GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.286.141 (zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem 8419626) arrest van 9 februari 2021 in het incident in de zaak van [appellante] , wonende te [A] , appellante in de hoofdzaak, eiseres in het incident, in eerste aanleg: eisende partij in verzet, hierna: [appellante] , advocaat: mr. T.P. Boer, tegen: [geïntimeerde] , wonende te [A] , geïntimeerde in de hoofdzaak, verweerder in het incident, in eerste aanleg: gedaagde partij in verzet, hierna: [geïntimeerde] , advocaat: mr. M.F. van Willigen. 1De procedure bij de kantonrechter Wat er in deze zaak bij de kantonrechter is gebeurd, staat in de vonnissen van 10 juni 2020 en 21 oktober 2020 van de kantonrechter (rechtbank Gelderland, sector kanton, zittingsplaats Arnhem). 2De procedure bij het gerechtshof 2.1 Wat er in deze zaak bij het gerechtshof is gebeurd, blijkt uit: - de dagvaarding in hoger beroep van 13 november 2020 met de eis in het incident, - het antwoord in het incident ex artikel 351 Rv. 2.2 Daarna hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest in het incident aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest in het incident bepaald. 3De motivering van de beslissing in het incident 3.1 Deze zaak gaat - voor zover van belang voor de beoordeling in het incident - in het kort over het volgende. [geïntimeerde] is bij vonnis veroordeeld om aan Menzis € 13.875,52 te betalen, omdat ontvangen PGB-geld niet is verantwoord. [appellante] is bij eindvonnis van 21 oktober 2020 veroordeeld om aan [geïntimeerde] te betalen alles wat [geïntimeerde] op grond van dat vonnis aan Menzis moet betalen. [appellante] moet dat betalen, omdat zij (als zorgverlener) volgens de zorgovereenkomst tussen [geïntimeerde] en [appellante] de geleverde zorg op tijd moest declareren, maar dat niet heeft gedaan. Daardoor is de zorg onvoldoende verantwoord. [appellante] heeft hoger beroep ingesteld tegen het eindvonnis van 21 oktober 2020, dat uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Zij vordert in het incident dat het hof de tenuitvoerlegging van dat vonnis zal schorsen op grond van artikel 351 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna afgekort tot: Rv) tot het hof in de hoofdzaak een (eind)arrest heeft gewezen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het incident. [geïntimeerde] heeft die vordering bestreden. 3.2 Het hof is van oordeel dat de vordering in het incident moet worden afgewezen. 3.3 Bij de beoordeling van de vordering houdt het hof rekening met het volgende. Een veroordeling is uitvoerbaar, ook als daartegen hoger beroep is ingesteld. Op grond van artikel 351 Rv kan het hof, als hoger beroep is ingesteld tegen een vonnis dat uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, op vordering van een partij alsnog de tenuitvoerlegging van het vonnis schorsen. Het hof kan de tenuitvoerlegging schorsen als het belang van de veroordeelde partij bij behoud van de bestaande toestand zwaarder weegt dan het belang van de wederpartij. Het hof gaat hierbij uit van de overwegingen en beslissingen van het vonnis van de kantonrechter van 21 oktober
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.