Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-003798-20 Uitspraak d.d.: 27 december 2021 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 12 oktober 2020 met parketnummer 16-014004-20 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedag] 1971, wonende te [woonplaats] Het hoger beroep De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Ontvankelijkheid van het hoger beroep ingesteld door het openbaar ministerie Gang van zaken In het dossier bevindt zich een akte instellen rechtsmiddel waaruit blijkt dat de officier van justitie op 22 oktober 2020 hoger beroep heeft ingesteld. Die akte is niet ondertekend door de comparant, maar er is verwezen naar een “aangehecht schrijven”. Dat betreft een e-mailbericht van 22 oktober 2020 van officier van justitie mr. C-J. Booij aan de afdeling appellen straf van de rechtbank Midden-Nederland. Het e-mailbericht was niet voorzien van een (elektronische) handtekening. Bij het e-mailbericht was niet een ondertekende bijzondere volmacht aan de griffier gevoegd. Op 4 november 2020 is de appelschriftuur ter griffie binnengekomen. Op 27 januari 2021 heeft de officier alsnog een handtekening gezet. Standpunt van het openbaar ministerie De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in het hoger beroep. Zij heeft zich daarbij beroepen op een afspraak die tussen het openbaar ministerie en de gerechtshoven is gemaakt. Die afspraak houdt in dat in het begin van de coronatijd (toen de griffies dicht waren en OM-medewerkers niet naar het werk mochten komen) mogelijk was voor het openbaar ministerie om door middel van een via de mail verstrekte machtiging aan de griffier hoger beroep in te stellen, zonder handtekening. Deze handtekening diende dan nog wel later gezet te worden. Nu de officier van justitie op 27 januari 2021 alsnog een handtekening heeft gezet, dient het ontbreken van de handtekening op de machtiging aan de griffier van 22 oktober 2020 niet te leiden tot niet-ontvankelijk van het openbaar ministerie in het appel. In dat verband heeft de advocaat-generaal nog gewezen op een uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 19 oktober 2021 (ECLI:NL:GHAMS:2021:3111). Door het hof Amsterdam werd het openbaar-ministerie niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep omdat de handtekening, die alsnog was gezet, niet de handtekening was van de officier van justitie die het hoger beroep had ingesteld. In deze zaak is dat wel het geval, aldus de advocaat-generaal. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in het hoger beroep bepleit. Hij heeft daartoe - kort gezegd- aangevoerd dat de e-mail van de officier van justitie van 20 oktober 2020 waarin hij kenbaar maakt hoger beroep te willen instellen niet kan worden aangemerkt als een geldige schriftelijke volmacht en dat het hoger beroep daarom niet op geldige wijze is ingesteld. Volgens de raadsman had deze e-mail vergezeld moeten gaan van een brief die wel als een schriftelijke volmacht kan worden beschouwd. Dat de officier van justitie na ruim drie maanden alsnog zijn handtekening heeft gezet, maakt dit niet anders nu de regels met betrekking tot het instellen van hoger beroep heel strikt zijn, aldus de raadsman. Oordeel van het hof Ingevolge artikel 450, eerste lid, aanhef en onder b, van het Wetboek van Strafvordering kan het aanwenden van de rechtsmiddelen, bedoeld in artikel 449, ook geschieden door tussenkomst van een vertegenwoordiger die daartoe persoonlijk, door degene die het rechtsmiddel aanwendt, bij bijzondere volmacht schriftelijk is gemachtigd. Deze bepaling geldt voor elke procespartij en dus ook voor de officier van justitie die door tussenkomst van een vertegenwoordiger een rechtsmiddel wil aanwenden. Niet alleen de raadsman namens de verdachte en de verdachte zelf, maar ook de officier van justitie heeft de mogelijkheid om door middel van een bijzondere volmacht een medewerker van de griffie te machtigen om hoger beroep in te stellen, zonder zelf naar het gerecht te hoeven reizen. Uit HR 22 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2654 (en eerder: HR 27 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1241 alsmede HR 10 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3253) volgt dat een e-mailbericht dat niet van een elektronische handtekening is voorzien, op zichzelf niet kan worden aangemerkt als een bijzondere schriftelijke volmacht als bedoeld in artikel 450, eerste lid, aanhef en onder b, van het Wetboek van Strafvordering. Een als bijlage bij een e-mailbericht gevoegde en daarmee binnen de appeltermijn ingekomen brief die voldoet aan de eisen die worden gesteld aan een bijzondere schriftelijke volmacht en die naar een voor het instellen van rechtsmiddelen aangewezen e-mailadres is gestuurd, geldt wel als bijzondere volmacht. De e-mail van de officier van justitie van 22 oktober 2020 was kennelijk bedoeld als bijzondere volmacht in de zin van artikel 450, eerste lid, aanhef en onder b, van het Wetboek van Strafvordering. Zoals hiervoor al is overwogen, was dit e-mailbericht -en daarmee de kennelijk als bijzondere volmacht bedoelde verklaring- niet van een elektronische handtekening voorzien. Het e-mailbericht ging ook niet vergezeld van een bijlage met een afzonderlijke, ondertekende volmacht. Het ontbreken van een handtekening is niet geheeld met de appelschriftuur, omdat deze buiten de appeltermijn ter griffie is binnengekomen. Een handtekening strekt tot waarborging van de authenticiteit van een (proces)stuk, in het bijzonder in verband met de herkomst daarvan. Artikel 450, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering biedt de mogelijkheid om een volmacht per elektronische voorziening over te dragen. Uit het Besluit digitale stukken Strafvordering blijkt de grote waarde die wordt gehecht aan de authenticiteit van digitale processtukken. In de artikelen 5 en 6 van dit besluit zijn eisen gesteld aan de elektronische voorziening en (de authenticatie van) de elektronische handtekening. Acceptatie van een niet-ondertekend e-mailbericht als geldige bijzondere volmacht zou die eisen overbodig maken. Met de eis van een (elektronische) handtekening dan wel met het niet voor gedekt houden van het gebrek op grond van de buiten de termijn voor het instellen van hoger beroep overgelegde appelschriftuur, is naar het oordeel van het hof geen sprake van onnodig formalisme. Het verlenen van een bijzondere schriftelijke volmacht is een rechtshandeling waaraan omwille van de rechtszekerheid strikte eisen moeten worden gesteld die, zoals gezegd, niet alleen gelden voor de raadsman en de verdachte maar ook voor de officier van justitie. Bovendien is er een eenvoudige mogelijkheid - ook tijdens de coronamaatregelen - om met behulp van een als bijlage bij een e-mailbericht gevoegde en ondertekende volmacht hoger beroep te laten instellen. Het hof constateert dat er naar aanleiding van de coronamaatregelen kennelijk op enig moment op enig niveau een afspraak is gemaakt tussen het openbaar ministerie en de hoven omtrent het instellen van appel door middel van het enkel sturen van een e-mail aan het hof waarin de griffier daartoe uitdrukkelijk gemachtigd wordt, en waarbij een natte handtekening in een als bijlage bij die e-mail gevoegd stuk - bedoeld als schriftelijke volmacht - mocht ontbreken. De ontbrekende handtekening kon dan op een later, niet nader gespecificeerd, moment alsnog worden gezet. Volgens het openbaar ministerie is er hierdoor sprake van opgewekt vertrouwen op grond van deze afspraak en het openbaar ministerie beroept zich op deze afspraak. Het hof is niet gebleken dat deze afspraak bekend was bij de advocatuur. Bij de raadsheren van het hof Arnhem-Leeuwarden is het bestaan van de afspraak eerst naar aanleiding van de zaak die in het arrest van het hof van 30 november 2020 (ECLI:NL:GHARL:2020:9790) aan de orde was, bekend geworden. Desgevraagd heeft de advocaat-generaal verklaard dat de afspraak nergens is vastgelegd en het hof constateert daarnaast dat niet is gebleken dat de afspraak op enige wijze openbaar is gecommuniceerd of gepubliceerd. Het hof overweegt dat - nog afgezien van de onbekendheid met de afspraak bij raadsheren en advocatuur en onduidelijkheden zoals hierboven geschetst - het hof de noodzaak voor toepassing van die afspraak in de periode waarin het hoger beroep is ingesteld -namelijk oktober 2020- niet duidelijk is geworden. Het hof betrekt bij dat oordeel het gegeven dat op het moment van het instellen van het hoger beroep in de onderhavige zaak de zwaarste beperkingen die in verband met corona door de overheid waren ingesteld, die destijds kennelijk aan die afspraak ten grondslag lagen, waren versoepeld en de gerechten en griffies inmiddels weer normaal functioneerden en ook fysiek toegankelijk waren. Er had gebruik gemaakt kunnen worden van een wel aanwezige collega officier van justitie of zelfs het per post toesturen van een schriftelijke volmacht met handtekening aan de griffier. Bovendien was er een eenvoudige mogelijkheid -ook tijdens de coronamaatregelen- om met behulp van een als bijlage bij een e-mailbericht gevoegde en ondertekende volmacht hoger beroep te laten instellen. Al met al was het naar het oordeel van het hof mogelijk om binnen de daarvoor geldende termijn op een bij de wet voorziene wijze hoger beroep in te stellen. Nu de officier van justitie dat niet heeft gedaan zal het hof de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 13 december 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. A.D. Kloosterman, naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep De meervoudige strafkamer van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht heeft bij vonnis van 12 oktober 2020, waartegen het hoger beroep is gericht, verdachte ter zake van -kort gezegd- medeplegen van poging tot moord veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaar met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen. De tenlastelegging Aan verdachte is tenlastegelegd dat: hij op of omstreeks 3 december 2018 te Utrecht, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk en (al dan niet) met voorbedachten rade van het leven te beroven, opzettelijk en (al dan niet) met voorbedachten rade met een vuurwapen een of meerdere malen (een) kogel(s) in de richting van (het hoofd/(boven)lichaam van) die [slachtoffer] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Overweging met betrekking tot het bewijs Standpunt van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van het hof gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit. Daartoe is kort en zakelijk weergegeven aangevoerd dat verdachte, gelet op de inhoud van het dossier in onderling verband en samenhang bezien, zich tezamen en in vereniging met zijn mededader schuldig heeft gemaakt aan een poging tot moord, waarbij verdachte als schutter is opgetreden en de medeverdachte als bestuurder van de auto. De advocaat-generaal heeft zich hierbij -kort gezegd- op het volgende gebaseerd: het signalement van de schutter past bij het signalement van verdachte; de herkenningen van verdachte op beelden door politiemensen en personen uit de omgeving van verdachte; de uitlating, die verdachte richting de getuige [getuige 1] doet over die beelden; het aantreffen van celmateriaal van verdachte in de VW Scirocco; en het ontbreken van een alibi. Standpunt van de verdediging De raadsman heeft ter terechtzitting van het hof vrijspraak bepleit van het tenlastegelegde wegens het ontbreken van (voldoende) wettig en overtuigend bewijs. De raadsman heeft daarbij kort en zakelijk weergegeven gewezen op aanwezigheid van een alibi bij verdachte, de onbetrouwbaarheid van de herkenningen en het ontbreken van direct bewijs. Het alibi Verdachte kan op 3 december 2018 niet in Utrecht zijn geweest omdat hij, zoals de getuigen [getuige 2] en [getuige 3] bevestigen, die dag mevrouw [getuige 2] naar het ziekenhuis heeft gebracht, overdag thuis is geweest en haar aan het eind van de dag heeft opgehaald. In hoger beroep is [getuige 8] bij de raadsheer-commissaris gehoord. Haar verklaring bevestigt het alibi van verdachte. De processen-verbaal van herkenningen De processen-verbaal van herkenning van verdachte door vijf verbalisanten kunnen niet voor het bewijs worden gebruikt. Uit het (aanvullende) deskundigenrapport blijkt dat de kwaliteit en daarmee de betrouwbaarheid van de herkenningen zwak is, omdat sprake is geweest van vooraf ontvangen sturingsinformatie. Bovendien hebben de verbalisanten geen gebruik gemaakt van het standaard proces-verbaal voor een herkenning, waardoor de betrouwbaarheid van de herkenningen niet goed kan worden beoordeeld. Primair heeft de raadsman verzocht alle processen-verbaal van herkenning niet tot het bewijs te bezigen. Subsidiair heeft de raadsman verzocht deze met méér dan de normale behoedzaamheid te hanteren en slechts te gebruiken, voor zover ze door andere bewijsmiddelen worden ondersteund. Met betrekking tot de verklaring van getuige [getuige 1] heeft de verdediging nog aangevoerd dat verdachte weliswaar tegen haar heeft gezegd dat hij op de camerabeelden van de [straatnaam 6] te zien is, maar dat hij dit overduidelijk sarcastisch heeft bedoeld. Ontbreken direct bewijs Het dossier bevat geen enkel direct bewijs voor de stelling dat verdachte de schutter is die vanuit de VW Transporter op het slachtoffer zou hebben geschoten. Er is geen DNA-materiaal van verdachte op hulzen aangetroffen, er zijn geen camerabeelden of getuigenverklaringen van de schietpartij zelf en er is geen enkel contact tussen verdachte en de medeverdachte. Het aangetroffen DNA-profiel in de (als vluchtauto aangemerkte) Volkswagen Scirocco heeft een zwakke bewijswaarde, omdat het een mengprofiel betreft. Ook blijkt uit het procesdossier niet hoe dit DNA in de Volkswagen Scirocco terecht is gekomen, waardoor ook de mogelijkheid van secundaire overdracht niet uitgesloten kan worden. Voor zover het hof aanneemt dat verdachte wel in deze auto heeft gezeten, dan heeft verdachte daarvoor een verklaring gegeven. Daar komt nog bij dat het schotrestenonderzoek op het schoonmaakdoekje en de jassen van verdachte ook niets heeft opgeleverd. Alles overziend bestaat het dossier uit speculaties en aannames, maar de directe betrokkenheid van verdachte bij het tenlastegelegde feit kan niet worden vastgesteld. Voorts is er in het dossier geen enkele link met de medeverdachte te vinden. Nu verdachte iedere betrokkenheid bij het tenlastegelegde feit ontkent, hij daarnaast een sluitend alibi heeft en er geen overig direct bewijs voor handen is, dient verdachte te worden vrijgesproken. Overwegingen hof Feiten Op 3 december 2018 reed het slachtoffer [slachtoffer] in zijn auto, een Volkswagen Polo, weg van zijn huis aan de [straatnaam 1] in Utrecht . Aan het einde van de straat zag hij links van de weg een zwarte Volkswagen (VW) Transporter (hierna verder: Transporter) geparkeerd staan. Toen hij vlakbij deze Transporter kwam, zag hij dat de Transporter rechts de straat op reed en schuin de straat blokkeerde. Hij zag dat de rechter schuifdeur van die Transporter open ging en dat er een man, verkleed als Zwarte Piet, uit de schuifdeur hing. Deze Zwarte Piet hield zich met zijn rechterhand vast aan de binnenkant van de Transporter, terwijl hij in zijn linkerhand een zwart vuurwapen had. Het slachtoffer zag dat de Zwarte Piet het wapen op hem richtte en schoot. Het slachtoffer hoorde twee knallen en reed hard achteruit weg tot hij niet verder kon vanwege een vuilniswagen. De Transporter sloeg na het schieten rechtsaf in de richting van het [straatnaam 2] . Het slachtoffer had één persoon, een Zwarte Piet, gezien. Omdat deze achterin zat toen de auto wegreed, vermoedde het slachtoffer dat er nog iemand in de Transporter zat als bestuurder. Volgens het slachtoffer had de schutter blauw-groene ogen en een tenger, smal gezicht. Door het geschminkte gezicht sprongen deze ogen er uit. Verder droeg de Zwarte Piet een zwarte muts, een soort baret, met een gele veer en een gele rand, een zwarte jas en een zwarte kort, gepofte broek, een zwarte maillot en zwart leren schoenen. Verbalisant [verbalisant] heeft camerabeelden van de [adres] bekeken. Hij zag dat de camerabeelden 34 minuten en 14 seconden achter liepen op de daadwerkelijke (atoom)tijd. Op de camerabeelden was te zien dat op 3 december 2018 te 12:07:09 (hof: in werkelijkheid dus 12:41:23) een zwarte Transporter, voorzien van het kenteken [kenteken 1] , door het beeld reed. Er was te zien dat er één
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.