Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-002041-20 Uitspraak d.d.: 24 februari 2021 TEGENSPRAAK Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 23 juni 2020 met parketnummer 16-183740-19 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002, wonende te [woonplaats] , [woonadres] . Het hoger beroep De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 10 februari 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde (medeplegen van schuldwitwassen) tot een voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 25 uren, subsidiair 12 dagen vervangende jeugddetentie, met een proeftijd van 2 jaren. De vordering van de benadeelde partij dient overeenkomstig het oordeel van de rechtbank hoofdelijk te worden toegewezen tot een bedrag van € 1.852,15 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Ook dient de schadevergoedingsmaatregel te worden opgelegd. Ter zake van de overige materiële en immateriële schade heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsman, mr. B.H.J. van Rhijn, naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep De rechtbank heeft bij vonnis van 23 juni 2020 de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde medeplegen van schuldwitwassen, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 30 uren, subsidiair 15 dagen jeugddetentie. Voorts is de vordering van de benadeelde partij hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 1.852,15 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ten aanzien van de overige gevorderde materiële en immateriële schade is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering. Bevestiging met uitzondering van straftoemeting Het hof is van oordeel dat de rechtbank met betrekking tot de bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde op juiste wijze heeft beslist. De verweren die in hoger beroep zijn gevoerd, zijn in de kern gelijk aan die in eerste aanleg naar voren zijn gebracht. Op grond van de bewijsmiddelen zoals die in het vonnis zijn uitgewerkt - de hierna te noemen verbeteringen daarbij in aanmerking genomen - kan wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van schuldwitwassen, meermalen gepleegd. Het hof zal het vonnis dan ook bevestigen, met dien verstande dat het hof de gebezigde bewijsmiddelen op onderdelen zal verbeteren en de bewijsoverweging zal vervangen. Ook zal het vonnis worden bevestigd met betrekking tot de vordering van benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel. Tot slot komt het hof ten aanzien van de opgelegde taakstraf tot een andere beslissing dan de rechtbank, zodat het vonnis in zoverre zal worden vernietigd. Verbetering van bewijsmiddelen De bewijsmiddelen zoals die in het vonnis zijn opgenomen ter zake van het primair tenlastegelegde schuldwitwassen worden door het hof als volgt verbeterd: Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van [verdachte] d.d. 19 maart 2018 (p. 3 vonnis): De opgenomen zin ‘Verdachte vroeg hem of er nog geld op zijn rekening stond en hoeveel dat was’ wordt: ‘[medeverdachte1] (het hof begrijpt: [medeverdachte1] ) vroeg verdachte of er nog geld op zijn rekening stond en hoeveel dat was’; De opgenomen zin ‘Verdachte zag dat er 1.027 euro op mijn rekening stond en schrok daarvan’ wordt: Verdachte zag dat er 1.027 euro op zijn rekening stond en schrok daarvan’. De opgenomen zin ‘Verdachte las dat [medeverdachte1] zei dat de rest van het geld op zijn rekening dezelfde dag en de dag erna (zaterdag 10 maart 2018) gepind zou worden’ wordt: ‘Verdachte las dat [medeverdachte1] zei dat de rest van het geld op verdachtes rekening dezelfde dag en de dag erna (zaterdag 10 maart 2018) gepind zou worden’. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 april 2018 (p. 3 vonnis): De opgenomen zin ‘Verbalisant [verbalisant1] heeft gerelateerd dat bij de aangifte van verdachte enkele bankafschriften waren gevoegd van zijn rekening (…)’ wordt: ‘Verbalisant [verbalisant1] heeft gerelateerd dat bij de aangifte van verdachte enkele bankafschriften waren gevoegd van verdachtes rekening (…)’; De opgenomen zin ‘ [verbalisant1-A] zag dat er (…)’ wordt: ‘[verbalisant1] zag dat er (…)’. Vervangende bewijsoverweging: De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep - kort gezegd - aangevoerd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de primair tenlastegelegde variant schuldwitwassen nu de verdachte niet redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de geldbedragen die op zijn rekening werden gestort van enig misdrijf afkomstig waren. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Ingevolge artikel 420quater, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, maakt hij zich schuldig aan het witwassen van een goed indien hij redelijkerwijs moet vermoeden dat dit goed afkomstig is uit enig misdrijf. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad moet het gaan om grove of aanmerkelijke onvoorzichtigheid ten aanzien van de herkomst van het goed. Daarvan is sprake indien een verdachte bij enig nadenken over de hem bekende gegevens betreffende het goed had kunnen vermoeden dat het goed van misdrijf afkomstig was en hij zonder nader onderzoek naar de herkomst van het goed niet had mogen handelen zoals is bewezen verklaard. Wat van een verdachte omtrent de in acht te nemen voorzichtigheid verwacht mag worden, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Het hof stelt op basis van de bewijsmiddelen, zoals die in het vonnis zijn uitgewerkt en door het hof zijn verbeterd, het volgende vast. Op 6 maart 2018 wordt verdachte benaderd door een vriend, tevens medeverdachte, [medeverdachte1] , met de vraag of hij de bankpas van verdachte mag lenen. [medeverdachte1] verklaart dat iemand geld op zijn rekening zou storten, maar dat hij geen geld kan opnemen met zijn eigen bankpas. Verdachte wordt toegezegd dat hij de helft van het gestorte geldbedrag mag houden. Verdachte twijfelt even, maar gaat uiteindelijk akkoord en geeft [medeverdachte1] zijn bankpas en pincode mee. Een dag later zou verdachte zijn pas terugkrijgen. Op 7 maart 2018 komt verdachte er achter dat [medeverdachte1] niet langer over zijn bankpas beschikt, maar dat deze in handen is van een onbekende derde. Wanneer verdachte op 8 maart 2018 van [medeverdachte1] bericht ontvangt dat er geen geld opgenomen kan worden met de bankpas van verdachte, activeert verdachte een dag later zijn bankpas en geeft hij dit door aan [medeverdachte1] . Op de bankrekening van verdachte worden kort daarna twee geldbedragen overgemaakt van € 624,15 en € 402,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.