GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht, handel zaaknummers gerechtshof 200.259.964/02 en 200.259.977/02 (zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, NL17.14277 en NL18.6363) arrest van 12 januari 2021 in de zaak met nummer 200.259.964/02 van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Beheermaatschappij [appellante] B.V., gevestigd te [A] , appellante, in eerste aanleg: eiseres van de vordering, verweerster op de tegenvordering, advocaat: mr. J.W. Mouthaan, tegen: 1. mr. [geïntimeerde1] in haar hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Import Cooperation Europe B.V., kantoorhoudende te Tiel, 2. mr. [geïntimeerde1], wonende te Utrecht, geïntimeerden, in eerste aanleg: verweersters op de vordering, sub 1 tevens eiseres van de tegenvordering, advocaat: mr. C.G. Klomp, en in de zaak met nummer 200.259.977/02 van [appellant] , wonende te [A] , appellant, in eerste aanleg: verweerder op de vordering, advocaat: mr. J.W. Mouthaan, tegen: mr. [geïntimeerde1] in haar hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Import Cooperation Europe B.V., kantoorhoudende te Tiel, geïntimeerde, in eerste aanleg: eiseres van de vordering, advocaat: mr. C.G. Klomp. Appellanten in de beide zaken worden hierna ‘Beheer’ respectievelijk ‘ [appellant] ’ genoemd en gezamenlijk ‘ [appellanten] c.s.’. Geïntimeerden in de beide zaken worden hierna gezamenlijk genoemd: ‘de curator’. 1Het verdere verloop van het geding in hoger beroep 1.1 Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest in incident van 14 april 2020 hier over. 1.2 Vervolgens hebben partijen arrest verzocht en heeft het hof arrest bepaald. 2De vaststaande feiten Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.26 van het vonnis, behoudens voor zover [appellanten] c.s. daar grieven tegen heeft gericht in grief 2. Het hof zal, voor zover relevant, bij de inhoudelijke beoordeling ingaan op wat [appellanten] c.s. in grief 2 heeft aangevoerd, zodat grief 2 niet afzonderlijk zal worden besproken. 3De motivering van de beslissing in hoger beroep 3.1 In deze gevoegde hoger beroepsprocedures liggen enerzijds de vragen voor of de curator pro se (persoonlijk) of (subsidiair) q.q. (in hoedanigheid van curator) aansprakelijk is jegens Beheer wegens onrechtmatig handelen en of Beheer vorderingen heeft in het faillissement van Import Cooperation Europe B.V. (hierna: Import) en anderzijds de vraag of Beheer en [appellant] als (indirect) bestuurders van Import wegens onbehoorlijke taakvervulling aansprakelijk zijn jegens de faillissementsboedel van Import. Het hof zal eerst de gestelde aansprakelijkheid van de curator beoordelen en daarna de gestelde aansprakelijkheid van [appellanten] c.s. Voordat het hof aan de beantwoording van deze vragen toekomt, zal grief 1 van [appellanten] c.s. worden besproken. Grief 1: geen schending hoor en wederhoor 3.2 Grief 1 van [appellanten] c.s. richt zich tegen de beslissing van de rechtbank van 20 april 2018 om, na een verzoek daartoe door de curator, het verweerschrift van [appellanten] c.s. van 16 april 2018 (deels) te weigeren. [appellanten] c.s. stelt dat de rechtbank het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden (artikel 19 Rv) door haar verweerschrift (deels) te weigeren zonder haar in de gelegenheid te hebben gesteld om te reageren op het verzoek van de curator om het verweerschrift deels buiten beschouwing te laten. 3.3 In deze grief miskent [appellanten] c.s. dat artikel 30o Rv (nieuw), waar zij naar verwijst, een ‘kan-bepaling’ betreft en geen verplichting inhoudt voor de rechtbank om [appellanten] c.s. in de gelegenheid te stellen te reageren op het verzoek van de curator. Op grond van artikel 1.5 van het Landelijk procesreglement civiele zaken rechtbanken en hoven KEI had [appellanten] c.s. tot twee werkdagen na ontvangst van het verzoek van de curator de gelegenheid om daarop te reageren, maar zij heeft deze termijn ongebruikt laten verstrijken. Van schending van hoor en wederhoor is dan ook niet gebleken. Omdat [appellanten] c.s. in hoger beroep de gelegenheid heeft gehad om de geweigerde delen van haar verweerschrift alsnog naar voren te brengen (de herstelfunctie van het hoger beroep), heeft zij bovendien geen belang (meer) bij deze grief. Grief 1 slaagt daarom niet. Grief 3: geen aansprakelijkheid van de curator 3.4 Grief 3 richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de curator (pro se en q.q.) niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens Beheer. [appellanten] c.s. verwijt de curator, zo begrijpt het hof, dat deze 1) aan Beheer verpande roerende zaken heeft verkocht terwijl zij van het rechtsgeldige pandrecht van Beheer op de hoogte was en dit had moeten erkennen, 2) de verpande zaken voor een veel te lage prijs heeft verkocht op basis van een onjuiste biedingsprocedure en een onjuiste taxatie, waarbij zij 3) de rechter-commissaris meermaals onvolledig heeft geïnformeerd. De curator heeft daardoor de belangen van de boedel niet optimaal behartigd, aldus [appellanten] c.s. Verder verwijt [appellanten] c.s. de curator dat zij geen boedelbeschrijving ex artikel 94 Fw heeft opgemaakt en dat zij niet direct na het uitspreken van het faillissement de sloten van de bedrijfsruimte van Import heeft vervangen om toegang voor werknemers en de onderhuurder daartoe onmogelijk te maken. 3.5 Bij de beoordeling of de curator aansprakelijk is jegens [appellanten] c.s., moet worden onderscheiden tussen de aansprakelijkheid van de curator q.q. (in hoedanigheid) en pro se (persoonlijk). Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad geldt voor aansprakelijkheid van een curator pro se het volgende uitgangspunt. Voor zover de faillissementscurator bij de uitoefening van zijn taak niet is gebonden aan regels, komt hem in beginsel een ruime mate van vrijheid toe. Bij het gebruikmaken van die vrijheid geldt de Maclou-norm die inhoudt dat een curator, kort gezegd, behoort te handelen zoals in redelijkheid mag worden verlangd van een over voldoende inzicht en ervaring beschikkende curator die zijn taak met nauwgezetheid en inzet verricht. De curator dient zich te richten naar het belang van de boedel, maar het is in beginsel aan zijn inzicht overgelaten op welke wijze en langs welke weg dat belang het beste kan worden gediend. Voor zover de curator wel is gebonden aan regels, heeft hij de hiervoor genoemde beleidsvrijheid niet. Komt hij die regels niet na, dan zal hij in beginsel op die grond persoonlijk aansprakelijk zijn jegens degenen met de belangen van wie hij bij de naleving van die regels rekening diende te houden. Verder stelt het hof voorop dat het verweten handelen van de curator moet worden beoordeeld naar de situatie zoals deze ten tijde van dat handelen was (ex tunc). Daarbij is mede van belang over welke informatie de curator op dat moment beschikte. Pandrechten van Beheer 3.5 Het tweede onderdeel van grief 3 richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de curator niet onrechtmatig jegens [appellanten] c.s. heeft gehandeld. [appellanten] c.s. stelt zich daarbij allereerst op het standpunt dat de curator de rechtsgeldigheid van de pandrechten van Beheer op de bedrijfsvoorraden van Import had moeten erkennen. Het hof volgt dit standpunt niet en licht dat hieronder verder toe. 3.6 Op 8 november 2016 heeft [appellanten] c.s., vergezeld van de accountant en boekhouder, een bespreking gevoerd op het kantoor van de curator waarbij onder meer is gesproken over het gestelde pandrecht van Beheer op de bedrijfsvoorraden van Import. [appellanten] c.s. heeft daarbij twee geregistreerde pandlijsten overhandigd aan de curator. Zij stelt zich op het standpunt dat de curator alleen al op grond van deze twee geregistreerde pandlijsten het pandrecht van Beheer had moeten erkennen omdat de beide pandlijsten op zichzelf een (zelfstandige) pandakte vormen. Het hof volgt [appellanten] c.s. niet in dit betoog. Voor vestiging van een bezitloos pandrecht zoals hier aan de orde is op grond van artikel 3:237 lid 1 jo 3:236 lid 2 jo 3:84 BW onder meer een geldige titel voor verpanding vereist. In de pandlijsten wordt weliswaar gerefereerd aan een bestaande verpandingsovereenkomst tussen Beheer en Import van 31 december 2014 (de titel), maar het bestaan van deze overeenkomst dient ook te blijken. De verwijzing in de overgelegde pandlijsten is daarvoor niet voldoende, hetgeen de curator [appellanten] c.s. ook meermaals in e-mailcorrespondentie heeft bericht. Los van de ook toen al bestaande discussie tussen [appellanten] c.s. en de curator of Beheer wel een (onderliggende) vordering had op Import waarvoor zij een pandrecht kon uitoefenen, zijn de overgelegde pandlijsten alleen onvoldoende om de rechtsgeldigheid van het pandrecht van Beheer te kunnen beoordelen. De curator hoefde het pandrecht van Beheer dan ook niet alleen al op grond van de pandlijsten te erkennen. 3.7 Hoewel uit de overgelegde producties blijkt dat de communicatie tussen [appellanten] c.s. en de curator niet optimaal is geweest, heeft de curator [appellanten] c.s. meermaals duidelijk medegedeeld dat zij ook de onderliggende overeenkomst nodig had om de rechtsgeldigheid van het pandrecht van Beheer te kunnen beoordelen. In een brief van 11 november 2016 schrijft de curator: “De onderliggende overeenkomsten bij deze pandaktes heeft u echter nog niet verstrekt”. Zij vraagt in die brief om (onder meer) deze stukken uiterlijk op 16 november 2016 aan te leveren. Per e-mail van 23 november 2016 (13.28 uur)schrijft de curator aan [appellanten] c.s. dat zij het pandrecht op onder meer de voorraden van Import nog niet inhoudelijk heeft kunnen beoordelen omdat de onderliggende kredietdocumentatie nog niet door [appellanten] c.s. is aangeleverd. [appellanten] c.s. voert aan dat zij de pandakte die ten grondslag ligt aan de pandlijsten per e-mail van 24 november 2016 aan de curator heeft gestuurd. Zij heeft een kopie van de betreffende e-mail overgelegd en metagegevens waaruit volgens haar blijkt dat de e-mail ook daadwerkelijk door de curator is ontvangen. De curator betwist dit. 3.8 Naar het oordeel van het hof past de door [appellanten] c.s. gestuurde e-mail van 24 november 2016 niet logisch in de daaraan voorafgaande en de daarna volgende e-mailcorrespondentie met de curator. Uit de overgelegde producties blijkt dat de curator ook na 24 november 2016 blijft mededelen dat zij de pandakte niet heeft en die nog wil ontvangen. Onder meer schrijft de curator in een e-mail van 6 december 2016 (onder 4) nogmaals dat Beheer niet heeft aangetoond dat er sprake is van een geldige titel voor verpanding van de bedrijfsvoorraden. [appellanten] c.s. refereert in haar e-mails na 24 november 2016 (bijvoorbeeld die van 28 november 2016 of 13 december 2016, 8:41 uur) ook niet aan de e-mail met de pandakte. Nadat de curator per e-mail van (eveneens) 13 december 2016 (10:55 uur, onder punt 4) nogmaals berichtte dat [appellanten] c.s. niet heeft aangetoond dat zij een rechtsgeldig pandrecht heeft omdat de nodige stukken nog ontbreken, reageerde [appellanten] c.s. enkel met de opmerking “volgens mij heb ik dit gedaan door de stukken die ik ontving van accountskantoor VBA van Braak naar u door te sturen”. Tot slot heeft [appellanten] c.s. ook tijdens het faillissementsverhoor van 20 december 2016 geen melding gemaakt van de e-mail van 24 november 2016. In het proces-verbaal van het faillissementsverhoor staat juist opgenomen dat [appellanten] c.s. heeft afgesproken: “Ook zal ik mr. Boersen nog stukken doen toekomen met betrekking tot (…) de verpandingsstukken, (…).”. De curator heeft deze afspraak per brief van 23 december 2016 nogmaals bevestigd en uit de brief van de curator van 23 januari 2017 blijkt dat [appellanten] c.s. vervolgens op 16 januari 2017 de geregistreerde overeenkomst van verpanding van (onder meer) voorraden van 31 december 2014 aan de curator heeft gegeven. 3.9 Omdat Beheer stelde pandrechten te hebben en deze wilde uitoefenen in het faillissement van Import en daarmee dus handelde in haar hoedanigheid van pandhouder (separatist) in het faillissement, lag het op haar weg om zo snel mogelijk de (volledige) stukken aan te leveren die de curator nodig had om het bestaan van dat pandrecht te beoordelen. Gelet op de e-mailcorrespondentie en het faillissementsverhoor van na 24 november 2016, heeft [appellanten] c.s. onvoldoende onderbouwd dat de curator de e-mail van 24 november 2016 en de daarbij meegestuurde pandakte vanaf dat moment kende. Dat deze e-mail volgens de metagegevens in de inbox van de curator moet zijn gekomen, maakt dat niet anders. Dat wil niet zeggen dat de e-mail ook daadwerkelijk door de curator is gezien of gelezen. Uit niets blijkt dat dit het geval is geweest. Uit de mededelingen en verzoeken van de curator na 24 november 2016 was het [appellanten] c.s. bovendien duidelijk of had het haar duidelijk moeten zijn dat de curator in de veronderstelling verkeerde de pandakte nog niet te hebben ontvangen. Het was aan Beheer als pandhouder om de curator de benodigde informatie nogmaals toe te sturen of haar concreet te wijzen op de betreffende e-mail van 24 november 2016. De opmerking ‘volgens mij heb ik dit gedaan door stukken door te sturen’ is daarvoor niet voldoende. Dat [appellant] tijdens het faillissementsverhoor vanwege overspannenheid wellicht niet nogmaals heeft verwezen naar de volgens hem al verstuurde pandakte, maakt het voorgaande niet anders. Verkoop van de voorraden van Import 3.10 De curator heeft [appellanten] c.s. meermaals (per e-mails van 23 november (twee keer) en6 december 2016) medegedeeld dat zij zou overgaan tot verkoop van de bedrijfsvoorraden, onder meer omdat zij de door Import gehuurde bedrijfsruimte leeg diende op te leveren aan de verhuurder. Beheer had er ook daarom belang bij de curator alsnog zo snel mogelijk te voorzien van de benodigde informatie over haar pandrechten. [appellanten] c.s. heeft pas in zijn e-mail van 13 december 2016 (in het algemeen) tegen de voorgenomen verkoop geprotesteerd, zonder stukken mee te sturen. De curator heeft de inventaris en bedrijfsvoorraden van Import vervolgens op 16 december 2016 verkocht. [appellanten] c.s. voert aan dat de curator geen reden had om tot deze snelle verkoop van de bedrijfsvoorraden over te gaan omdat de gehuurde bedrijfsruimte pas medio februari 2017 hoefde te worden opgeleverd; de curator had met de verkoop moeten wachten. Het hof volgt dat standpunt niet. De curator heeft de huurovereenkomst met de verhuurder op 11 november 2016 opgezegd, zodat de bedrijfsruimte op 11 februari 2017 leeg diende te worden opgeleverd. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de biedende partijen vanwege de feestdagen in december ongeveer 8 weken nodig hadden om de voorraden vanuit de bedrijfsruimte van Import te verkopen en de bedrijfsruimte leeg en bezemschoon op te leveren aan de curator. Vanwege deze (niet ongebruikelijke en niet onredelijke) termijnen had de faillissementsboedel er belang bij dat de bedrijfsvoorraden medio december 2016 door de curator werden verkocht zodat het pand op tijd kon worden opgeleverd aan de verhuurder (en er geen nieuwe boedelvorderingen uit hoofde van huur na datum faillissement zouden ontstaan). 3.11 Niet is komen vast te staan dat de curator op het moment van de verkoop van de bedrijfsvoorraden de pandakte kende en de pandrechten van [appellanten] c.s. inhoudelijk had kunnen beoordelen, zodat niet is gebleken dat zij ten onrechte en in weerwil van rechtsgeldige pandrechten, de bedrijfsvoorraden van Import heeft verkocht. De curator heeft naar oordeel van het hof bovendien voldoende rekening gehouden met de (mogelijke) rechten van [appellanten] c.s. door meermaals te vragen om de onderliggende verpandingsstukken over te leggen, de verkoop van de voorraden eveneens meermaals aan te kondigen en door per e-mail aan te bieden om afspraken met [appellanten] c.s. te maken over de verdeling van de opbrengst van de voorraden, mocht later alsnog komen vast te staan dat [appellanten] c.s. een rechtsgeldig pandrecht heeft. [appellanten] c.s. heeft van die uitnodiging geen gebruik gemaakt. Deze handelswijze levert dan ook geen aansprakelijkheid (pro se of q.q.) op van de curator jegens [appellanten] c.s. 3.12 Dat de curator de rechter-commissaris onjuist heeft voorgelicht bij het vragen van toestemming voor de voorgenomen verkoop, ziet het hof evenmin in. De brief van de curator van 13 december 2016 aan de rechter-commissaris maakt melding van de uitgenodigde opkopers, de biedingen, de (gepretendeerde) vordering en pandrechten van Beheer op de voorraden en het ontbreken van onderliggende stukken om die vordering en pandrechten te kunnen beoordelen. Dat de e-mail van 24 november 2016 met de pandakte niet in de brief wordt genoemd, zoals [appellanten] c.s. aanvoert, ligt voor de hand nu niet is komen vast te staan dat de curator deze e-mail en de pandakte op dat moment kende. [appellanten] c.s. stelt zich verder op het standpunt dat ook haar e-mail van 13 december 2016 had moeten worden overgelegd aan de rechter-commissaris. De informatie in de e-mail van 13 december 2016 (waaronder de discussie over de pandrechten) is echter in grote lijnen meegenomen in de brief van de curator. Het geheel of gedeeltelijk meesturen van de met [appellanten] c.s. hierover gevoerde correspondentie was daarom naar oordeel van het hof niet nodig en het achterwege laten daarvan levert in elk geval geen onrechtmatig handelen op jegens [appellanten] c.s. De taxatie, het biedingsproces en de waarde van de voorraden 3.13 [appellanten] c.s. stelt verder dat de uitgevoerde taxatie van de bedrijfsvoorraden en het biedingsproces ondeugdelijk zijn geweest en dat de curator de voorraden voor een veel te laag bedrag heeft verkocht en daardoor de boedel heeft benadeeld. In de kern komt het verwijt van [appellanten] c.s. erop neer dat de curator geen gebruik heeft gemaakt van de voorraadlijsten van Import die zij volgens [appellanten] c.s. tot haar beschikking had en waaruit zou blijken dat de bij Import aanwezige voorraden een veel hogere waarde hadden dan waarvoor ze uiteindelijk zijn verkocht. [appellanten] c.s. stelt onder meer dat de pandlijsten die zij aan de curator heeft verstrekt op 8 november 2016 voorraadlijsten zijn die aan de taxateur en aan de opkopers hadden moeten worden verstrekt. Uit de pandlijsten van 16 januari 2015 en 28 september 2016 volgt een waarde van de voorraden van € 108.606,43, respectievelijk € 152.033,67. De voorraden zijn verkocht voor een bedrag van € 20.750,= (inclusief showroomkeukens die deels van een derde waren die daarvoor een nettobedrag (dus verminderd met de boedelbijdrage) van € 3.750,= van de opbrengst heeft ontvangen). [appellanten] c.s. stelt zich op het standpunt dat de voorraden dan ook voor een veel te lage waarde zijn verkocht. 3.14 [appellanten] c.s. gaat er hierbij ten onrechte aan voorbij dat de pandlijst van 16 januari 2015 (met een weergave van de voorraden per 8 januari 2015) sterk verouderd was op het moment van het intreden van het faillissement op 1 november 2016. De pandlijst van 28 september 2016 toont een opgave van de voorraden van Import per 20 mei 2016, ongeveer een half jaar vóór het faillissement. Deze lijst is daarmee eveneens (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.