← Nederland

ECLI:NL:GHARL:2021:1565

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer : Wahv 200.251.941/01 CJIB-nummer : 213909192 Uitspraak d.d. : 17 februari 2021 Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 28 november 2018, betreffende [de betrokkene] (hierna: de betrokkene), wonende te [A] . De gemachtigde van de betrokkene is B. de Jong LLB., kantoorhoudende te Gouda. De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard. Het verloop van de procedure De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend. De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. De beoordeling

  1. De kantonrechter heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat geen zekerheid is gesteld en niet is gebleken dat dit verschoonbaar is.
  2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de door de officier van justitie verzonden zekerheidsbrieven niet voldoen aan de daaraan te stellen eisen.
  3. In het dossier bevinden zich twee brieven van de officier van justitie omtrent de zekerheidstelling, te weten een brief van 25 mei 2018 en een brief van 11 juni
  4. Het hof stelt vast dat deze brieven niet voldoen aan de daaraan te stellen eisen. Het is het hof bovendien ambtshalve bekend dat in de in deze zaak relevante periode de tweede zekerheidsbrief niet is verzonden.
  5. In beginsel dient dit te leiden tot vernietiging van de beslissing van de kantonrechter. In dit geval is daartoe echter geen aanleiding. De betrokkene heeft namelijk tijdig een draagkrachtverweer gevoerd. Aldus is hij door de onjuiste vermeldingen in die zekerheidsbrieven en door het niet verzenden van de tweede zekerheidsbrief niet in zijn belangen geschaad.
  6. De kantonrechter heeft de zaak op 14 november 2018 op zitting behandeld. In de uitnodigingsbrief voor de zitting staat dat ter zitting de financiële positie van de betrokkene kan worden toegelicht en dat het raadzaam is om daarvan bewijstukken mee te brengen. De gemachtigde van de betrokkene is ter zitting verschenen. Hoewel de kantonrechter daar geen expliciete overweging aan heeft gewijd blijkt uit zijn beslissing dat hij het gevoerde draagkrachtverweer heeft verworpen. In beginsel dient de kantonrechter in een dergelijk geval de betrokkene vervolgens een nadere termijn te geven om alsnog zekerheid te stellen. Uit de beslissing van de kantonrechter blijkt echter dat de gemachtigde ter zitting naar voren heeft gebracht dat hij geen contact met de betrokkene kan krijgen, aangezien de betrokkene is gedetineerd en dat het stellen van een nadere termijn voor zekerheidstelling geen nut heeft. Gelet op deze mededelingen van de gemachtigde mocht de kantonrechter het ervoor houden dat afstand was gedaan van de betalingstermijn en hoefde hij de betrokkene geen nadere termijn meer te geven om alsnog zekerheid te stellen.
  7. Het voorgaande brengt mee dat de kantonrechter het beroep terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter dan ook bevestigen.
  8. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336). De beslissing Het gerechtshof: bevestigt de beslissing van de kantonrechter; wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af. Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Starreveld als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.