GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.267.142/01 en 200.265.416/01 (zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 184845) arrest van 28 december 2021 in de zaak met zaaknummer 200.267.142 van [appellant zaak1] , handelende onder de naam [bedrijf1], wonende te [woonplaats1] , appellant in het principaal hoger beroep, geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep, bij de rechtbank: gedaagde in conventie en eiser in reconventie, hierna: [appellant zaak1], advocaten: mr. B.R.J. de Waard en mr. C.S. Groefsema, die kantoor houden in Amsterdam, tegen 1 [geïntimeerde1] , hierna: [geïntimeerde1], 2. [geïntimeerde2] , hierna: [geïntimeerde2], beiden wonende te [woonplaats2] , geïntimeerden in het principaal hoger beroep, appellanten in het incidenteel hoger beroep, bij de rechtbank: eisers in conventie en verweerders in reconventie, hierna gezamenlijk te noemen: [geïntimeerden] c.s., advocaat: mr. E.T. van Dalen, die kantoor houdt in Groningen en in de zaak met zaaknummer 200.265.416 van: [appellante zaak2] , wonende te [woonplaats3] , appellante, bij de rechtbank: gedaagde, hierna: [appellante zaak2], advocaat: mr. J.M. Suurmeijer, die kantoor houdt in Stadskanaal, tegen 1 [geïntimeerde1] , hierna: [geïntimeerde1], 2. [geïntimeerde2] , hierna: [geïntimeerde2], beiden wonende te [woonplaats2] , geïntimeerden, bij de rechtbank: eisers, hierna gezamenlijk te noemen: [geïntimeerden] c.s., advocaat: mr. E.T. van Dalen, die kantoor houdt in Groningen. 1Het verdere verloop van het geding in hoger beroep 1.1 Naar aanleiding van de tussenarresten van 11 augustus 2020 heeft op 13 juli 2021 een comparitie van partijen plaatsgevonden in beide zaken. Een kopie van het proces-verbaal dat daarvan is opgemaakt, is aan het dossier toegevoegd. Hierna hebben partijen arrest gevraagd en heeft het hof beslist dat vandaag arrest wordt gewezen. 2De feiten 2.1 [appellante zaak2] heeft een eenmanszaak geëxploiteerd onder de naam [bedrijf2] (hierna: [bedrijf2] ). In verband met haar pensionering zijn de activiteiten van [bedrijf2] beëindigd. Op 2 november 2016 is [bedrijf2] uitgeschreven uit het handelsregister. [appellant zaak1] – zoon van [appellante zaak2] – was tot dat moment in loondienst bij [bedrijf2] . 2.2 Op 10 juni 2015 heeft [bedrijf2] een offerte (hierna: de -offerte) aan [geïntimeerden] c.s. gezonden voor een verbouwing van hun woonboerderij aan de [adres] te [woonplaats2] . In de offerte zijn de uit te voeren werkzaamheden genoemd onder vermelding van het uurtarief van € 30,- (exclusief btw). De offerte vermeldt een totale aanneemsom van € 115.779,58, bestaande uit uren/onderaannemers en materiaal. 2.3 Al voor het uitbrengen van de [bedrijf2] -offerte heeft [bedrijf2] werkzaamheden verricht in de boerderij van [geïntimeerden] c.s. In het kader van deze werkzaamheden hebben [geïntimeerden] c.s. enkele facturen van [bedrijf2] ontvangen en voldaan. 2.4 Na het uitbrengen van de [bedrijf2] -offerte is [bedrijf2] gestart met verbouwingswerkzaamheden in de boerderij van [geïntimeerden] c.s. Door [bedrijf2] in dat kader gefactureerde bedragen zijn door [geïntimeerden] c.s. voldaan. Het feitelijke werk werd verricht door [appellant zaak1] of door door hem ingeschakelde onderaannemers. 2.5 Op 11 september 2015 heeft [bedrijf2] een offerte (hierna: de Dakpanofferte) ten bedrage van € 39.065,42 inclusief materiaal en btw aan [geïntimeerden] c.s. gezonden voor het leggen van nieuwe pannen op het dak van de schuur. 2.6 Op 1 december 2016 is [appellant zaak1] voor zichzelf begonnen, handelend als eenmanszaak onder de naam [bedrijf1] ( [bedrijf1] ). [geïntimeerden] c.s. hebben [appellant zaak1] benaderd om (verdere) werkzaamheden aan de woonboerderij te verrichten, waarmee [appellant zaak1] heeft ingestemd (de [bedrijf1] -overeenkomst). 2.7 Vanaf 25 november 2016 heeft [bedrijf1] facturen aan [geïntimeerden] c.s. gezonden die betrekking hebben op werkzaamheden in de woonboerderij. In de facturen worden de gewerkte uren en het gebruikte materiaal gespecificeerd. 2.8 Facturatie vond plaats op basis van de afspraak dat maandelijks maximaal een bedrag van € 10.000,- zou worden gefactureerd (uren en materiaal). 2.9 Op basis van een door [bedrijf1] uitgebrachte offerte van 21 februari 2017 (hierna: de schilderofferte) hebben [geïntimeerden] c.s. als opdrachtgevers en [bedrijf1] als opdrachtnemer een overeenkomst gesloten voor het uitvoeren van (buiten)schilderwerkzaamheden (hierna: de Schilderovereenkomst). De offerte vermeldt een prijs van € 15.635,- inclusief btw. De facturatie vindt als volgt plaats: 15% bij aanvaarding offerte; 25% na 2 weken aanvang werkzaamheden; 35% na 4 weken aanvang werkzaamheden; 25% na oplevering buiten schilderwerk. De eerste drie facturen zijn door [geïntimeerden] c.s. voldaan. 2.10 Op 6 juli 2017 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [geïntimeerden] c.s. en [appellant zaak1] waarbij de voortgang van de werkzaamheden aan de orde is geweest. Vervolgens heeft op 27 oktober 2017 een gesprek tussen [geïntimeerden] c.s. en [appellant zaak1] plaatsgevonden waarbij (zo blijkt uit het niet ondertekende gespreksverslag dat daarvan is opgemaakt) de voortgang, de kwaliteit van de werkzaamheden en ten onrechte in rekening gebrachte uren door [geïntimeerden] c.s. aan de orde zijn gesteld. 2.11 Vanaf 27 oktober 2017 heeft [appellant zaak1] geen werkzaamheden meer uitgevoerd in de woonboerderij. 2.12 In een brief van 6 november 2017 heeft [naam1] , financieel adviseur van [appellant zaak1] , namens [appellant zaak1] aan [geïntimeerden] c.s. geschreven:“In aansluiting op onze email van 1 november 2017, beantwoord ik, in opdracht van de heer [appellant zaak1] , op uw ingebrekestelling/gespreksverslag van 27 oktober 2017. (…)U geeft in het verslag aan dat het werk feitelijk medio juni/juli van dit jaar klaar had moeten zijn. Dit heeft u gebaseerd op offerte 20150403 [hof: de [bedrijf2] -offerte] en de reeds gewerkte uren in 2015 en 2016. Dit maakt direct inzichtelijk wat het grootste probleem is in deze situatie. De omschreven werkzaamheden, zoals genoemd in de betreffende offerte, worden reeds vanaf aanvang project niet (sic) gevolgd door steeds meer uitbreidingen, wijzigingen en toevoegingen in en aan het werk. Deze meerwerken zijn continu in opdracht gegeven door mevrouw [geïntimeerde2] en, in overleg met mevrouw, uitgevoerd. Hier wordt in uw verslag en in alle andere gesprekken met u volledig aan voorbij gegaan. Conform de rapportages van de heer [appellant zaak1] kan ik u melden dat er reeds 1.008 uren aan meerwerk in uitvoering zijn gebracht. Er zijn 927 uren aan de werkzaamheden uit de originele offerte besteedt.” 2.13 Op 11 januari 2018 hebben [geïntimeerden] c.s. (bijgestaan door hun advocaat) en [appellant zaak1] (bijgestaan door [naam1] ) een rondgang door de woonboerderij gemaakt waarbij [geïntimeerden] c.s. hebben geklaagd over de kwaliteit van de werkzaamheden. Van deze bijeenkomst is een niet ondertekend gespreksverslag opgemaakt. In de bijlage bij dit verslag hebben [geïntimeerden] c.s. de volgende kanttekeningen geplaatst bij de kwaliteit van de werkzaamheden:“a. De kozijnen die vervangen zijn, zijn qua vorm afwijkend en niet conform het origineel. De met [geïntimeerde2] en [geïntimeerde1] in juni 2017 afgesproken houtsoort (hardhout) is niet gebruikt, in plaats daarvan is vurenhout gebruikt. b. De vloer in de rechter voorkamer is verzakt en hangt door. De geoffreerde zwaluwplaten zijn niet gebruikt. c. De vloertegels liggen op diverse plaatsen niet vlak. d. De wandtegels in de douche zijn niet vlak en lopen niet evenwijdig en op gelijke afstand van elkaar. e. Het stucwerk door het hele huis is niet vlak, heeft gaten, bulten en andere oneffenheden. f. Eind augustus 2017 is [bedrijf1] er op gewezen dat er scheuren in het buitenschilderwerk zitten. g. In april 2017 is [bedrijf1] er op gewezen dat de verf die gebruikt is voor het buitenschilderwerk niet conform de offerte is.” 2.14 In opdracht van [geïntimeerden] c.s. heeft installateur [naam2] de werkzaamheden aan de badkamer geïnspecteerd. In zijn brief van 11 januari 2018 heeft [naam2] geadviseerd de uitgevoerde werkzaamheden ongedaan te maken en opnieuw te beginnen. 2.15 In opdracht van [geïntimeerden] c.s. heeft bouwbedrijf [naam3] B.V. (hierna te noemen [naam3] ) op 22 februari 2018 onderzoek gedaan naar de werkzaamheden die in de woonboerderij van [geïntimeerden] c.s. zijn verricht. De kosten voor deugdelijk herstel van uitgevoerde werkzaamheden, verbetering en afronding ervan zijn door [naam3] begroot op € 71.320,- inclusief btw. 2.16 In opdracht van [geïntimeerden] c.s. heeft Rinsema Architectuur en Bouwtechniek op 22 februari 2018 onderzoek gedaan naar door [appellant zaak1] verrichte werkzaamheden. Rinsema heeft een kostenraming gemaakt in manuren en materiaal van de door [bedrijf1] verrichte werkzaamheden in het jaar 2017. Rinsema komt op een kostenraming van € 50.855,- (inclusief btw). Rinsema heeft vastgesteld dat een deel van de werkzaamheden gebrekkig is uitgevoerd. 2.17 In brieven van 23 en 27 maart 2018 heeft de advocaat van [geïntimeerden] c.s. [appellant zaak1] en [appellante zaak2] gesommeerd over te gaan tot het verrichten van herstelwerkzaamheden en voortzetting van de uitvoering van de overeengekomen werkzaamheden. [appellant zaak1] en [appellante zaak2] hebben geen gevolg aan deze sommaties gegeven. 2.18 In een brief van 23 maart 2018 heeft de toenmalige rechtshulpverlener van [appellant zaak1] , mr. R. Schreuders, aan [geïntimeerden] c.s. geschreven: “(…) Nu de vele facturen voor reeds uitgevoerd werk door uw cliënt nog steeds niet zijn betaald is het begrijpelijk dat cliënt zijn werkzaamheden heeft opgeschort. Zoals u uit onderstaande reactie kunt opmaken is cliënt bereid zijn werkzaamheden voort te zetten en de klachten te onderzoeken indien er eerst een bedrag van 70% wordt betaald. Cliënt is bereid het werk af te ronden na ontvangst van een betaling van uw cliënt van € 14.000,-. Na ontvangst van de betaling worden de werkzaamheden hervat en afgerond. Een planning wordt in gezamenlijk overleg besproken en vastgelegd. Na afronding van de hervatte werkzaamheden zal het resterende bedrag van € 6.295,07 dan moeten worden overgemaakt door uw cliënte.” 2.19 In opdracht van [geïntimeerden] c.s. heeft de heer [naam4] , van [naam4] Bouwadviseurs B.V. in januari 2021 onderzoek gedaan naar de door [appellant zaak1] verrichte werkzaamheden. [naam4] heeft in een rapport van 9 mei 2021 een overzicht gemaakt van de op grond van de [bedrijf2] -offerte nog uit te voeren werkzaamheden en de reeds uitgevoerde werkzaamheden en heeft beoordeeld of de werkzaamheden naar behoren zijn uitgevoerd. Ten aanzien van 116 werkzaamheden heeft [naam4] geconcludeerd dat deze nog uitgevoerd dan wel hersteld moeten worden. 2.20 Aan [geïntimeerden] c.s. is door [bedrijf2] en [bedrijf1] in totaal een bedrag van € 178.192,37 gefactureerd, waarvan [geïntimeerden] c.s. € 157.897,30 hebben voldaan. 3De procedure bij de rechtbank 3.1 [geïntimeerden] c.s. hebben in de procedure bij de rechtbank in conventie (kort gezegd) gevorderd:I. voor recht te verklaren dat [appellante zaak2] en [appellant zaak1] hoofdelijk dan wel gezamenlijk of afzonderlijk toerekenbaar tekort zijn gekomen in de nakoming uit hoofde van de [bedrijf2] -offerte;II. voor recht te verklaren dat [appellant zaak1] toerekenbaar tekort is gekomen in de nakoming uit hoofde van de schilderofferte;III. voor recht te verklaren dat [appellante zaak2] en [appellant zaak1] hoofdelijk dan wel gezamenlijk of afzonderlijk aansprakelijk zijn voor alle schade van [geïntimeerden] c.s. die het gevolg is van het niet (tijdig) nakomen van de [bedrijf2] -offerte;IV. voor recht te verklaren dat [appellant zaak1] aansprakelijk is voor alle schade van [geïntimeerden] c.s. die het gevolg is van het niet (tijdig) nakomen van de schilderofferte. Primair vorderden [geïntimeerden] c.s. in de procedure bij de rechtbank nakoming van de overeenkomsten uit hoofde van de [bedrijf2] -offerte en de schilderofferte. Zij vorderden [appellante zaak2] en [appellant zaak1] hoofdelijk dan wel gezamenlijk of afzonderlijk te veroordelen ten aanzien van de [bedrijf2] -offerte over te gaan tot het (laten) verrichten van herstelwerkzaamheden conform het deskundigenrapport van [naam3] en Rinsema en de werkzaamheden te hervatten, beide binnen veertien dagen na betekening van het vonnis met oplevering binnen twee maanden na betekening van het vonnis. Daarbij vorderden zij [appellant zaak1] te veroordelen ten aanzien van de schilderofferte over te gaan tot het (laten) verrichten van herstelwerkzaamheden conform het deskundigenrapport van [naam3] en Rinsema en de werkzaamheden te hervatten, beide binnen veertien dagen na betekening van het vonnis met oplevering binnen twee maanden na betekening van het vonnis. Subsidiair hebben [geïntimeerden] c.s. gevorderd dat [appellante zaak2] en [appellant zaak1] hoofdelijk dan wel gezamenlijk of afzonderlijk worden veroordeeld een bedrag van € 71.320,- bij wijze van voorschot op de schadevergoeding te betalen. 3.2 [appellant zaak1] heeft in de procedure in eerste aanleg een eis in reconventie ingesteld. Hij vorderde van [geïntimeerden] c.s. de betaling van twee openstaande facturen, ter hoogte van in totaal € 20.297,07, vermeerderd met wettelijke rente. 3.3 De rechtbank heeft in conventie [appellant zaak1] en [appellante zaak2] hoofdelijk veroordeeld binnen één maand na betekening van het vonnis de in de [bedrijf2] -offerte genoemde werkzaamheden te hervatten en deze binnen 8 maanden na betekening strikt conform deze offerte deugdelijk af te ronden en op te leveren. Daarnaast is [appellant zaak1] veroordeeld binnen één maand na betekening van het vonnis de in de Schilderofferte van 27 oktober 2017 [hof: kennelijke verschrijving, bedoeld is 21 februari 2017] genoemde werkzaamheden te hervatten en deze binnen 8 maanden na betekening strikt conform deze offerte deugdelijk af te ronden en op te leveren. [appellant zaak1] en [appellante zaak2] zijn daarbij veroordeeld in de kosten van de procedure. 3.4 In reconventie heeft de rechtbank de vordering van [appellant zaak1] afgewezen en [appellant zaak1] veroordeeld in de proceskosten. 4De vorderingen in hoger beroep 4.1 [appellant zaak1] vordert in hoger beroep, onder aanvoering van zeven grieven en na vermeerdering van eis, kort gezegd dat ten aanzien van de overeenkomst die hij met [geïntimeerden] c.s. heeft gesloten (de [bedrijf1] -overeenkomst):- primair voor recht wordt verklaard dat de [bedrijf1] -overeenkomst is gesloten op regiebasis en dat [appellant zaak1] niet gehouden is de in de [bedrijf2] -offerte genoemde werkzaamheden tegen een vaste aanneemsom uit te voeren;- subsidiair, indien wordt geoordeeld dat [appellant zaak1] gehouden is de werkzaamheden uit de [bedrijf2] -offerte uit te voeren voor een vaste aanneemsom, voor recht wordt verklaard dat [geïntimeerden] c.s. voor de resterende werkzaamheden uit de [bedrijf2] -offerte een bedrag van € 72.372,51 moeten betalen.Ten aanzien van de herstelwerkzaamheden onder de [bedrijf1] -overeenkomst vordert [appellant zaak1] :- primair voor recht te verklaren dat [geïntimeerden] c.s. de betaling van de in het petitum genoemde facturen ter hoogte van in totaal € 17.949,82 (gedeeltelijk) onterecht hebben opgeschort en [geïntimeerden] c.s. te veroordelen tot betaling van dit bedrag, althans € 14.000,- althans een in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met wettelijke rente;- subsidiair, indien het hof oordeelt dat [geïntimeerden] c.s. de in het petitum genoemde facturen (gedeeltelijk) terecht hebben opgeschort, voor recht te verklaren dat [geïntimeerden] c.s. gehouden zijn het opgeschorte bedrag van € 3.949,82 te betalen na herstel van de door [bedrijf1] erkende gebrekkig uitgevoerde werkzaamheden. Ten aanzien van de herstelwerkzaamheden onder de Schilderovereenkomst vordert [appellant zaak1] :- primair voor recht te verklaren dat [appellant zaak1] zijn verplichtingen onder de Schilderovereenkomst terecht heeft opgeschort en dat [geïntimeerden] c.s. de betaling van factuur 2017055 ter hoogte van € 2.345,25 (gedeeltelijk) onterecht hebben opgeschort, en [geïntimeerden] c.s. te veroordelen tot betaling van dit bedrag na afronding van de werkzaamheden onder de Schilderovereenkomst;- subsidiair, indien het hof oordeelt dat [geïntimeerden] c.s. factuur 2017055 terecht hebben opgeschort, voor recht te verklaren dat [geïntimeerden] c.s. gehouden zijn het opgeschorte bedrag te betalen na afronding van de werkzaamheden onder de Schilderovereenkomst. 4.2 [appellante zaak2] vordert in hoger beroep, onder aanvoering van vier grieven, dat het vonnis waarvan beroep wordt vernietigd en de vorderingen van [geïntimeerden] c.s. alsnog worden afgewezen. 4.3 [geïntimeerden] c.s. hebben de grieven van [appellant zaak1] en [appellante zaak2] in afzonderlijke memories bestreden en gevorderd dat het vonnis waarvan beroep wordt bekrachtigd. In de procedure tegen [appellant zaak1] hebben [geïntimeerden] c.s. daarbij incidenteel hoger beroep ingesteld en, onder aanvoering van één grief en met vermeerdering van eis, gevorderd dat [appellant zaak1] wordt veroordeeld binnen één maand na betekening van het arrest de in de [bedrijf2] -offerte genoemde werkzaamheden te hervatten en deze binnen twee maanden na betekening van het arrest strikt conform deze offerte deugdelijk af te ronden en op te leveren, zulks ter beoordeling van de heer J. Rinsema, namens Rinsema Architectuur en Bouwtechniek, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere dag dat [appellant zaak1] in gebreke zal zijn aan dit gebod te voldoen. 5De beoordeling 5.1 Inleiding 5.1.1 In deze geschillen draait het om de aanneemovereenkomsten die [appellante zaak2] en [appellant zaak1] met [geïntimeerden] c.s. hebben gesloten op grond waarvan werkzaamheden zijn verricht in de woonboerderij van [geïntimeerden] c.s. Centraal in beide procedures staan de vragen of de overeenkomsten die [appellante zaak2] en [appellant zaak1] met [geïntimeerden] c.s. hebben gesloten gebaseerd zijn op de [bedrijf2] -offerte en of partijen zijn overeengekomen dat de werkzaamheden op basis van een vaste aanneemsom of op regiebasis zouden worden verricht. [appellante zaak2] en [geïntimeerden] c.s. verschillen verder van mening over de vraag of de overeenkomst tussen hen is beëindigd en of de vordering tot nakoming van de overeenkomst jegens [appellante zaak2] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. In de zaak tussen [appellant zaak1] en [geïntimeerden] c.s. draait het daarnaast ook om de vraag of [geïntimeerden] c.s. betaling van facturen terecht hebben opgeschort en hoe moet worden omgegaan met de werkzaamheden die [appellant zaak1] heeft verricht en die niet in de [bedrijf2] -offerte zijn opgenomen. Ook twisten [appellant zaak1] en [geïntimeerden] c.s. over de vraag of [appellant zaak1] zijn werkzaamheden op grond van de Schilderovereenkomst heeft mogen opschorten. In beide zaken speelt tot slot de discussie in hoeverre de overeengekomen werkzaamheden reeds zijn uitgevoerd en, voor zover deze zijn uitgevoerd, of sprake is van gebreken in het werk. 5.1.2 Het hof zal de geschilpunten tussen partijen hierna bespreken. Het hof gaat daarbij eerst in op de eisvermeerderingen die gedurende de procedure zijn ingediend (onder rov. 5.2). Daarna bespreekt het hof de rechtsverhouding tussen [appellante zaak2] en [geïntimeerden] c.s. (onder rov. 5.3). Vervolgens zal het hof ingaan op de rechtsverhouding tussen [appellant zaak1] en [geïntimeerden] c.s. (onder rov. 5.4). Het hof zal daarna bespreken hoe het verder moet met deze twee zaken (onder rov. 5.5). Het hof zal daarbij tot de conclusie komen dat het voorlichting door een onafhankelijke deskundige noodzakelijk acht. Partijen zullen aan het einde van dit arrest in de gelegenheid worden gesteld vragen te formuleren en om zich uit te laten over de persoon van de deskundige. Aan [appellant zaak1] zal daarnaast een bewijsopdracht worden verstrekt. 5.2 De vermeerderingen van eis De vermeerdering van eis van de zijde van [appellant zaak1] 5.2.1 heeft in hoger beroep zijn eis vermeerderd. 5.2.2 [geïntimeerden] c.s. hebben geen bezwaar gemaakt tegen de vermeerdering van eis. Ook het hof ziet geen reden de eisvermeerdering buiten beschouwing te laten. [appellant zaak1] heeft zijn eis tijdig in de memorie van grieven - vermeerderd en deze vermeerdering van eis is niet in strijd met de goede procesorde. Het hof zal dan ook recht doen op de vermeerderde eis van [appellant zaak1] . De vermeerderingen en wijzigingen van eis van de zijde van [geïntimeerden] c.s. 5.2.3 [geïntimeerden] c.s. hebben in incidenteel hoger beroep in de procedure tegen [appellant zaak1] (zaaknummer 200.267.142) hun eis vermeerderd. 5.2.4 [appellant zaak1] heeft geen bezwaar gemaakt tegen deze vermeerdering van eis. Ook het hof ziet geen reden deze eisvermeerdering buiten beschouwing te laten. [geïntimeerden] c.s. hebben hun eis tijdig - in de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel - vermeerderd en deze vermeerdering van eis is niet in strijd met de goede procesorde. Het hof zal dan ook recht doen op deze vermeerderde eis van [geïntimeerden] c.s. 5.2.5 Vervolgens hebben [geïntimeerden] c.s. hun eis in de procedure tegen [appellant zaak1] nogmaals vermeerderd. Zij hebben bij akte, binnengekomen bij het hof op 30 juni 2021, gevorderd dat [appellant zaak1] wordt veroordeeld binnen een maand na betekening van het arrest verscheidene specifiek in de akte genoemde punten, gebaseerd op een rapport van [naam4] van [naam4] Bouwadviseurs B.V. d.d. 9 mei 2021, te herstellen dan wel deugdelijk uit te voeren, op straffe van een dwangsom van € 2.500,- voor iedere dag dat [appellant zaak1] in gebreke blijft aan dit gebod te voldoen. Daarnaast vorderen [geïntimeerden] c.s. in het kader van hun primaire grondslag tot nakoming een aanvullende schadevergoeding van [appellant zaak1] ter hoogte van € 2.750,- ter zake van de kosten van het rapport van [naam4] . Tot slot vermeerderen [geïntimeerden] c.s. hun eis in die zin dat zij subsidiair partiële ontbinding van de overeenkomsten, gebaseerd op de offertes van 10 juni 2015 (de [bedrijf2] -offerte) en 21 februari 2017 (de schilderofferte) vorderen, waarbij [appellant zaak1] wordt veroordeeld tot betaling van € 9.408,75 en € 103.227,28 in het kader van ongedaanmakingsverplichtingen en tot betaling van € 52.495,- aan schadevergoeding, te vermeerderen met wettelijke rente. 5.2.6 Ook in de procedure tegen [appellante zaak2] zaaknummer 200.265.416) hebben [geïntimeerden] c.s. hun eis gewijzigd. Bij akte, binnengekomen bij het hof op 30 juni 2021, hebben zij gevorderd dat [appellante zaak2] wordt veroordeeld binnen een maand na betekening van het arrest verscheidene specifiek in de akte genoemde punten, gebaseerd op het rapport van [naam4] , te herstellen dan wel deugdelijk uit te voeren, zulks ter beoordeling van [naam4] . 5.2.7 [appellant zaak1] en [appellante zaak2] hebben bezwaar gemaakt tegen deze vermeerderingen van eis aan de zijde van [geïntimeerden] c.s. Zij hebben erop gewezen dat de vermeerderingen van eis te laat zijn ingediend en stellen dat zij benadeeld worden in de mogelijkheid hierop te reageren nu de eisvermeerderingen (deels) zijn gebaseerd op een omvangrijk rapport van [naam4] waarop zij niet puntsgewijs hebben kunnen reageren. 5.2.8 Zoals ter zitting van het hof al aan partijen is meegedeeld worden deze laatste eisvermeerderingen aan de zijde van [geïntimeerden] c.s. niet toegestaan. Het hof oordeelt dat de eisvermeerderingen in een te laat stadium van de procedure zijn ingebracht, namelijk bij akte van 30 juni 2021 en dat de eisen van een goede procesorde zich verzetten tegen toelating daarvan. De behandeling van de nieuwe subsidiaire grondslag zou een geheel nieuw onderzoek vergen. Daar komt bij dat [geïntimeerden] c.s. hun eisvermeerderingen eerder hadden kunnen inbrengen. [geïntimeerden] c.s. hebben verklaard dat de eisvermeerdering (deels) is ingegeven doordat uit het vonnis van 23 juli 2020 in een kort gedingprocedure tussen hen en [appellant zaak1] en [appellante zaak2] is gebleken dat het dictum van het vonnis waarvan beroep niet uitvoerbaar is. Nog daargelaten dat het vonnis in kort geding is gewezen bijna een jaar voordat de eisvermeerderingen zijn ingediend, waren [geïntimeerden] c.s. direct na het wijzen van het vonnis waarvan beroep al bekend met het dictum daarvan en hadden zij toen al kunnen voorzien dat dat dictum problemen zou kunnen opleveren. Tot slot zijn de eiswijzigingen gebaseerd op een omvangrijk rapport van [naam4] , zonder dat [appellant zaak1] en [appellante zaak2] in de gelegenheid zijn geweest puntsgewijs op dit rapport te reageren. 5.3 De overeenkomst tussen [appellante zaak2] en [geïntimeerden] c.s. (zaaknummer 200.265.416) 5.3.1 In de zaak tussen [appellante zaak2] en [geïntimeerden] c.s. draait het om het volgende. [appellante zaak2] heeft tot november 2016 de eenmanszaak [bedrijf2] gedreven. Vaststaat dat [bedrijf2] op 10 juni 2015 een offerte (de [bedrijf2] -offerte) aan [geïntimeerden] c.s. heeft uitgebracht en dat tussen [bedrijf2] en [geïntimeerden] c.s. een overeenkomst van aanneming van werk tot stand is gekomen (de [bedrijf2] -overeenkomst) op basis waarvan [bedrijf2] werkzaamheden in de woonboerderij van [geïntimeerden] c.s. heeft verricht. De eerste vraag die voorligt is of de [bedrijf2] -overeenkomst is gebaseerd op de [bedrijf2] -offerte en of dit een overeenkomst op regiebasis inhield, zoals [appellante zaak2] stelt, dan wel dat partijen een vaste aanneemsom zijn overeengekomen, zoals [geïntimeerden] c.s. stellen. Verder verschillen [appellante zaak2] en [geïntimeerden] c.s. van mening over de vraag of de [bedrijf2] -overeenkomst per 1 november 2016 is beëindigd en of een veroordeling tot nakoming van de [bedrijf2] -overeenkomst door [appellante zaak2] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Het hof zal deze geschilpunten tussen [appellante zaak2] en [geïntimeerden] c.s. hierna bespreken. De inhoud van de [bedrijf2] -overeenkomst 5.3.2 Partijen verschillen van mening over de inhoud van de [bedrijf2] -overeenkomst. De beantwoording van de vraag wat de inhoud van de afspraken van partijen is, vindt in een zaak als deze plaats aan de hand van de zogenoemde Haviltexmaatstaf. Het komt er daarbij op aan welke betekenis de betrokken partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en van wat zij in dat verband redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij zijn alle omstandigheden van het geval van belang, in hun onderlinge samenhang bezien. Tegen deze achtergrond overweegt het hof het volgende. 5.3.3 Het hof is van oordeel dat de [bedrijf2] -offerte van 10 juni 2015 aan de overeenkomst tussen [geïntimeerden] c.s. en [appellante zaak2] ten grondslag ligt. De [bedrijf2] -offerte is tot stand gekomen nadat [geïntimeerden] c.s. met [appellant zaak1] - als werknemer van [bedrijf2] - een rondgang door de woonboerderij hebben gemaakt en een lijst hebben opgesteld van werkzaamheden die aan de woonboerderij moesten worden verricht. [bedrijf2] heeft vervolgens een aantal van de in de [bedrijf2] -offerte beschreven werkzaamheden uitgevoerd en aan [geïntimeerden] c.s. gefactureerd. In de facturen wordt bij de berekening van het arbeidsloon het uurtarief van € 30,- genoemd dat ook in de [bedrijf2] -offerte staat vermeld. In de verslagen die [geïntimeerden] c.s. hebben opgemaakt naar aanleiding van gesprekken over de voortgang van de verbouwing, wordt daarbij consequent verwezen naar de [bedrijf2] -offerte. Zo schrijven [geïntimeerden] c.s. in het verslag van 6 juli 2017 dat de in de [bedrijf2] -offerte opgenomen werkzaamheden worden doorgelopen om te bepalen wat wel en niet afgerond is en dat van de geoffreerde 2533 arbeidsuren inmiddels 1000 uur is gefactureerd en betaald. Ook in het gespreksverslag van 27 oktober 2017 verwijzen [geïntimeerden] c.s. naar de [bedrijf2] -offerte en spreken zij hun zorgen uit of de werkzaamheden die op de offerte staan en nog niet zijn uitgevoerd binnen het geoffreerde aantal arbeidsuren kunnen worden verricht. Dat [appellante zaak2] bij deze gesprekken niet aanwezig is geweest maar zich kennelijk heeft laten vertegenwoordigen door [bedrijf2] -werknemer [appellant zaak1] doet hier niet aan af. Uit niets blijkt dat [appellante zaak2] , of [appellant zaak1] namens haar, op enig moment kenbaar heeft gemaakt dat de [bedrijf2] -offerte niet het uitgangspunt van de overeenkomst zou zijn geweest. In tegendeel; ook namens [appellant zaak1] , die de [bedrijf2] -offerte heeft opgesteld en de werkzaamheden feitelijk heeft uitgevoerd, wordt in de brief van 6 november 2017, opgesteld door financieel adviseur [naam1] , verwezen naar de [bedrijf2] -offerte en worden de werkzaamheden die niet in deze offerte zijn opgenomen gekwalificeerd als ‘meerwerken’. Op grond van deze feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, gaat het hof er vanuit dat de [bedrijf2] -offerte de basis is van de [bedrijf2] -overeenkomst. Dat de [bedrijf2] -offerte niet door [geïntimeerden] c.s. zou zijn ondertekend – wat overigens door [geïntimeerden] c.s. wordt betwist – maakt het voorgaande niet anders. Ook de omstandigheid dat het onderdeel ‘betalingsafspraak’ in de [bedrijf2] -offerte niet is ingevuld doet aan het voorgaande niet af. Al ten tijde van het opstellen van de [bedrijf2] -offerte was immers duidelijk dat de betaling van het verbouwingsproject afhankelijk was van werkzaamheden van [geïntimeerden] in Amerika, terwijl op dat moment nog niet viel te voorspellen met welk tempo [geïntimeerden] c.s. in staat zouden zijn voor de werkzaamheden te betalen. 5.3.4 De vervolgvraag is of de [bedrijf2] -overeenkomst is gesloten op basis van een vaste aanneemsom, dan wel op regiebasis. Het hof stelt voorop dat de door [bedrijf2] te verrichten werkzaamheden in de offerte zijn omschreven en er een totale som van € 115.779,58 (inclusief btw) is vermeld, gebaseerd op uren, onderaannemers en materiaal. Naar het oordeel van het hof mochten [geïntimeerden] c.s. hieruit redelijkerwijs afleiden dat [bedrijf2] de in de offerte genoemde werkzaamheden voor dit bedrag zou uitvoeren. Het hof kent daarbij ook betekenis toe aan het feit dat in de hiervoor aangehaalde gespreksverslagen steeds aan de orde wordt gesteld of de in de offerte genoemde werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd binnen de daarvoor begrote uren en dat ook [naam1] in de brief van 6 november 2017 schrijft: “Er zijn 927 uren aan de werkzaamheden uit de originele offerte besteedt”. Dit alles wijst erop dat een totaalbedrag voor arbeid, als onderdeel van een totale aanneemsom, door partijen overeengekomen is. Daarnaast vermeldt de offerte dat meerwerk in onderling overleg wordt verricht, terwijl ook door [naam1] wordt gesproken over ‘meerwerken’, wat alleen aan de orde is wanneer sprake is van een aannemingsovereenkomst met een vaste aanneemsom. Uit de offerte blijkt naar het oordeel van het hof onvoldoende duidelijk dat het [bedrijf2] voor ogen heeft gestaan op urenbasis met [geïntimeerden] c.s. af te rekenen voor de te verrichten werkzaamheden. De enkele zin bovenaan de offerte “Afgesproken uurtarief ex btw 6% per 1 juli 21% € 30,00” is daartoe in ieder geval onvoldoende. 5.3.5 Op grond van het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, is het hof vooralsnog van oordeel dat partijen de [bedrijf2] -overeenkomst zijn aangegaan op basis van een vaste aanneemsom ter hoogte van € 115.779,58. Het hof zal hierna, onder rov 5.4.10, in de zaak tussen [appellant zaak1] en [geïntimeerden] c.s. tot de conclusie komen dat de overeenkomst die zij hebben gesloten eveneens is gebaseerd op de [bedrijf2] -offerte, waarbij [appellant zaak1] in de gelegenheid zal worden gesteld bewijs te leveren van zijn stelling dat tussen hem en [geïntimeerden] c.s. een overeenkomst op regiebasis is overeengekomen. Omdat [appellante zaak2] net als [appellant zaak1] bezwaar heeft gemaakt tegen het oordeel van de rechtbank dat een vaste aanneemsom is overeengekomen en [appellante zaak2] zich de stellingen van [appellant zaak1] op dit punt eigen heeft gemaakt, zal het hof ook [appellante zaak2] toelaten bewijs te leveren dat tussen [bedrijf2] en [geïntimeerden] c.s. een overeenkomst op regiebasis is gesloten. Is de [bedrijf2] -overeenkomst door [appellante zaak2] beëindigd? 5.3.6 [appellante zaak2] stelt dat zij op 1 november 2016 een eindfactuur naar [geïntimeerden] c.s. heeft verzonden omdat [geïntimeerden] c.s. te kennen hadden gegeven te willen stoppen met de werkzaamheden. [geïntimeerden] c.s. hebben de gelegenheid gehad het werk te keuren en over eventuele gebreken te klagen. Nu zij dit hebben nagelaten, dient het werk volgens [appellante zaak2] als opgeleverd te worden beschouwd. Na 1 november 2016 heeft [appellant zaak1] rechtstreeks aan [geïntimeerden] c.s. gefactureerd op basis van een nieuwe overeenkomst die tussen [appellant zaak1] en [geïntimeerden] c.s. tot stand was gekomen. Omdat de gestelde gebreken zijn ontstaan na 1 november 2016, dienen [geïntimeerden] c.s. [appellant zaak1] aan te spreken en niet [appellante zaak2] . 5.3.7 Het hof gaat niet mee in dit betoog. De stelling dat [appellant zaak1] aan [appellante zaak2] heeft meegedeeld dat [geïntimeerden] c.s. wilden stoppen met de werkzaamheden is niet onderbouwd en bovendien, zo al juist, onvoldoende om tot de slotsom te komen dat de overeenkomst is beëindigd. [appellante zaak2] heeft haar stelling dat de overeenkomst op initiatief van [geïntimeerden] c.s. is beëindigd ook overigens niet onderbouwd. Deze stelling verhoudt zich bovendien niet met de toelichting die [geïntimeerden] c.s. en [appellant zaak1] ter zitting in eerste aanleg hebben gegeven, inhoudende dat [appellant zaak1] op enig moment aan [geïntimeerden] c.s. heeft verzocht de facturen aan [bedrijf1] in plaats van aan [bedrijf2] te voldoen, vanwege de omstandigheid dat [appellante zaak2] de pensioengerechtigde leeftijd had bereikt. Daaruit volgt immers niet dat de eerder met [bedrijf2] gesloten overeenkomst op initiatief van [geïntimeerden] c.s. tot een einde was gekomen. Uit de factuur van 1 november 2016, die volgens [appellante zaak2] gezien moet worden als eindfactuur, blijkt evenmin dat sprake is van een laatste factuur in verband met de beëindiging van de overeenkomst door [geïntimeerden] c.s. Het hof gaat er daarom vanuit dat de overeenkomst tussen [appellante zaak2] en [geïntimeerden] c.s. niet per 1 november 2016 is beëindigd, maar is blijven bestaan. Dat [appellante zaak2] zich op dat moment heeft laten uitschrijven uit het handelsregister laat in beginsel onverlet dat zij gehouden is de verplichtingen voortvloeiend uit de aannemingsovereenkomst na te komen. Vast staat immers dat van contractovername door [bedrijf1] van [bedrijf2] in de zin van artikel 6:159 BW geen sprake is geweest, nu tegen dit oordeel van de rechtbank niet is opgekomen. 5.3.8 Ook het verweer van [appellante zaak2] dat het werk als opgeleverd moet worden beschouwd slaagt niet. Het hof verwijst in dit kader naar de motivering die de rechtbank heeft gegeven in rov. 4.9 van het vonnis van 22 mei 2019 en neemt die overweging over. Is het beroep op nakoming naar maatstaven van redelijkheid & billijkheid onaanvaardbaar? 5.3.9 [appellante zaak2] voert verder aan dat zij alleen in de onderhavige procedure is betrokken omdat de eenmanszaak [bedrijf2] op haar naam heeft gestaan. Feitelijk verrichtte [appellant zaak1] echter de werkzaamheden in de onderneming. [appellante zaak2] verzorgde enkel het opmaken en verzenden van facturen naar aanleiding van informatie van [appellant zaak1] . [appellante zaak2] heeft nooit aannemerswerkzaamheden verricht en is inmiddels al enige tijd met pensioen. Dat maakt dat zij van mening is dat een beroep op nakoming van de [bedrijf2] -overeenkomst jegens haar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. 5.3.10 Het hof acht hetgeen [appellante zaak2] heeft aangevoerd onvoldoende om aan te nemen dat het beroep op nakoming van de [bedrijf2] -overeenkomst zijdens [geïntimeerden] c.s. naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. [appellante zaak2] heeft er immers voor gekozen een eenmanszaak te drijven zonder daarin zelf aannemerswerkzaamheden te verrichten. De consequentie daarvan is dat zij gehouden is de contractuele verplichtingen die zij met deze eenmanszaak is aangegaan na te komen. De enkele omstandigheid dat [appellante zaak2] inmiddels met pensioen is maakt niet dat sprake is van een naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbare situatie. Gesteld noch gebleken is immers dat [appellante zaak2] niet een derde kan vragen de overeengekomen werkzaamheden te verrichten. Conclusie 5.3.11 De conclusie is dat [bedrijf2] en [geïntimeerden] c.s. een aannemingsovereenkomst zijn aangegaan waarbij [appellante zaak2] zich heeft verplicht de in de [bedrijf2] -offerte genoemde werkzaamheden uit te (doen) voeren tegen een vaste aanneemsom van € 115.779,58 inclusief btw. [appellante zaak2] is gehouden deze overeenkomst na te (doen) komen. Zoals ook uit het navolgende zal blijken, bestaat discussie over de vraag welke van de geoffreerde werkzaamheden inmiddels zijn uitgevoerd, en in hoeverre de uitgevoerde werkzaamheden gebreken vertonen die hersteld moeten worden. Het hof zal daarom hierna, vanaf rov. 5.5 beoordelen hoe aan de veroordeling van [appellante zaak2] tot nakoming van de [bedrijf2] -overeenkomst vorm gegeven zal kunnen worden. 5.4 De overeenkomsten tussen [appellant zaak1] en [geïntimeerden] c.s. (zaaknummer 200.267.142) De [bedrijf2] -overeenkomst 5.4.1 In de procedure tussen [appellant zaak1] en [geïntimeerden] c.s. stelt [appellant zaak1] zich in hoger beroep allereerst op het standpunt dat de [bedrijf2] -overeenkomst niet is gebaseerd op de [bedrijf2] -offerte en dat tussen [bedrijf2] en [geïntimeerden] c.s. geen vaste aanneemsom is overeengekomen. Het hof overweegt ten aanzien van deze stellingen dat [appellant zaak1] geen contractspartij is bij de [bedrijf2] -overeenkomst; dat is immers [appellante zaak2] . De overeenkomst tussen [appellante zaak2] en [geïntimeerden] c.s. is ook niet door contractovername door [appellant zaak1] overgenomen. [appellant zaak1] kan dan ook niet worden aangesproken op basis van een tekortkoming in de nakoming van deze [bedrijf2] -overeenkomst. [appellant zaak1] heeft daarom geen belang bij de bespreking van de stelling dat de [bedrijf2] -overeenkomst niet is gebaseerd op de [bedrijf2] -offerte en dat tussen [bedrijf2] en [geïntimeerden] c.s. geen vaste aanneemsom is overeengekomen, zodat het hof hieraan voorbij gaat. De inhoud van de [bedrijf1] -overeenkomst 5.4.2 Tussen partijen staat niet ter discussie dat ook tussen [geïntimeerden] c.s. en [appellant zaak1] overeenkomsten tot stand zijn gekomen. Het gaat daarbij om de [bedrijf1] -overeenkomst, die volgens [appellant zaak1] mondeling tot stand is gekomen en volgens [geïntimeerden] c.s. eveneens is gebaseerd op de [bedrijf2] -offerte, en om de Schilderovereenkomst, gebaseerd op de schilderofferte van 21 februari 2017 (waarover hierna meer in rov. 5.4.35 e.v.). Partijen zijn verdeeld over de inhoud en uitvoering van deze overeenkomsten. Is de [bedrijf1] -overeenkomst gebaseerd op de [bedrijf2] -offerte? 5.4.3 Ook hier stelt het hof voorop dat de beantwoording van de vraag wat de inhoud van de afspraken van partijen is in een zaak als deze plaatsvindt aan de hand van de zogenoemde Haviltexmaatstaf (zie rov. 5.3.2). Het hof volgt [geïntimeerden] c.s. in hun standpunt dat de [bedrijf1] -overeenkomst eveneens op basis van de [bedrijf2] -offerte tot stand is gekomen, waarin, als hiervoor geoordeeld, een vaste aanneemsom is bepaald. Het hof herhaalt in dat kader wat hiervoor is overwogen onder rov. 5.3.2 en 5.3.3 en voegt daaraan het volgende toe. 5.4.4 [appellant zaak1] heeft, als werknemer van [bedrijf2] , de [bedrijf2] -offerte opgesteld. [appellant zaak1] heeft verklaard dat deze offerte tot stand is gekomen doordat hij met [geïntimeerden] c.s. door de woonboerderij is gelopen waarbij zij samen een lijst hebben opgesteld van de per kamer uit te voeren werkzaamheden. Deze lijst heeft [appellant zaak1] later uitgewerkt en vervolgens aan de keukentafel met [geïntimeerden] c.s. besproken. [appellant zaak1] was op dat moment al op de hoogte van het feit dat het uitvoeren van het grootste deel van de werkzaamheden afhankelijk was van de omstandigheid of [geïntimeerde1] een project in Amerika zou gaan uitvoeren. [appellant zaak1] wist dus dat het overgrote deel van de verbouwing pas in een later stadium zou kunnen worden uitgevoerd. [appellant zaak1] is aanvankelijk begonnen met de uitvoering van de werkzaamheden namens [bedrijf2] . Nadat [bedrijf2] per november 2016 is uitgeschreven uit het handelsregister, heeft [appellant zaak1] de werkzaamheden op dezelfde voet voortgezet en [geïntimeerden] c.s. verzocht de facturen voortaan op het rekeningnummer van [bedrijf1] te voldoen. In december 2016 hebben [geïntimeerden] c.s. [appellant zaak1] te kennen gegeven dat het project in Amerika door zou gaan, zodat de financiële middelen voor de verbouwing beschikbaar zouden komen. [appellant zaak1] is daarop op intensievere basis aan het werk gegaan in de woonboerderij, waarbij is afgesproken dat hij tot een bedrag van € 10.000,- per maand kon factureren. Op dat moment (en ook later) is [appellant zaak1] niet teruggekomen op hetgeen is opgenomen in de [bedrijf2] -offerte, bijvoorbeeld door een hoger uurtarief te bedingen of inflatie of prijsstijgingen door te berekenen. In de facturen die [appellant zaak1] vanaf 2017 aan [geïntimeerden] c.s. heeft verzonden, hanteert hij hetzelfde uurtarief van € 30,-. Uit deze omstandigheden, tezamen bezien met de omstandigheid dat zowel in de gespreksverslagen van [geïntimeerde1] naar aanleiding van de gesprekken op 6 juli 2017 en 27 oktober 2017 als in de brief van 6 november 2017 die [naam1] namens [appellant zaak1] heeft verzonden (zie hiervoor onder rov. 5.3.3) consequent wordt verwezen naar de [bedrijf2] -offerte, zonder dat [appellant zaak1] naar aanleiding daarvan te kennen heeft gegeven dat de [bedrijf2] -offerte niet het uitgangspunt van de overeenkomst zou zijn, leidt het hof af dat ook in de overeenkomst tussen [appellant zaak1] en [geïntimeerden] c.s. (de [bedrijf1] -overeenkomst) de [bedrijf2] -offerte leidend is gebleven. Indien het [appellant zaak1] voor ogen had gestaan onder gewijzigde voorwaarden een geheel nieuwe overeenkomst met [geïntimeerden] c.s. te sluiten, dan had het op zijn weg gelegen daartoe een nieuwe offerte op te stellen en de inhoud van die nieuwe overeenkomst met [geïntimeerden] c.s. te bespreken. 5.4.5 Anders dan [appellant zaak1] betoogt, levert de omstandigheid dat een deel van de door [appellant zaak1] verrichte werkzaamheden niet in de [bedrijf2] -offerte is omschreven geen aanwijzing op dat de werkzaamheden die [appellant zaak1] heeft uitgevoerd dus niet zagen op de uitvoering van de [bedrijf2] -offerte. [appellant zaak1] kan deze werkzaamheden, die overigens ten dele door [geïntimeerden] c.s. worden betwist, immers evengoed in het kader van (al dan niet omvangrijk) meerwerk ten opzichte van de [bedrijf2] -offerte hebben verricht. Is de [bedrijf1] -overeenkomst gesloten op basis van regie of een vaste aanneemsom? 5.4.6 De vervolgvraag is of (ook) de [bedrijf1] -overeenkomst is gesloten op basis van een vaste aanneemsom, zoals [geïntimeerden] c.s. stellen, of dat dit een overeenkomst op regiebasis betreft, zoals [appellant zaak1] stelt. Het hof stelt voorop dat in de [bedrijf2] -offerte, die zoals gezegd ook leidend is in de [bedrijf1] -overeenkomst, de daarin genoemde werkzaamheden zijn aangeboden tegen het vaste bedrag van € 115.779,58. Het hof is vooralsnog van oordeel dat (ook) [appellant zaak1] gebonden is aan deze aanneemsom. In de verhouding tussen [appellant zaak1] en [geïntimeerden] c.s. geldt daartoe hetzelfde als wat het hof hiervoor heeft overwogen onder rov. 5.3.4. Het hof voegt daaraan het volgende toe. 5.4.7 [appellant zaak1] heeft aangevoerd dat hij de woonboerderij op instructie van [geïntimeerden] c.s. kamer voor kamer renoveerde en dat daaruit kan worden afgeleid dat hij op regiebasis voor [geïntimeerden] c.s. werkte. [geïntimeerden] c.s. hebben deze stelling echter gemotiveerd betwist en hebben aangevoerd dat [appellant zaak1] volledig zelf bepaalde welke werkzaamheden hij wanneer in welke kamer uitvoerde. Deze stelling van [geïntimeerden] c.s. wordt ook onderschreven door de gespreksnotitie van 6 juli 2017, waaruit blijkt dat [geïntimeerden] c.s. zich beklaagd hebben over het gebrek aan structuurin de werkzaamheden en [appellant zaak1] gevraagd hebben duidelijk te maken waar hij mee bezig is. Gelet hierop gaat het hof er vanuit dat [appellant zaak1] de werkzaamheden naar eigen inzicht uitvoerde en dat [geïntimeerden] c.s. hierover geen regie hadden. 5.4.8 Verder heeft [appellant zaak1] aangevoerd dat tussen hem en [geïntimeerde2] diverse overlegmomenten hebben plaatsgevonden. Uit de voorbeelden die [appellant zaak1] aandraagt valt echter niet af te leiden dat [appellant zaak1] en [geïntimeerden] c.s. een overeenkomst op regiebasis overeen zijn gekomen. Ook bij een overeenkomst op basis van een vaste aanneemsom is het immers niet ongebruikelijk dat geregeld overleg plaatsvindt tussen opdrachtgever en aannemer over de (planning van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.