Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-006476-19 Uitspraak d.d.: 10 maart 2021 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 3 december 2019 met parketnummer 18-720035-19 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 18-730441-16, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996, wonende te [woonplaats] , [woonadres] . Het hoger beroep De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 24 februari 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte voor het primair tenlastegelegde feit tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Voorts vordert de advocaat-generaal gedeeltelijke toewijzing van de vordering tenuitvoerlegging, namelijk een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met verlenging van de proeftijd ten aanzien van het overige deel. Ook vordert de advocaat-generaal toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met wettelijke rente, toepassing van de schadevergoedingsmaatregel en met toewijzing van de gevorderde reiskosten. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw, mr. N.F. Hoogervorst, naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep De rechtbank heeft bij vonnis van 3 december 2019, waartegen het hoger beroep is gericht, de verdachte ter zake van het subsidiair tenlastegelegde feit veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden. Voorts heeft de rechtbank de vordering tenuitvoerlegging deels toegewezen, zijnde een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met verlenging van de proeftijd ten aanzien van het overige deel. De rechtbank heeft de vordering van de benadeelde partij toegewezen. Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste wijze en goede gronden heeft beslist en zal het vonnis bevestigen behalve voor zover het betreft de aan verdachte opgelegde straf. Ten aanzien van dit onderdeel van het vonnis komt het hof tot een andere beslissing dan de rechtbank. In zoverre zal het vonnis dan ook worden vernietigd en zal opnieuw recht worden gedaan. Oplegging van straf De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft ten aanzien van de strafoplegging onder meer het volgende overwogen: Verdachte heeft zich in de nacht van 16 op 17 februari 2019 in [naam] te [plaats] schuldig gemaakt aan een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan aangever [benadeelde partij] . Aangever had verdachte aangesproken op de wijze waarop hij een bekende van hem aansprak. Verdachte heeft hier vervolgens op een hevige, onbeheerste en volstrekt onaanvaardbare manier op gereageerd door aangever uit het niets met een glas in het gezicht te slaan. Door aldus te handelen heeft verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangever. Aangever heeft hierdoor letsel opgelopen, te weten blijvende restschade in de vorm van twee littekens op het voorhoofd. Aangever zal zijn leven lang aldus geconfronteerd worden met deze littekens (...). Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijk willekeurig, onvoorspelbaar en hevig geweld daarvan ook nog lange tijd de psychisch nadelige gevolgen kunnen ondervinden. Dergelijke delicten dragen daarnaast bij aan gevoelens van onrust en onveiligheid in de maatschappij in het algemeen en bij het uitgaanspubliek in het bijzonder. Verdachte heeft geen rekening gehouden met de voornoemde gevolgen en heeft zich kennelijk enkel laten leiden door zijn eigen agressieve impulsen, al dan niet onder invloed van middelen. Verdachte heeft daarnaast telkens ontkend dat hij het misdrijf heeft gepleegd en wekt de indruk dat hij in deze zaak het slachtoffer is en tot zondebok wordt gemaakt vanwege zijn eerdere justitiële contacten. Aldus heeft hij geen verantwoordelijkheid genomen voor de gevolgen van zijn handelen. De rechtbank weegt voorts in het nadeel van verdachte mee dat hij eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten, waaronder verschillende delicten met een geweldscomponent. Deze eerdere veroordelingen hebben verdachte er kennelijk niet van weerhouden om zich opnieuw schuldig te maken aan een strafbaar feit. Het voorgaande klemt temeer nu dit feit plaatsvond twee maanden nadat verdachte in vrijheid werd gesteld na het uitzitten van een eerdere langdurige gevangenisstraf en hij nog in een proeftijd liep. Het hof neemt bovenstaande overwegingen over. Naar het oordeel van het hof kan op het bewezenverklaarde feit enkel gereageerd worden met oplegging van een straf die vrijheidsbeneming met zich meebrengt. Een andere straf zou onvoldoende recht doen aan de ernst van het feit en de gevolgen hiervan voor het slachtoffer. Het hof legt, mede rekening houdend met de Landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting, een lagere straf op dan de rechtbank. Voor het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel als voltooid feit geven de oriëntatiepunten een gevangenisstraf aan voor de duur van 7 maanden. Het hof verklaart evenwel een poging bewezen. Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.240,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.