GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.267.806 (zaaknummer rechtbank C/08/181217) arrest van 23 februari 2021 in de zaak van de vennootschap naar het recht van Finland Etelä-Helsingin-Elä Inlääkäriasema Oy, gevestigd in Helsinki (Finland), appellante in het principaal hoger beroep, geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep, hierna: de koper, advocaat: mr. L.M. Schelstraete, tegen: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [geïntimeerde] Sportpaarden B.V., gevestigd in [A] , geïntimeerde in het principaal hoger beroep, appellante in het incidenteel hoger beroep, hierna: [verkoper] B.V. of de verkoper, advocaat: mr. S.A. Wensing. 1Samenvatting Deze zaak gaat over de vraag of een springpaard de eigenschappen had die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten. De rechtbank heeft na het vragen van een deskundigenbericht geconcludeerd dat dit zo was. Het hof is het daarmee eens en legt hierna uit waarom. 2De procedure bij de rechtbank Het hof verwijst naar de inhoud van de vonnissen van 18 mei 2016, 15 maart 2017, 9 augustus 2017, 6 december 2017, 30 januari 2019 en 3 juli 2019 die de rechtbank Overijssel (zittingsplaats Almelo) heeft gewezen. Tegen de laatstgenoemde vier vonnissen is hoger beroep ingesteld. 3De procedure in hoger beroep 3.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding in hoger beroep van 30 september 2019, - het anticipatie-exploot van 10 oktober 2019, - de memorie van grieven (met producties) - de memorie van antwoord/tevens van incidenteel hoger beroep (met producties), - de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep (met één productie). 3.2 Het hof heeft arrest bepaald (op één dossier). 4De vaststaande feiten Het hof gaat uit van de volgende vaststaande feiten. 4.1 In juli 2015 heeft [bestuurder van de koper] belangstelling getoond voor het springpaard [paard] , eigendom van de verkoper, die een springstal heeft en springpaarden traint en verkoopt. Het paard was bedoeld om bereden te worden door de dochter van [bestuurder van de koper] . [bestuurder van de koper] heeft een dierenartsenpraktijk in Finland en is bestuurder van de koper. 4.2 Rond 19 juli 2015 zijn [bestuurder van de koper] en zijn dochter naar Nederland gekomen en hebben het paard bezichtigd. Van die bezichtiging is beeldmateriaal gemaakt. 4.3 Naar aanleiding van observaties tijdens die bezichtiging heeft [bestuurder van de koper] de hem goed bekende dierenarts [dierenarts] (de vader van [verkoper] , bestuurder van de verkoper) benaderd. [bestuurder van de koper] heeft [dierenarts] in ieder geval gevraagd röntgenfoto’s en scans te maken van het paard. Dat heeft [dierenarts] ook gedaan op 20 juli 2015. Hij heeft die dag met zijn telefoon twee bestanden gestuurd aan [bestuurder van de koper] en er is die dag tussen hen ook een telefoongesprek gevoerd over het paard. 4.4 Vervolgens heeft de koper het paard gekocht van [verkoper] B.V. voor € 120.000,-, waarvan € 80.000,- is betaald. Het paard is getransporteerd naar Finland en op 26 juli 2015 overgedragen aan de koper. 4.5 Op 1 augustus 2015 heeft de dochter van [bestuurder van de koper] een wedstrijd gereden met het paard. Van die wedstrijd zijn beeldopnamen gemaakt. 4.6 Op 3 augustus 2015 heeft [bestuurder van de koper] via een e-mailbericht, zowel gericht aan [verkoper] als aan [dierenarts] , geklaagd over gebreken die het paard vertoonde. 4.7 Het paard staat nog steeds op stal bij de koper. 5De beslissing van de rechtbank hoofdprocedure 5.1 De koper heeft van de koopsom € 40.000,- onbetaald gelaten; dit bedrag heeft de verkoper bij de rechtbank van hem gevorderd (de vordering in conventie). De koper heeft daar bezwaar tegen gemaakt vanwege volgens hem al bij de levering aanwezige gebreken bij het paard. Hij heeft gevorderd (in reconventie) dat de koopovereenkomst wordt ontbonden, dat het door hem al betaalde bedrag van € 80.000,- wordt terugbetaald en dat de verkoper vergoeding van voor het paard gemaakte kosten betaalt, met rente en kosten. vrijwaring 5.2 De koper heeft daarnaast in vrijwaring opgeroepen de maatschap Paardenkliniek De Watermolen (hierna: de Paardenkliniek) en de drie maten van die maatschap, waaronder [dierenarts] . De koper heeft gevorderd (naast afgifte van door de Paardenkliniek gemaakte röntgenfoto’s van het paard) dat de maatschap en haar maten hoofdelijk veroordeeld worden te betalen waartoe zij in de hoofdzaak zullen worden veroordeeld en daarnaast dat de maatschap en de maten worden veroordeeld tot betaling van € 80.000,- en vergoeding van voor het paard gemaakte kosten, met rente en kosten. De Paardenkliniek heeft als tegenvordering de betaling van € 727,50 gevorderd voor het maken van de röntgenfoto’s. beslissing in de hoofdzaak 5.3 De rechtbank heeft eerst een deskundigenbericht gelast en heeft na het uitbrengen van het deskundigenrapport de deskundige op een zitting gehoord, in aanwezigheid van partijen in hoofd -en vrijwaringszaak. Op basis van de opinie van de deskundige heeft de rechtbank geconstateerd dat het paard ten tijde van de levering geen voor een springpaard relevante mankementen had en beantwoordde aan de overeenkomst. 5.4 In de hoofdzaak is de koper daarom veroordeeld tot betaling van de resterende koopsom van € 40.000,- en zijn de vorderingen van de koper afgewezen, met haar veroordeling in de kosten van de procedure. beslissing in de vrijwaringszaak 5.5 In de vrijwaringsprocedure heeft de rechtbank geconstateerd dat, gelet op de beslissing in de hoofdzaak, niet vast is komen te staan dat de Paardenkliniek door het verstrekken van een positief aankoopadvies toerekenbaar tekortgekomen is. De rechtbank heeft niet beoordeeld of de Paardenkliniek een deugdelijk onderzoek heeft gedaan omdat niet vast is komen te staan dat door het opvolgen van het advies schade is ontstaan; het paard vertoonde ten tijde van de levering immers geen relevante tekortkomingen. De tegenvordering van de Paardenkliniek is afgewezen, omdat de grondslag van die vordering niet is komen vast te staan. 6De beoordeling in hoger beroep kern van de zaak in de hoofdzaak 6.1 De vraag die in deze hoofdzaak voorligt is of het gekochte paard de eigenschappen heeft die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten. De bijzondere omstandigheden van deze koopovereenkomst zijn daarbij van belang en zullen hierna besproken worden. wat wordt behandeld in het hoger beroep in deze hoofdzaak 6.2 De koper heeft bezwaar gemaakt tegen de weergave door de rechtbank (in rov 3.3. van het vonnis van 9 augustus 2017) van de afspraken tussen [bestuurder van de koper] en dierenarts [dierenarts] . De koper voert aan dat deze afspraken niet volledig zijn weergegeven, maar heeft tegelijkertijd niet betwist dat wat wel in die rechtsoverweging is vermeld, vaststaat. Het hof heeft de feiten bovendien opnieuw vastgesteld (hiervoor onder 3). Daarmee is het eerste bezwaar van de koper tegen de bestreden vonnissen (grief 1) behandeld en verworpen. 6.3 Over de reikwijdte van de opdracht die [bestuurder van de koper] namens de koper aan de dierenarts heeft gegeven, zal niet worden beslist in dit arrest, maar in het arrest dat tegelijkertijd zal worden gewezen in het hoger beroep in de vrijwaringszaak (met zaaknummer A.200.267.807, waarin de koper de dierenartsen in vrijwaring heeft opgeroepen). Zoals hierna zal blijken, is deze kwestie niet van belang voor de rechtsverhouding tussen de koper en de verkoper waar het in deze zaak om gaat. Daarom heeft de verkoper, die ook de reikwijdte van deze opdracht aan de orde heeft gesteld (in het door haar ingestelde incidentele hoger beroep), geen belang bij de bespreking van haar stellingen op dit punt. Het incidentele beroep wordt daarom verworpen. internationale aspecten 6.4 De Nederlandse rechter is bevoegd, omdat de koper, gevestigd in Finland, in de procedure is verschenen en de rechtsmacht van de Nederlandse rechter niet heeft betwist. De speciale bevoegdheidsregels voor door consumenten gesloten overeenkomsten zijn niet van toepassing, omdat de koper geen natuurlijk persoon is. Dat dit een vereiste is, blijkt uit de definitie van artikel 17 (herschikte) EEX-Verordening. 6.5 Omdat de rechtbank is uitgegaan van de toepasselijkheid van Nederlands recht zal het hof dat ook doen; partijen hebben zich daar, ook in hoger beroep, niet tegen verzet. geen consumentenkoop, Weens koopverdrag van toepassing 6.6 Aangezien de koper een rechtspersoon is (en dus geen natuurlijk persoon) kan zij geen beroep doen op de bijzondere regelingen van consumentenbescherming (dus ook niet op het bewijsvermoeden van artikel 7:18 lid 2 BW). Dit blijkt uit de definitie van consumentenkoop in artikel 7:5 BW en in artikel 1 lid 2 onder a van Richtlijn 1999/44/EG. 6.7 Het tweede bezwaar van de koper (grief 2) is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de koper zich niet op artikel 7:18 lid 2 BW kan beroepen. Dat bezwaar gaat dus niet op. De koper voert ook nog aan dat het Weens Koopverdrag niet van toepassing is op deze zaak. De rechtbank heeft echter niet geoordeeld dat dit Verdrag van toepassing is. Toepasselijkheid van het Verdrag leidt ook niet tot een ander oordeel dan de rechtbank heeft gegeven; artikel 35 van het Weens Koopverdrag komt inhoudelijk overeen met artikel 7:17 BW. 6.8 Overigens oordeelt het hof dat het Weens Koopverdrag wel van toepassing is. De uitzondering voor consumentenkoop die voorkomt in artikel 2 sub a van dit Verdrag geldt alleen als de koop uitsluitend bedoeld is voor persoonlijk gebruik of gebruik in gezin of huishouden. Daarvan is geen sprake, zoals hiervoor al geconstateerd. rechtskader 6.9 De koper heeft gesteld dat het paard niet aan de overeenkomst beantwoordt. Om dit te beoordelen moet worden beoordeeld of het paard (mede gelet op de aard van de zaak en de mededelingen die de verkoper daarover heeft gedaan) de eigenschappen bezit die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.