GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummers gerechtshof 200.300.105 en 200.300.215 (zaaknummers rechtbank Midden-Nederland 517387, 517442, 518440 en 518442) beschikking van 23 december 2021 inzake in zaaknummer 200.300.105 [verzoeker zaak1/belanghebbende zaak2] , wonende te [woonplaats1] ,verzoeker in hoger beroep, verder te noemen: de vader, advocaat: mr. M. van Harskamp uit Utrecht, en de gecertificeerde instelling Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering, gevestigd in Utrecht, verweerster in hoger beroep, verder te noemen: de GI. Als overige belanghebbende is aangemerkt: [belanghebbende zaak1/verzoekster zaak2] , wonende te [woonplaats2] , verder te noemen: de moeder, advocaat: mr. M. Cortet uit Utrecht. in zaaknummer 200.300.215 [belanghebbende zaak1/verzoekster zaak2] , wonende te [woonplaats2] , verzoekster in hoger beroep, verder te noemen: de moeder, advocaat: mr. M. Cortet uit Utrecht, en de gecertificeerde instelling stichting Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering, gevestigd in Utrecht. Als overige belanghebbende is aangemerkt: [verzoeker zaak1/belanghebbende zaak2] , wonende te [woonplaats1] , verder te noemen: de vader, advocaat: mr. M. van Harskamp te Utrecht. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 15 juni 2021, uitgesproken onder voormelde zaaknummers. 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: in zaaknummer 200.300.105 - het beroepschrift met producties, ingekomen op 9 september 2021; - het verweerschrift met producties; in zaaknummer 200.300.215 - het beroepschrift met producties, ingekomen op 15 september 2021; - het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep met producties. 2.2 De mondelinge behandeling heeft op 25 november 2021 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:- de vader met zijn advocaat;- de moeder met haar advocaat;- [naam1] namens de GI;- [naam2] namens de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad). 3De feiten 3.1 Uit het door echtscheiding ontbonden huwelijk van de ouders zijn geboren: - [de minderjarige1] , [in] 2012 in [woonplaats1] (verder: [de minderjarige1] ); - [de minderjarige2] , [in] 2014 in [woonplaats1] (verder: [de minderjarige2] ), en - [de minderjarige3] , [in] 2017 in [woonplaats1] (verder: [de minderjarige3] ). Het geschil gaat over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . De ouders hebben gezamenlijk het gezag over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . 3.2 Bij beschikking van 22 juli 2013 heeft de kinderrechter [de minderjarige1] onder toezicht gesteld van de toenmalige GI (SAVE) tot 22 juli 2014. De termijn van de ondertoezichtstelling is nadien steeds verlengd, laatstelijk bij de beschikking van 1 juni 2021 tot 3 juni 2022. 3.3 Bij beschikking van 3 februari 2015 heeft de rechtbank [de minderjarige2] onder toezicht gesteld van de toenmalige GI tot 3 december 2015. De ondertoezichtstelling is nadien steeds verlengd, laatstelijk bij de beschikking van 1 juni 2021 tot 3 juni 2022. 3.4 Sinds 22 juli 2016 is de huidige GI betrokken. Bij beschikking van 5 juni 2018 heeft de kinderrechter de GI gemachtigd [de minderjarige1] en [de minderjarige2] uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg, vanaf 5 juni 2018 tot uiterlijk 3 juni 2019, welke plaatsing nadien steeds is verlengd, laatstelijk bij beschikking van 10 juni 2020 tot 3 juni 2021. 3.5 De GI heeft op 6 januari 2021 een perspectiefbesluit genomen. De GI heeft besloten dat het opvoedperspectief van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] bij het pleeggezin ligt omdat er onvoldoende groei heeft plaatsgevonden in de opvoedsituatie en opvoedvaardigheden van de moeder. 3.6 In het kader van de ondertoezichtstelling heeft de GI op 2 februari 2021 een schriftelijke aanwijzing gegeven aan de moeder, over de omgang met [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . In die schriftelijke aanwijzing staat onder meer het volgende: "De omgang zal éénmaal per 4 weken, voor de duur van 2 uur, plaatsvinden op het kantoor van [naam3] [adres] , [plaats] : - Woensdag 24 februari 2021 van 14:30-16:30 - Woensdag 24 maart 2021 van 14:30-16:30 - Woensdag 21 april 2021 van 14:30-16:30 - Woensdag 19 mei 2021 van 14:30-16:30 Afspraken voor u als ouder tijdens de omgang: -U spreekt niet met de kinderen over uw eigen problemen of volwassenzaken. -U spreekt niet tijdens de omgang over thuis plaatsen van de kinderen of de wens dat de kinderen thuis komen wonen. -U spreekt tijdens de omgang niet negatief over de andere ouder, de pleegouders of de hulpverlening. -U laat uiterlijk 2 dagen aan te voren weten aan de omgangsbegeleider als een omgang niet door kan, wanneer verplaatsen voor alle partijen niet lukt zal het bezoek komen te vervallen. Dit bezoek kan dan niet worden opgevuld door een andere ouder. -U bent op tijd aanwezig voor het bezoek conform de afspraken van [naam3] (voor- en nabespreking van het bezoek). Het bezoek eindigt op de aangegeven tijd, ook als u later arriveert. -U neemt maximaal één cadeau per kind mee naar de omgang. Kleding en andere spullen vallen ook onder cadeaus. De omgangsregeling geldt voor de duur van de OTS derhalve tot 3 juni 2021. Na afloop van deze duur zal het verloop van de omgangsregeling worden geëvalueerd. U ontvangt hiervoor een uitnodiging.” 3.7 In het kader van de ondertoezichtstelling heeft de GI op 23 februari 2021 ook een schriftelijke aanwijzing gegeven aan de vader over de omgang met [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . In die schriftelijke aanwijzing is het volgende opgenomen: “De omgang zal éénmaal per 6 weken, één (uur), begeleid door een medewerker van [naam3] , plaatsvinden op het kantoor van [naam3] [adres] , [plaats] : -5 februari 2021 van 14:30-15:30 (heeft reeds plaatsgevonden) -19 maart 2021 (van 14:30-15:30) U wordt om 14:15 uur verwacht voor de voorbespreking en tot 15:45 uur, voor de nabespreking. Voorwaarden voor u als ouder tijdens de omgang: -U spreekt niet met de kinderen over uw eigen problemen of volwassenzaken. -U spreekt niet tijdens de omgang over thuis plaatsen van de kinderen of de wens dat de kinderen thuis komen wonen. -U spreekt tijdens de omgang niet negatief over de andere ouder, de pleegouders of de hulpverlening. -U laat uiterlijk 2 dagen van te voren weten aan de omgangsbegeleider als een omgang niet door kan, wanneer verplaatsen voor alle partijen niet lukt zal het bezoek komen te vervallen. Dit bezoek kan dan niet worden opgevuld door een andere ouder. -U bent op tijd aanwezig voor het bezoek conform de afspraken van [naam3] . Het bezoek eindigt op de aangegeven lijd, ook als u later arriveert. -U neemt maximaal één cadeau per kind mee naar de omgang. Kleding en andere spullen vallen ook onder cadeaus. -U mag één keer per 2 omgangen een familielid mee nemen nar de omgang. Het is belangrijk dat dit 2 werkdagen van te voren wordt gecommuniceerd richting de medewerkers van [naam3] . Na elke omgang wordt de omgang geëvalueerd inzet de medewerker van [naam3] en maken zij een verslag van de omgang, deze zal naar u worden gestuurd, de jeugdbeschermer en de pleegzorgwerker. De omgangsregeling geldt voor de duur van 2 maanden derhalve tot 3 april 2021. Na afloop van deze duur zal het verloop van de omgangsregeling worden geëvalueerd. U ontvangt hiervoor een uitnodiging.” 3.8 Bij de beschikking van 1 juni 2021 heeft de rechtbank verder, voor zover hier van belang, uitvoerbaar bij voorraad, de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] in een voorziening voor pleegzorg verlengd voor de duur van twee weken, tot uiterlijk 17 juni 2021, en het overige deel van het verzoek van de GI aangehouden. 3.9 Bij beschikking van 15 juni 2021 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, uitvoerbaar bij voorraad, de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] in het pleeggezin verlengd tot 1 september 2021 en het overige deel van het verzoek van de GI aangehouden. 3.10 Bij beschikking van 13 juli 2021 heeft de rechtbank de GI toestemming verleend tot wijziging van het verblijf van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] naar een voorziening voor 24-uurs pleegzorg van [naam4] . 3.10 Bij de beschikking van 31 augustus 2021 heeft de kinderrechter, uitvoerbaar bij voorraad, de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 3 juni 2022. 3.11 [de minderjarige1] en [de minderjarige2] zijn op 14 juni 2018 geplaatst in het pleeggezin van de heer en mevrouw [het pleeggezin] . [in] 2021 is de pleegmoeder overleden. Op 27 juli 2021 zijn [de minderjarige1] en [de minderjarige2] verhuisd naar het huidige pleeggezin. 4De omvang van het geschil in zaaknummer 200.300.105 4.1 De vader is met zes grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van 15 juni 2021 met zaaknummers 5518440 (schriftelijke aanwijzing) en 518442 (geschillenbeslechting). Met de grieven beoogt hij het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. De vader verzoekt het hof om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I de beschikking van 15 juni 2021 te vernietigen en zijn verzoeken in eerste aanleg alsnog toe te wijzen; II voor het geval het hof zich onvoldoende geïnformeerd acht om een beslissing te nemen: een onderzoek te gelasten door een onafhankelijke deskundige, bijvoorbeeld het NIFP, althans een onafhankelijke deskundige als het hof juist acht, op grond van artikel 810a lid 2 Wetboek van Rechtsvordering (Rv) teneinde de mogelijkheid tot terugplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] bij de vader te beoordelen/onderzoeken. 4.2 De GI voert verweer. Zij vraagt het hof de beschikking van 15 juni 2021 met zaaknummers 5518440 (schriftelijke aanwijzing) en 518442 (geschillenbeslechting) te bekrachtigen en de verzoeken in hoger beroep van de vader niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen. in zaaknummer 200.300.215 4.3 De moeder is met drie grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van 15 juni 2021 met zaaknummers 517387 (schriftelijke aanwijzing) en 517442 (geschillenbeslechting). De moeder verzoekt het hof om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: - de beschikking van 15 juni 2021 met zaaknummer 517387 (schriftelijke aanwijzing) te vernietigen en alsnog haar verzoeken in eerste aanleg toe te wijzen, althans een beslissing te nemen als het hof juist acht; - een onderzoek te gelasten door een onafhankelijke deskundige op grond van artikel 810a lid 2 Rv, zijnde het NIFP dan wel een soortgelijke instantie, die wordt belast met het doen van een onderzoek naar de opvoedvaardigheden van de moeder en de mogelijkheden tot terugplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] bij de moeder althans een beslissing te nemen als het hof juist acht. 4.4 De GI voert verweer en vraagt het hof de beschikking van 15 juni 2021 met zaaknummers 517387 (schriftelijke aanwijzing) en 517442 (geschillenbeslechting) te bekrachtigen en de verzoeken in hoger beroep van de moeder niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen. 5De motivering van de beslissing in beide zaaknummers 5.1 Beide ouders hebben in hoger beroep het hof verzocht om de, op ieder van hen betrekking hebbende, bestreden beschikkingen van 15 juni 2021 te vernietigen en hun verzoeken in eerste aanleg alsnog toe te wijzen. 5.2 De vader had in eerste aanleg, na wijziging van zijn verzoeken op 1 april 2021, samengevat, aan de rechtbank verzocht:1. de schriftelijke aanwijzing van 23 februari 2021 vervallen te verklaren; 2. primair: te bepalen dat [de minderjarige2] en [de minderjarige1] direct worden teruggeplaatst bij hem, dan welsubsidiair: te bepalen dat stapsgewijs wordt teruggewerkt naar terugplaatsing van de kinderen bij hem, in die zin dat zij uiterlijk voor de zomervakantie van 2021 bij hem wonen;meer subsidiair: te bepalen dat: a. de omgang wordt opgebouwd (met verwijzing naar punt 7 van het verzoekschrift) dan wel dat de rechtbank een regeling vastlegt; b. de GI de resterende periode van de ondertoezichtstelling onderzoek doet of laat doen naar de mogelijkheden van (gedeeltelijke) terugplaatsing van de kinderen bij de vader. 5.3 De moeder had in eerste aanleg, samengevat, aan de rechtbank verzocht: 1. de schriftelijke aanwijzing van 2 februari 2021 vervallen te verklaren en de volgende regeling tussen de moeder en [de minderjarige1] en [de minderjarige2] te bepalen: de moeder en de kinderen zien elkaar iedere woensdag van 13.30 uur tot 19.00 uur bij de moeder thuis, welke regeling wordt uitgebreid binnen drie maanden richting terugplaatsing, althans een regeling vast te stellen die de rechtbank juist acht; 2. te bepalen dat de intensieve opvoedondersteuning van [naam3] moet worden voortgezet; 3. subsidiair: de raad opdracht te geven tot onderzoek naar het perspectief van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . 5.4 De rechtbank heeft de verzoeken van de ouders afgewezen. schriftelijke aanwijzing 5.5 Beide ouders zijn het er, in de eerste plaats, niet mee eens dat de rechtbank hun verzoeken tot vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzingen, van 2 respectievelijk 23 februari 2021, heeft afgewezen. Die schriftelijke aanwijzingen hebben betrekking op de wijziging/beperking van de omgangsregeling tussen de ouders en de kinderen. De vader voert in zijn vijfde grief aan dat de omgang los staat van de vraag waar de kinderen opgroeien. Hij benadrukt dat de band tussen hem en de kinderen moet worden verstevigd, waarbij hij tevens verwijst naar de Marokkaanse tradities van de familie. De omgang moet dus worden uitgebreid, aldus de vader. De moeder betwist, in haar tweede en derde grief, dat de kinderen de omgang belastend vinden. Zij wil dat wordt onderzocht waar het (opstandige) gedrag van de kinderen vandaan komt. Ze betwist de uitkomsten van de zogenoemde CHOP-list. Ze benadrukt dat het juist in het belang van de kinderen (en van hun broertje [de minderjarige3] ) is dat er substantieel (het hof begrijpt: meer) contact is. Ook zij wil dus uitbreiding van de contacten tussen haar en de kinderen. 5.6 De wet zegt het volgende over schriftelijke aanwijzingen: Op grond van artikel 1:263 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de GI ter uitvoering van haar taak een schriftelijke aanwijzing geven die gaat over de verzorging en opvoeding van de minderjarige. Zij kan dit doen indien de met het gezag belaste ouder of de minderjarige niet instemmen met, dan wel niet of onvoldoende medewerking verlenen aan de uitvoering van het plan, bedoeld in artikel 4.1.3, eerste lid, van de Jeugdwet of indien dit nodig is om de concrete bedreigingen in de ontwikkeling van de minderjarige weg te nemen. 5.7 In artikel 1:264 BW staat dat de kinderrechter op verzoek van een met het gezag belaste ouder of de minderjarige van twaalf jaar of ouder een schriftelijke aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen kan verklaren. 5.8 Hoger beroep tegen beslissingen van de rechtbank die betrekking hebben op vervallenverklaringen van schriftelijke aanwijzingen is echter (op een uitzondering
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.