noemen: de man, advocaat: mr. M. Broersma te Putten, en [verweerster] , wonende te [woonplaats2] , verweerster in hoger beroep, verder te noemen: de vrouw, advocaat: mr. W.H. Teusink te Wezep. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 4 december 2020, uitgesproken onder voormelde zaaknummers (hierna: de bestreden beschikking). 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: het beroepschrift met producties, ingekomen op 3 maart 2021; het verweerschrift met productie; een journaalbericht van mr. Broersma van 25 maart 2021 met producties; een journaalbericht van mr. Teusink van 2 november 2021 met productie; een journaalbericht namens mr. Broersma van 5 november 2021 met het verzoek om een begeleider van de vader aanwezig te laten zijn bij de mondelinge behandeling. Het hof heeft dit verzoek afgewezen. 2.2 De mondelinge behandeling heeft op 9 november 2021 plaatsgevonden. Hierbij waren aanwezig: de vader, bijgestaan door mr. R.P. Adema, waarnemer voor mr. Broersma; de moeder, bijgestaan door haar advocaat; een tolk in de Syrische taal voor beide partijen; [naam1] namens de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad). Mr. Teusink heeft een pleitnotitie overgelegd, die hij deels heeft ingetrokken en deels heeft voorgedragen. 3De feiten De man en de vrouw zijn [in] 2013 in [plaats] , Jordanië met elkaar gehuwd. Het huwelijk van de partijen is [in] 2021 ontbonden door inschrijving van de (in zoverre onbestreden) echtscheidingsbeschikking van 4 december 2020 in de registers van de burgerlijke stand. 4De omvang van het geschil 4.1 Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de zorg- en opvoedingstaken over de kinderen aldus verdeeld dat zij één keer per maand begeleid contact hebben met de vader (zonder overnachting) en dat zij één keer per maand telefonisch contact hebben met de vader. De rechtbank heeft verder de vader veroordeeld om binnen veertien dagen na betekening van de bestreden beschikking een bedrag van € 6.244,- aan uitgestelde bruidsgave aan de moeder te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente indien de vader niet binnen de gestelde termijn tot betaling overgaat. 4.2 De vader is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De grieven zien op de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (de zorgregeling, grief I) en de bruidsgave (grief II). De vader verzoekt het hof de bestreden beschikking deels te vernietigen en, opnieuw beschikkende: de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken aldus vast te stellen dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] elk weekeinde op zaterdag en zondag bij de vader zijn en gedurende de helft van de vakanties en feestdagen, althans een regeling vast te stellen die het hof juist acht; de vader te veroordelen om als uitgestelde bruidsgave 500.000,- Syrische pond, omgerekend naar euro’s conform de wisselkoers op de dag van betaling, aan de moeder te betalen; met compensatie van de proceskosten tussen partijen. 4.3 De moeder voert verweer en verzoekt het hof primair de bestreden beschikking te bekrachtigen en het hoger beroep van de vader af te wijzen, subsidiair een zorgregeling tussen de vader en de kinderen vast te stellen die het hof juist acht en te bepalen dat de vader aan de moeder uit hoofde van uitgestelde bruidsgave € 6.244,- verschuldigd is, te vermeerderen met de wettelijke rente en incassokosten vanaf 18 december 2020, althans vanaf de datum die het hof juist acht, kosten rechtens. 4.4 Deze beschikking ziet op de bruidsgave (zaaknummer rechtbank 374346). Het geschil over de verdeling van de zorg- en opvoedingszaken (zaaknummer rechtbank 369628) is bij het hof geregistreerd onder zaaknummer 200.291.309. Het hof heeft in die procedure op 23 november 2021 een tussenbeschikking gegeven. 5De motivering van de beslissing 5.1 De man heeft de Nederlandse nationaliteit. In de Basisregistratie Personen staat vermeld dat de vrouw de Syrische nationaliteit heeft. Op de verblijfsvergunning van de vrouw staat dat haar nationaliteit onbekend is. 5.2 Het voorliggende verzoek is een nevenverzoek bij echtscheiding. Partijen hadden ten tijde van de indiening van het echtscheidingsverzoek hun gewone verblijfplaats in Nederland, zodat de Nederlandse rechter gelet op artikel 3 lid 1 sub a van de Verordening (EG) nr. 2201/2003 van 27 november 2003 (Brussel II-bis) bevoegd is ten aanzien van de echtscheiding. Het hof merkt het verzoek met betrekking tot de bruidsgave aan als een zaak betreffende het huwelijksvermogensstelsel die met het echtscheidingsverzoek verband houdt. Gelet op artikel 5 lid 1 van de Verordening (EU) 2016/1103 tot uitvoering van de nauwere samenwerking op het gebied van de bevoegdheid, het toepasselijke recht en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen op het gebied van huwelijksvermogensstelsels (Verordening huwelijksvermogensstelsels) is de Nederlandse rechter bevoegd daarvan kennis te nemen. 5.3 De rechtbank heeft ten aanzien van de echtscheiding en het huurrecht overwogen dat Nederlands recht van toepassing is. Voor de overige verzoeken die aan de rechtbank voorlagen, heeft de rechtbank niet expliciet beoordeeld welk recht van toepassing is. Het hof neemt aan dat de rechtbank Nederlands recht heeft toegepast. Nu in hoger beroep niet is aangevoerd dat buitenlands recht van toepassing is, zal ook het hof hiervan uitgaan. 5.4 Tussen partijen is niet in geschil dat zij twee huwelijksovereenkomsten hebben gesloten waarin afspraken over een bruidsgave zijn opgenomen. Op 28 februari 2013 is in een Syrische akte een direct betaalde bruidsgave van 100.000,- Syrische pond en een uitgestelde bruidsgave van 500.000,- Syrische pond vermeld. Op 16 april 2013 is in een Jordaanse akte een directe bruidsgave van 1.000 Jordaanse dinar en een uitgestelde bruidsgave van 5.000 Jordaanse dinar vermeld. Tussen partijen is in hoger beroep ook niet in geschil dat de man gehouden is één van de uitgestelde bruidsgaven alsnog in het geheel aan de vrouw te voldoen. 5.5 Het verzoek van de vrouw komt neer op een verzoek tot nakoming van de Jordaanse akte. De man voert echter aan dat die akte geen afdwingbare verplichting tot betaling van de uitgestelde bruidsgave van 5.000 Jordaanse dinar meebrengt. Volgens de man was het de bedoeling van partijen om een huwelijksakte op te maken die in Jordanië kon worden ingeschreven, terwijl tussen partijen onderling de afspraken over de bruidsgave uit de Syrische akte bleven gelden. Het hof gaat niet mee in deze door de man aan de akte gegeven uitleg. De tekst van de akte vermeldt over de bruidsgave het volgende (vertaald naar het Engels): ‘Dowry: Immediate:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.