GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.277.931/01 (zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 480152) beschikking van 4 maart 2021 inzake [verzoekster] , wonende te [A] ,verzoekster in hoger beroep, verder te noemen: de moeder, advocaat: mr. N.H.G. Beltman te Amsterdam, en de raad voor de kinderbescherming, gevestigd te Utrecht, verweerder in hoger beroep, verder te noemen: de raad, Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt: [de vader] , wonende te [B] , verder te noemen: de vader, en de gecertificeerde instellingstichting Samen Veilig Midden-Nederland, gevestigd te Almere, verder te noemen: de GI, en Zorgboerderij [C], gevestigd te [D] , verder te noemen: het gezinshuis. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad (hierna: de rechtbank), van 31 december 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 30 maart 2020; - het verweerschrift van de raad; - een brief van mr. Beltman van 1 mei 2020 met productie(s); - een journaalbericht van mr. Beltman van 11 augustus 2020 met productie(s); - een journaalbericht van mr. Beltman van 1 september 2020 met productie(s); - een journaalbericht van mr. Beltman van 15 september 2020 met productie(s); - een brief van de GI van 6 november 2020. 2.2 De mondelinge behandeling heeft op 25 januari 2021 plaatsgevonden. De moeder is verschenen, bijgestaan door haar advocaat. Namens de raad is mevrouw [E] verschenen. Namens de GI waren mevrouw [F] en mevrouw [G] in verband met de coronamaatregelen aanwezig door middel van een Skype-verbinding. 3De feiten 3.1 De vader en de moeder hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. De minderjarige kinderen van de vader en de moeder zijn: - [de minderjarige1] (hierna: [de minderjarige1] ), geboren [in] 2007; - [de minderjarige2] (hierna: [de minderjarige2] ), geboren [in] 2008; - [de minderjarige3] (hierna: [de minderjarige3] ), geboren [in] 2010, en - [de minderjarige4] (hierna: [de minderjarige4] ), geboren [in] 2011. Tot de bestreden beschikking hebben de vader en de moeder gezamenlijk het gezag over de minderjarigen uitgeoefend. 3.2 De moeder heeft nog een inmiddels meerderjarige zoon: [de meerderjarige] , geboren [in] 2002. 3.3 De minderjarigen zijn op 29 december 2017 voorlopig onder toezicht gesteld van de GI. Bij beschikking van de rechtbank van 27 maart 2018 zijn de kinderen definitief onder toezicht gesteld van de GI en is een machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige kinderen verleend. De ondertoezichtstelling is nadien verlengd, laatstelijk tot 29 maart 2020. 3.4 [de minderjarige2] verblijft in een pleeggezin. [de minderjarige1] , [de minderjarige3] en [de minderjarige4] verblijven in het gezinshuis. 4De omvang van het geschil 4.1 Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank op verzoek van de raad, het gezag van de moeder en de vader over [de minderjarige1] , [de minderjarige2] , [de minderjarige3] en [de minderjarige4] beëindigd en de GI tot voogdes benoemd. 4.2 De moeder is in hoger beroep gekomen van de beschikking van 31 december 2019. De moeder verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen voor zover daarbij het ouderlijk gezag van de moeder over [de minderjarige3] en [de minderjarige4] is beëindigd en – naar het hof begrijpt – het verzoek van de raad tot beëindiging van het ouderlijk gezag van de moeder over [de minderjarige3] en [de minderjarige4] af te wijzen. 4.3 De raad voert verweer en verzoekt de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep, dan wel het verzoek in hoger beroep af te wijzen, met bekrachtiging van de bestreden beschikking. 5De motivering van de beslissing Ontvankelijkheid hoger beroep 5.1 Het hof heeft op 13 augustus 2020 een brief met bijlagen ontvangen waaruit onder meer blijkt dat het beroepschrift van de moeder gericht aan het hof op 30 maart 2020 middels een fax is ingediend, zij het bij de rechtbank Midden-Nederland. Zoals het hof partijen vervolgens bericht heeft, zal het hof in deze beschikking een definitief oordeel geven over de ontvankelijkheid van het op deze wijze ingediende hoger beroep. Volgens vaste jurisprudentie geldt dat, indien een beroepschrift is gericht aan de juiste instantie, maar wordt ingediend bij een ander gerecht, een dergelijk beroepschrift geacht wordt te zijn ingediend op het tijdstip van binnenkomst bij het andere, verkeerde gerecht. Omdat het hoger beroep tijdig bij de rechtbank is ingediend, is de moeder dan ook ontvankelijk in haar hoger beroep. Gezag 5.2 Op grond van artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter het gezag van een ouder beëindigen indien a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of b. de ouder het gezag misbruikt. 5.3 Ingevolge artikel 1:247 lid 2 BW worden onder verzorging en opvoeding mede verstaan de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn en de veiligheid van het kind alsmede het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid. In de verzorging en opvoeding van het kind passen de ouders geen geestelijk of lichamelijk geweld of enige andere vernederende behandeling toe. 5.4 De moeder stelt dat nooit is gekeken naar de mogelijkheden om de kinderen weer bij haar te plaatsen en welke hulpverlening daarvoor nodig zou zijn. Zij erkent dat ze fouten heeft gemaakt en dat het voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] op dit moment beter is dat zij uit huis geplaatst blijven, maar ze wil een kans krijgen om te laten zien dat zij voor de jongste twee kinderen kan zorgen. De moeder bestrijdt dat [de minderjarige3] en [de minderjarige4] een belaste voorgeschiedenis hebben en stelt dat de uithuisplaatsing een direct gevolg is geweest van de mishandeling van [de meerderjarige] door haar toenmalige partner, de heer [H] . 5.5 Het hof overweegt als volgt. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is het hof voldoende gebleken dat er ten tijde van de uithuisplaatsing in 2018 ernstige zorgen waren over het gezin. Bij de moeder thuis was sprake van een onveilige en instabiele opvoedsituatie, ondanks jarenlange en veelvuldige inzet van hulpverlening. Dat het niet goed ging, betreft – anders dan de moeder heeft aangevoerd – niet slechts een heel korte periode rond de uithuisplaatsing. De kinderen in het gezin zijn jarenlang blootgesteld geweest aan ernstige verwaarlozing, op lichamelijk, pedagogisch en affectief gebied. In 2007 waren er al meldingen bij [I] over slechte verzorging en te weinig voeding voor [de meerderjarige] . De kinderen in het gezin zijn vervolgens drie jaar onder toezicht gesteld geweest. In 2016 volgden er nieuwe meldingen onder meer van de politie, over de zorgelijke situatie in het gezin. In februari 2017 was er een zorgmelding van de politie over de weggelopen [de minderjarige1] en over de situatie van de rest van het gezin. Kort voor de uithuisplaatsing, te weten op 11 december 2017, was er een zorgmelding van de politie over [de meerderjarige] . Kerstavond 2017 is [de meerderjarige] door [H] zeer ernstig fysiek mishandeld, terwijl de moeder aanwezig was; volgens de moeder sliep ze toen. [H] is daarvoor veroordeeld tot een gevangenisstraf en een contactverbod van twee jaar. Daarnaast hebben ook de scholen een beeld geschetst van jarenlange verwaarlozing, alhoewel de moeder bestrijdt dat dat voor alle kinderen gold. Uit de stukken maakt het hof op dat er regelmatig te weinig eten was. De kinderen waren erg mager. Er was sprake van vervuilde, kapotte en niet passende en te koude kleding, slechte lichamelijke hygiëne, stank en luizen. Er speelden voorts relatieproblemen. Daarnaast zijn de kinderen veelvuldig slachtoffer of getuige geweest van kindermishandeling/huiselijk geweld, zowel verbaal als lichamelijk. Er was in het gezin sprake van ruzies, geschreeuw en buitenproportionele straffen. 5.6 De kinderen zijn hierdoor fors beschadigd in hun ontwikkeling en dat uit(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.