GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN locatie Arnhem nummers 19/00443 t/m 19/00447 uitspraakdatum: 21 december 2021 Uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [belanghebbende] B.V. te [vestigingsplaats] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 7 maart 2019, nummers AWB 18/499 t/m 18/503, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale administratieve processen (hierna: de Inspecteur) en de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid; hierna: de Minister). 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. Belanghebbende heeft op aangiften bedragen aan belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm) voldaan. 1.2. De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de bezwaren ongegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard en een verzoek om vergoeding van immateriële schade afgewezen. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. Belanghebbende heeft een nader stuk ingediend. 1.6. Het onderzoek ter zitting van de elfde enkelvoudige belastingkamer heeft via beeldbellen plaatsgevonden op 13 april 2021. Namens belanghebbende is A.F.M.J. Verhoeven verschenen, bijgestaan door J.A. Cardol. Van de zijde van de Inspecteur is Inspecteur [naam1] verschenen, bijgestaan door [naam2] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan partijen is verzonden. 1.7. Het onderzoek is ter zitting van 13 april 2021 gesloten. Het Hof heeft het onderzoek nadien op grond van artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heropend, om de Inspecteur de gelegenheid te bieden nadere informatie met betrekking tot de kentekengegevens en berekeningen aan het Hof te verstrekken. Belanghebbende heeft schriftelijk op deze inlichtingen gereageerd. De zaak is vervolgens met toepassing van artikel 8:10a, derde lid, Awb verwezen naar de meervoudige kamer. 1.8. Het tweede onderzoek ter zitting, van de vierde meervoudige belastingkamer, heeft op 29 juni 2021 via beeldbellen plaatsgevonden. Daarbij zijn verschenen en gehoord als gemachtigde van belanghebbende A.F.M.J. Verhoeven (hierna: gemachtigde) bijgestaan door J.A. Cardol. Namens de Inspecteur is verschenen [naam1] , bijgestaan door [naam3] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht. 2Vaststaande feiten 2.1 Belanghebbende heeft in België vijf gebruikte auto’s van de merken en types Audi A1 Sportback, Renault Captur, Ford Fiësta, Ford B-Max en Volkswagen Touran gekocht (hierna tezamen: de auto’s). 2.2 Belanghebbende heeft de auto’s doen overbrengen naar Nederland en laten registreren in het Nederlandse kentekenregister. In verband hiermee heeft belanghebbende bpm op aangiften voldaan. De relevante gegevens van de auto’s luiden als volgt: Auto merk type kenteken datum eerste toelating datum aangifte tenaamstelling 1 Audi A1 Sportback [kenteken1] 10 april 2015 8 maart 2017 1 mei 2017 2 Renault Captur [kenteken2] 3 oktober 2016 14 maart 2017 26 april 2017 3 Ford Fiësta [kenteken3] 8 oktober 2012 20 maart 2017 14 november 2017 4 Ford B-Max [kenteken4] 29 februari 2016 28 maart 2017 17 februari 2018 5 Volkswagen Touran [kenteken5] 4 juni 2014 4 april 2017 9 juni 2017 2.3 In taxatierapporten bij de aangiften zijn de handelsinkoopwaarden van de auto’s 1, 2, 4 en 5 in onbeschadigde staat bepaald aan de hand van (de gemiddelde waarde van) referentieauto’s, waarop vervolgens 100% van de gecalculeerde herstelkosten als schade in mindering is gebracht. Omdat deze methodiek bij auto 3 tot een negatieve handelsinkoopwaarde zou leiden, is de handelsinkoopwaarde van die auto door de taxateur op € 750 gesteld. De gegevens van de taxatierapporten zijn als volgt (bedragen in €): Bruto bpm Historische nieuwprijs 80% gemiddelde vraagprijs referentievoertuigen 100% schade Handelsinkoop-waarde Bpm aangifte Auto 1 1.702 29.333 16.834 14.736 2.098 121 Auto 2 4.173 25.875 19.034 16.751 2.283 368 Auto 3 5.564 18.545 8.260 10.919 750 224 Auto 4 3.504 19.510 12.743 9.436 3.307 593 Auto 5 6.930 34.946 15.546 12.824 2.722 539 2.4 De door belanghebbende ingediende bezwaarschriften zijn ongegrond verklaard. 2.5 De beroepen zijn door de Rechtbank eveneens ongegrond verklaard. Het verzoek om een immateriëleschadevergoeding is afgewezen. 2.6 Belanghebbende heeft daartegen hoger beroep aangetekend. Ter zitting van de elfde enkelvoudige kamer van het Hof is onder meer aan de orde gekomen de vraag of de Inspecteur in het kader van artikel 8:42 Awb de kentekengegevens van de auto’s diende te overleggen. De Inspecteur heeft ter zitting verklaard dat hij inmiddels over de relevante kentekengegevens beschikte, alsmede dat hij aan de hand van die gegevens berekeningen heeft verricht ter zake van de verschuldigde bpm. In die berekeningen heeft hij eventuele verminderingen van de bpm vanwege alsnog toe te passen extra leeftijdskortingen alsmede door belanghebbende gevraagde tariefswijzigingen op grond van artikel 16a Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: de Wet BPM) enerzijds, afgezet tegen verhogingen van de verschuldigde BPM in verband met een beroep op ‘interne compensatie’ anderzijds. Hij heeft die gegevens en berekeningen ter zitting niet overgelegd. Het Hof heeft het onderzoek ter zitting gesloten en vervolgens, op grond van artikel 8:68 van de Awb het onderzoek heropend en de Inspecteur in een brief van 29 april 2021 kenbaar gemaakt dat het Hof gelet op de door de Inspecteur ter zitting gegeven toelichting van oordeel is dat de Inspecteur in het licht van artikel 8:42 Awb de kentekengegevens dient te verstrekken, aangezien hij daaraan conclusies heeft verbonden ten aanzien van de verschuldigde bpm. Het Hof heeft de Inspecteur tevens verzocht de inhoud van de ter zitting genoemde berekeningen over te leggen ter onderbouwing van zijn beroep op ‘interne compensatie’. 2.7 De Inspecteur heeft naar aanleiding van deze brief nadere inlichtingen verstrekt. In een stuk van 10 mei 2021 heeft hij de kentekengegevens verstrekt (zie 2.2) alsmede de volgende nadere gegevens ten aanzien van de auto’s (bedragen in €): Extra leeftijdskorting Vermindering i.v.m. artikel 16 a Wet BPM Korting 5% i.v.m. btw-referentie-auto’s Interne compensatie i.v.m. onderdeel 3.5 bijlage I (72% i.p.v. 100% schade) Auto 1 2 239 Auto 2 11 19 756 Auto 3 26 438 Auto 4 90 77 341 Auto 5 21 712 2.8 De gemachtigde heeft deze berekeningen in zijn schriftelijke reactie van 18 mei 2021 inhoudelijk niet bestreden, doch het standpunt ingenomen dat interne compensatie niet is toegestaan en dat de teveel geheven bpm met rente dient te worden vergoed. Ter zitting van de vierde meervoudige kamer op 29 juni 2021 zijn deze nadere stukken besproken. De Inspecteur heeft nader verklaard dat de vermindering in verband met artikel 16a Wet BPM bij auto 4 op € 78 dient te worden vastgesteld. 2.9 Ter zitting van de meervoudige kamer is voorts, in het kader van de zorgvuldige voorbereiding van de uitspraak op bezwaar door de Inspecteur, onder meer aan de orde gekomen de vraag welke verplichtingen voor de Inspecteur voortvloeien uit het in artikel 110 VWEU neergelegde discriminatieverbod dat meebrengt dat de heffing van bpm ter zake van een uit een andere lidstaat afkomstige gebruikte personenauto niet hoger mag zijn dan het restbedrag aan bpm dat is vervat in de waarde van een gelijksoortige gebruikte personenauto die al in het binnenland is geregistreerd. In dit verband is van belang dat de Inspecteur in een andere procedure bij brief van 22 juni 2021 onder meer de volgende inlichtingen heeft verstrekt [nummering Hof]: ‘BPM 2. 2.9.1. Het aangifteproces is als volgt. Als een auto geïmporteerd wordt, moet deze aangemeld worden bij de RDW. De RDW neemt de gegevens op. Nadat de RDW zijn opgaaf heeft gemaakt wordt een aangifte verstuurd naar de belastingdienst. In de aangifte kan aangegeven worden dat het kenteken aangevraagd wordt namens een ander of dat de ondertekenaar van de aangever de toekomstig kentekenhouder wordt. Zodra de betaling ontvangen is door de belastingdienst wordt door de belastingdienst aan de RDW een zogenaamd “fiscaal akkoord” afgegeven. Het kenteken wordt daarna verstrekt aan de importeur (aangever)/ toekomstig kentekenhouder. Pas daarna kan het kenteken “op naam gezet” worden. Dit laatste moment is het belastbaar feit voor de BPM. De belastingdienst krijgt van de RDW niet spontaan doorgegeven wanneer het kenteken op naam gezet wordt. In het aangifteproces zijn de kentekengegevens (de cijfer-letter combinatie en/of de datum van tenaamstelling) niet beschikbaar. Het belastbaar moment heeft dan ook nog niet plaats gehad. De belastingdienst registreert dan ook alles via het (volledige) VIN-nummer. Na de afwikkeling van de betaling en het fiscaal akkoord wordt de aangifte normaliter gearchiveerd. 2.9.2. Tot juli 2020 had de belastingdienst BPM de beschikking over de zogenaamde database auto. In deze database kon via het VIN-nummer het kenteken gezocht worden, waarna in dezelfde database de datum van tenaamstelling in Nederland opgezocht kon worden. Deze database is afgesloten vanwege schending van de AVG. (…) 2.9.3. Ter vervanging van de afgesloten database is toegang verkregen tot de website van de RDW. Deze site werkt zo dat eerst met het VIN nummer het kenteken opgevraagd wordt, waarna op dezelfde site de tenaamstellingsdatum in Nederland opgevraagd kan worden. Deze gegevens worden niet opgeslagen in een database of programma van de belastingdienst. De gegevens worden rechtstreeks van de website van de RDW opgevraagd. 2.9.4. Ook is het systeem HSB beschikbaar binnen de BPM. Dit systeem heeft als zoekingang het kenteken of het BSN. Vanaf het moment dat het motorrijtuig staat tenaamgesteld kan via deze weg het actuele houderschap worden geraadpleegd. Mocht het voertuig niet meer in de heffing worden betrokken, dan zijn deze voertuiggegevens niet meer in beeld. Op het BSN van de kentekenhouder verschijnt alleen de auto die op dat moment op naam staat. Zelfs in het geval de eerste kentekenhouder op het moment van opzoeken nog kentekenhouder is, ben ik er niet zeker van dat deze kentekenhouder de eerste is. Naar de aard van het probleem moeten er minimaal enkele dagen verstreken zijn tussen aangifte en registratie. In die tijd kan ook bijvoorbeeld een handelaar het kenteken op naam gehad hebben. Verder zijn er geen manieren om aan de kentekengegevens te komen. (…) MRB 2.9.5. Het heffingssysteem waar de MRB mee werkt is HSB. Het proces van heffing van MRB is een massaal proces dat geautomatiseerd verloopt. Op het moment dat een motorrijtuig wordt tenaamgesteld bij de RDW ontvangt de MRB hiervan een signaal en worden de grondslagen voor de heffing berekend. Vervolgens zal - ook geautomatiseerd - er een betaalinstructie worden gestuurd of vindt automatische incasso plaats. Zoals hierboven omschreven, is het actuele houderschap raadpleegbaar en kan worden gezocht door middel van het kenteken of BSN.’ Die inlichtingen en de reactie hierop van belanghebbende zijn met instemming van partijen tot de stukken van het geding gerekend. 3Geschil 3.1. In geschil is of: de hoogte van het geheven griffierecht en de verschuldigdheid daarvan bij aanvang van de gerechtelijke procedure in strijd is met het Unierecht, de Rechtbank en het Hof bevoegd zijn uitleg te geven aan de bepalingen van het Unierecht, sprake is van een met het Unierecht strijdig verschil in heffingsmodaliteiten ten aanzien van binnenlandse en uit het buitenland afkomstige auto's, zodat de belasting verminderd moet worden en belanghebbende in verband daarmee aanspraak kan maken op een rentevergoeding wegens de vooruitbetalingsverplichting van de bpm, de Inspecteur in bezwaar op grond van het in artikel 110 VWEU neergelegde discriminatieverbod van rechtswege verplicht is te waarborgen dat niet meer belasting wordt geheven dan op soortgelijke binnenlandse voertuigen, en in dat kader: o of op grond van artikel 16a Wet BPM recht bestaat op een vermindering van bpm wegens toepassing van het tarief van het jaar voorafgaand aan het jaar van eerste toelating (alleen auto 4), o of voor de auto’s recht bestaat op vermindering van bpm wegens extra leeftijdskorting, o of de handelsinkoopwaarde van de auto’s verminderd moet worden met een korting "ex rental" ondanks dat de auto’s geen verhuurverleden hebben, o hoe de bewijslast in dezen moet worden verdeeld, - het bepaalde in de onderdelen 3.4 en 3.5 van bijlage 1 van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: bijlage 1) in strijd is met artikel 110 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU) en daarmee onverbindend is, en in dat kader: o of bij de bepaling van de handelsinkoopwaarde rekening mag worden gehouden met de voordeligste referentieauto (zijnde een marge-auto), o of de waardevermindering als gevolg van schade moet worden gesteld op 100% (stelling belanghebbende) of 72% (stelling Inspecteur) van de gecalculeerde herstelkosten en of de Inspecteur in zoverre een beroep kan doen op ‘interne compensatie’, de Inspecteur van rechtswege en zonder een daartoe ingediend verzoek verplicht is aan belanghebbende rente te vergoeden bij vermindering van de verschuldigde bpm, belanghebbende aanspraak kan maken op een rentevergoeding over het betaalde griffierecht, belanghebbende recht heeft op (integrale) vergoeding van de kosten gemaakt in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep. 3.2. Belanghebbende stelt voorts dat zij in aanmerking komt voor een vergoeding van (im)materiële schade in verband met de overschrijding van de redelijke termijn in beroep en hoger beroep. Volgens belanghebbende moet dit verzoek door het Hof in een andere samenstelling dan de huidige zetel worden beoordeeld. 3.3. Ter zitting van het Hof van 13 april 2021 heeft de gemachtigde het standpunt dat de hoorplicht is geschonden ingetrokken. Naar aanleiding van diezelfde zitting heeft de Inspecteur de kentekengegevens van de auto’s alsnog als op de zaak betrekking hebbende stukken ingebracht, alsmede de (mede) aan de hand daarvan gemaakte berekeningen. Belanghebbende heeft zich hierover uitgelaten (zie 2.6 tot en met 2.8). Het hoger beroep kan aldus worden beslecht op basis van een compleet dossier. Het door belanghebbende opgeworpen geschilpunt over de kentekengegevens als op de zaak betrekking hebbende stukken (in de zin van artikel 8:42 Awb) behoeft daarom geen behandeling meer. 4Beoordeling van het geschil Hoogte griffierecht en verschuldigdheid bij aanvang gerechtelijke procedure 4.1. Belanghebbende heeft onder verwijzing naar onder meer het arrest Kantarev van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU) van 4 oktober 2018, ECLI:EU:C:2018:807, gesteld dat zowel de Rechtbank als het Hof te vroeg – hij moet het griffierecht voor het (hoger) beroep eerst volledig, en zonder reële mogelijkheid van vrijstelling, betalen om het onderhavige belastinggeschil door de Rechtbank respectievelijk het Hof te laten beoordelen - en te veel griffierecht heeft geheven door geen rekening te houden met de omvang van het financiële belang dat belanghebbende heeft bij het onderhavige geschil. Volgens belanghebbende kan de toegang tot de nationale rechter alleen worden gewaarborgd indien niet meer griffierecht wordt geheven dan 4% van de vordering die voorwerp is van geschil. Het Nederlandse systeem van griffierecht is volgens belanghebbende daarom in strijd met het Unierecht. Dit betoog slaagt niet op de gronden die zijn vermeld in het arrest van de Hoge Raad van 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1579. Voorts acht het Hof de van belanghebbende geheven bedragen – door de Rechtbank een griffierecht van € 338 per zaak en door het Hof een griffierecht van € 519 – in het onderhavige geval geen onoverkomelijk obstakel voor de toegang tot de rechter. Het Hof neemt daarbij in aanmerking dat gesteld noch gebleken is dat belanghebbende, gegeven zijn financiële situatie, in aanmerking komt voor vrijstelling van het verschuldigde griffierecht. De Rechtbank is kennelijk ervan uitgegaan dat het door belanghebbende bij haar ingediende beroepschrift niet ziet op vijf samenhangende besluiten als bedoeld in artikel 8:41, derde lid, Awb. Dat uitgangspunt kan niet als onjuist worden bestempeld. Weliswaar zijn de vijf uitspraken op bezwaar van de Inspecteur vervat in één geschrift, maar de ‘besluiten’ zijn niet gegrond op hetzelfde feitencomplex. Per auto is immers op basis van een individuele taxatie de afschrijving (waaronder de schade) als bedoeld in artikel 10 van de Wet BPM bepaald. Uitleg Unierecht 4.2. Belanghebbende stelt -zakelijk weergegeven- dat de Rechtbank en het Hof onbevoegd zijn om het Unierecht uit te leggen, omdat uitsluitend het HvJ EU daartoe bevoegd is. Dit betoog faalt. Op grond van vaste jurisprudentie is het de taak van de nationale rechter de volledige werking van het Unierecht te verzekeren (vgl. HvJ EU 14 september 2017, ECLI:EU:C:2017:687), terwijl de rechter in belastingzaken op grond van artikel 8:69, tweede lid, Awb ambtshalve de rechtsgronden aanvult. Daar waar aan de orde is de nationale rechter dus niet alleen bevoegd, maar ook gehouden het Unierecht te interpreteren en toe te passen. Rechtbank en Hof zijn, als niet in hoogste instantie oordelende rechterlijke instanties, op grond van artikel 267 VWEU in voorkomend geval niet gehouden een Unierechtelijk geschilpunt voor te leggen aan het HvJ EU, ook niet als het rechtsvorming zou betreffen waarover het HvJ EU (nog) niet heeft geoordeeld. De andersluidende conclusie die belanghebbende trekt uit het arrest Hans Åkerberg Fransson (HvJ EU 26 februari 2013, ECLI:EU:C:2013:105) berust op een onjuiste lezing van dat arrest. Het arrest IATA (HvJ EU 10 januari 2006, ECLI:EU:C:2006:10), waar belanghebbende zich eveneens op beroept en dat betrekking heeft op de bevoegdheid te oordelen over de (on)geldigheid van handelingen van gemeenschapsinstellingen, is niet van toepassing op het onderhavige geschil, nu een handeling van een zodanige instelling niet ter beoordeling voorligt. Vooruitbetaling bpm en vergoeding van rente 4.3. Belanghebbende stelt dat voor de onderhavige auto’s de bpm in strijd met het Unierecht is geheven omdat, anders dan bij binnenlandse motorvoertuigen, aangifte en betaling van de belasting (veel) eerder plaats (moeten) vinden dan dat van het belastbare feit (de registratie in het kentekenregister). Het Hof is van oordeel dat het niet in strijd is met het Unierecht om belastingplichtigen te verplichten een registratiebelasting te voldoen voordat de registratie plaatsvindt (vgl. HR 26 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:415). Verder is van belang dat de vraag of de Belastingdienst terecht het fiscaal akkoord niet geeft zolang de nageheven bpm voor het desbetreffende motorrijtuig niet is voldaan, niet ter beoordeling staat van de belastingrechter (zie HR 9 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:507). Voor een vergoeding van rente omdat bpm voorafgaand aan het belastbaar feit op aangifte moet worden voldaan, bestaat daarom geen aanleiding. Verplichtingen ex artikel 110 VWEU - Bewijslastverdeling 4.4. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de Inspecteur op grond van het in artikel 110 VWEU neergelegde discriminatieverbod van rechtswege verplicht is te waarborgen dat niet meer belasting wordt geheven dan op soortgelijke binnenlandse voertuigen. Daarbij betwist belanghebbende dat de stelplicht en - bij betwisting - de bewijslast ter zake van waardeverminderende factoren op haar rusten, zoals de Inspecteur onder verwijzing naar vaste jurisprudentie heeft gesteld. 4.5. Onder verwijzing naar de overwegingen 4.6 tot en met 4.9 van de uitspraak van het Hof van 12 oktober 2021, nummer 19/00439, ECLI:NL:GHARL:2021:9528, is het Hof van oordeel dat, als door een belastingplichtige in bezwaar wordt gesteld dat aanspraak kan worden gemaakt op een vermindering van de op aangifte voldane bpm, in het bijzonder wanneer daarbij gewezen wordt op het tijdsverloop tussen aangifte en tenaamstelling, de Inspecteur met behulp van de hem ter beschikking staande (objectieve) gegevens gehouden is zich ervan te vergewissen dat niet te veel bpm is geheven. Tot verdergaand zelfstandig onderzoek is de Inspecteur in beginsel niet gehouden, aangezien een redelijke verdeling van de bewijslast meebrengt dat de belastingplichtige die stelt recht te hebben op een vermindering van belasting, de daarvoor benodigde feiten moet stellen en bij betwisting aannemelijk moet maken (vgl. HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63). Het voert echter te ver om van een belastingplichtige bewijs te verlangen voor zover het objectieve gegevens betreft waarover de Inspecteur reeds de beschikking heeft, zoals de (destijds) door de Belastingdienst in de database auto verwerkte autokenmerken, waaronder de gegevens betreffende de tenaamstelling van de auto (zie 2.9.2). 4.6. Voor de beoordeling van een bezwaar tegen de op aangifte voldane bpm betekent het voorgaande dat de Inspecteur in bezwaar aan de hand van de hem ter beschikking staande gegevens zal moeten beoordelen hoeveel bpm naar zijn opvatting is verschuldigd en of aanspraak bestaat op een vermindering van de betaalde bpm. Daartoe zal hij onder meer aan de hand van de kentekengegevens van een auto moeten nagaan wanneer het belastbare feit, de tenaamstelling, zich heeft voorgedaan. Die kentekengegevens zijn daarmee op de zaak betrekking hebbende stukken in de zin van artikel 8:42 Awb. Voor zover deze beoordeling afhankelijk is van niet zonder meer voor de Inspecteur kenbare feiten zal een belastingplichtige die moeten stellen en bij betwisting aannemelijk moeten maken. In een voorkomend geval zal de Inspecteur de belastingplichtige erop moeten wijzen dat aanvullende gegevens nodig zijn onder het stellen van een redelijke termijn om de betreffende gegevens te overleggen. 4.7. Voor de toepassing van het hierboven weergegeven beoordelingskader in de onderhavige zaak zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. Belanghebbende heeft in zijn bezwaarschriften - onder de noemer van een verschil in heffingsmodaliteit - gewezen op het tijdsverloop tussen het moment van aangifte en het moment van tenaamstelling. Ter zitting van het Hof heeft de Inspecteur verklaard dat hem bekend was dat belanghebbende daarmee doelde op de opgetreden waardevermindering in de tussenliggende periode, en dat op een vermindering van de bpm wegens die lagere waarde aanspraak werd gemaakt. In hoger beroep is tussen partijen niet langer in geschil dat op grond van extra leeftijdskorting voor de auto’s respectievelijk € 2, € 11, € 26, € 90 en € 21 minder bpm is verschuldigd (zie 2.7) en dat gelet op het bepaalde in artikel 16a Wet BPM voor auto 4 een bedrag van € 78 minder bpm is verschuldigd (zie 2.8). Voorts heeft de Inspecteur in de uitspraak op bezwaar onweersproken gesteld dat het laagste tussentijds tarief reeds is toegepast. 4.8. Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur met behulp van de hem ter beschikking staande gegevens waaronder de database auto zich er in bezwaar, behoudens ter zake van de toepassing van het laagste tussentijds tarief, niet in voldoende mate van vergewist dat - in het licht van de door belanghebbende betrokken stellingen - niet te veel bpm op aangifte was voldaan. De uitspraak op bezwaar gaat in dit opzicht uit van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de stelplicht en bewijslast die op belanghebbende zou rusten, aangezien de onder 4.7 vermelde verminderingen door de Inspecteur in de regel kunnen wordt bepaald zonder dat aanvullende gegevens nodig zijn van de kant van een belastingplichtige. Het Hof verwijst voor de gronden daartoe naar zijn uitspraak van 12 oktober 2021, nummer 19/00439, ECLI:NL:GHARL:2021:9528, overwegingen 4.13 tot en met de eerste volzin van 4.15. 4.9. Op grond van het voorgaande is de uitspraak op bezwaar onvoldoende zorgvuldig voorbereid. In de bijkomende omstandigheden (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.