Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-004727-20 Uitspraak d.d.: 16 december 2021 TEGENSPRAAK Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 7 december 2020 met parketnummer 18-298791-19 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987, wonende te [woonadres] . Het hoger beroep De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 16 december 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde en oplegging van een taakstraf voor de duur van 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd om de benadeelde partij in zijn vordering niet-ontvankelijk te verklaren. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. P. Keijzer, naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep De politierechter heeft het primair tenlastegelegde bewezen verklaard en heeft een taakstraf opgelegd voor de duur van 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis. De politierechter heeft de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 39.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere strafoplegging en andere beslissingen omtrent de vordering van de benadeelde partij komt en daarom opnieuw rechtdoen. De tenlastelegging Aan verdachte is tenlastegelegd dat: primairhij in of omstreeks de periode van 1 december 2017 tot en met 23 augustus 2018 te [plaats 1] en/of [plaats 2] , in ieder geval in Nederland, meermalen op verschillende tijdstippen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk één of meer geldbedragen, in elk geval enig goed, (telkens) geheel of ten dele toebehorende aan [naam B.V.] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als mede-eigenaar en/of bankpashouder van [naam B.V.] , wederrechtelijk zich heeft toegeëigend; subsidiairhij in of omstreeks de periode van 1 december 2017 tot en met 23 augustus 2018 te [plaats 1] en/of [plaats 2] , in ieder geval in Nederland, meermalen op verschillende tijdstippen, althans eenmaal, (telkens één of meer geldbedragen, in elk geval enig goed, dat (telkens) geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [naam B.V.] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederechtelijk toe te eigenen. Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Bewezenverklaring Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: primairhij in de periode van 1 december 2017 tot en met 23 augustus 2018 te [plaats 1] en/of [plaats 2] , meermalen op verschillende tijdstippen, telkens opzettelijk één of meer geldbedragen, toebehorende aan [naam B.V.] , en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als mede-eigenaar en/of bankpashouder van [naam B.V.] , wederrechtelijk zich heeft toegeëigend. Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het primair bewezenverklaarde levert op: verduistering, meermalen gepleegd. Strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn. Oplegging van straf en/of maatregel De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Verdachte heeft zich meermalen schuldig gemaakt aan verduistering door geldbedragen op te nemen van de bankrekening van de B.V. waarvan hij mede-eigenaar was. Hij heeft daarmee een inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van de B.V., heeft het vertrouwen van zijn zakenpartner beschaamd en hem benadeeld. Verdachte heeft verklaard dat hij het geld verduisterde om zijn gokverslaving te kunnen bekostigen. Het hof heeft bij de straftoemeting in aanmerking genomen dat verdachte - blijkens een hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 11 november 2021 – niet eerder is veroordeeld wegens strafbare feiten. Het hof heeft tevens acht geslagen op de inhoud van een rapport van de reclassering d.d. 22 januari 2020, waaruit blijkt dat de reclassering enige zorgen heeft omtrent de situatie van verdachte. Uit het rapport en uit het verhandelde ter terechtzitting blijkt echter ook dat verdachte niet open staat voor hulp of begeleiding. Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel, dat oplegging van een taakstraf voor de duur van 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van een maand met een proeftijd van twee jaren passend en noodzakelijk is. De voorwaardelijke gevangenisstraf is mede bedoeld om verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst wederom schuldig te maken aan (soortgelijke) strafbare feiten. Benadeelde partij [benadeelde partij] Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat de benadeelde partij zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd, dat zijn vordering in eerste aanleg deels is toegewezen en dat hij zich binnen de grenzen van zijn eerste vordering in het geding in hoger beroep opnieuw heeft gevoegd. Derhalve duurt de voeging ter zake van zijn in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort. Blijkens het voegingsformulier benadeelde partijen in het strafproces vordert de benadeelde partij vergoeding van materiele en immateriële schade tot een bedrag van € 71.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van ontstaan van de schade tot aan de dag van voldoening. De vordering is door de verdediging ter terechtzitting van het hof op formele punten en inhoudelijk weersproken. Het hof is van oordeel dat behandeling van de vordering vanwege ingewikkeldheden op zowel formele als inhoudelijke punten een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Bovendien dient de vordering ten aanzien van meerdere posten nader te worden onderbouwd. De benadeelde partij kan daarom thans in zijn vordering niet worden ontvangen en kan zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Toepasselijke wettelijke voorschriften Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 321 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand. Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Aldus gewezen door mr. J. Dolfing, voorzitter, mr. A.J. Rietveld en mr. H.K. Elzinga, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. M. Zevenhuizen, griffier, en op 16 december 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.