GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.289.507/01 (zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 200016) beschikking van 23 december 2021 inzake [verzoeker] (de man), wonende te [woonplaats1] ,verzoeker in hoger beroep, advocaat: mr. E. van Bommel te Appingedam, en [verweerster] (de vrouw), wonende te [woonplaats2] , verweerster in hoger beroep, advocaat: mr. D.M. Leutenegger te Bolsward. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 3 november 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 2 februari 2021; - het verweerschrift met bijlage(n). 2.2 De mondelinge behandeling heeft op 1 november 2021 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. In verband met de coronamaatregelen heeft één van de raadsheren, te weten mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard, via beeldbellen deelgenomen aan de zitting. 3De feiten 3.1 Het huwelijk van partijen is [in] 2015 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 9 oktober 2014 in de registers van de burgerlijke stand. 3.2 Bij beschikking van 15 augustus 2017 is, met wijziging van de beschikking van 9 oktober 2014, door de rechtbank Rotterdam bepaald dat de man aan de vrouw per 1 februari 2017 dient te voldoen als uitkering tot levensonderhoud (hierna ook: partneralimentatie) een bedrag van € 473,- per maand. 3.3 De man heeft de rechtbank Noord-Nederland, bij verzoekschrift van 17 juli 2020, kort gezegd, verzocht de beschikking van 15 augustus 2017 te wijzigen met dien verstande dat de door de man te betalen partneralimentatie per 19 maart 2020 op nihil wordt gesteld. De vrouw heeft hiertegen geen verweer gevoerd. 4De omvang van het geschil 4.1 Bij de bestreden beschikking is, met wijziging van de beschikking van 15 augustus 2017, de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang van 17 juli 2020 bepaald op nihil. 4.2 De man is met één grief in hoger beroep gekomen. Deze grief ziet op de ingangsdatum. De man verzoekt het hof de bestreden beschikking gedeeltelijk te vernietigen en het door de man gedane verzoek toe te wijzen met dien verstande dat de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw per 19 maart 2020, althans per een door het hof te bepalen ingangsdatum, op nihil wordt gesteld, met veroordeling van de vrouw in de kosten van deze procedure. 4.3 De vrouw voert verweer en verzoekt het hof te bepalen dat de grief van de man ongegrond wordt verklaard, dan wel wordt afgewezen en dat de bestreden beschikking wordt bekrachtigd. 5De motivering van de beslissing 5.1 Partijen verschillen van mening over de ingangsdatum van de nihilstelling van de partneralimentatie. De nihilstelling als zodanig is niet in geschil. 5.2 Het hof overweegt dat de rechter een grote mate van vrijheid heeft bij het bepalen van de ingangsdatum (artikel 1:402 van het Burgerlijk Wetboek). Verschillende momenten liggen daarbij voor de hand, zoals bijvoorbeeld het moment waarop de gewijzigde omstandigheid zich voordoet, de dag van indiening van het verzoekschrift of de dag van de uitspraak van de rechter. De rechter dient van zijn bevoegdheid tot vaststelling van een bijdrage over een periode in het verleden behoedzaam gebruik te maken. Doorgaans wordt gekozen voor de dag van indiening van het verzoekschrift, omdat vanaf dat moment voor alle betrokkenen duidelijk is dat rekening dient te worden gehouden met een mogelijke wijziging van de hoogte of duur van de alimentatie. 5.3 Het hof stelt voorop dat het feit dat de vrouw in eerste aanleg geen verweer heeft gevoerd tegen de (ingangsdatum van de) nihilstelling, niet zonder meer betekent dat de rechter gehouden is om alle verzoeken van de man te volgen. Volgens vaste jurisprudentie dient de rechter, zo nodig ambtshalve, de gevolgen van zijn beslissing in ogenschouw te nemen en te wegen in verband met een eventuele terugbetalingsverplichting. De rechtbank is dus niet buiten de rechtsstrijd van partijen getreden, zoals de man stelt. Het hof merkt daarbij op dat de vrouw inmiddels in hoger beroep verweer heeft gevoerd tegen de door de man verzochte ingangsdatum van de nihilstelling en dat het hoger beroep er mede toe dient eventuele onvolkomenheden uit de eerste aanleg te herstellen. 5.4 Het hof zal de ingangsdatum van de nihilstelling van de partneralimentatie bepalen op 12 juni
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.