GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN locatie Leeuwarden nummer 19/00406 datum: 16 maart 2021 Beslissing van de eerste meervoudige belastingkamer in het hoger beroep van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 25 februari 2019, nummer LEE 18/1272, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Doetinchem (hierna: de Inspecteur) 1Feiten 1.1. [A] BV (hierna: [A] ), vertegenwoordigd door [B] (hierna: [B] ), treedt in deze procedure op als gemachtigde van belanghebbende. 1.2. [A] is de gemachtigde van vele belanghebbenden in bezwaar- en beroepsprocedures inzake de heffing van belastingen, in het bijzonder de BPM. [B] pleegt in die zaken de proceshandelingen te verrichten en processtukken in te dienen. 1.3. Het Hof heeft zich in toenemende mate gestoord aan de wijze waarop [B] zich in deze stukken heeft uitgelaten over Nederland, over de rechtspraak, rechters en raadsheren en over ambtenaren. Het Hof heeft hem daarop verschillende malen aangesproken (zie onder meer de uitspraak van 9 oktober 2018, nr. 17/00400, ECLI:NL:GHARL:2018:8805). 1.4. Het Hof heeft op 17 maart 2020 een aangetekende brief aan [B] gestuurd, met de volgende inhoud: „Bij beslissingen van 16 augustus 2019 (nrs. 18/00219, 18/00312, 18/00313, 18/00471 en 18/00479, 18/00472, 18/00473 (ECLI:NL:GHARL:2019:6596), 18/00484, 18/00503 en 18/00504, 18/00505 en 18/00506 (ECLI:NL:GHARL:2019:6597), 18/00507 en 18/00508 en 18/00565) en 12 november 2019 (nrs. 18/00781 tot en met 18/00797, ECLI:NL:GHARL:2019:9786) heeft het Hof u en [A] BV geweigerd als bijstandsverlener of als gemachtigde in de zaken die in die beslissingen zijn vermeld. Het Hof heeft daaraan ten grondslag gelegd dat tegen uw bijstand ernstige bezwaren bestaan als bedoeld in artikel 8:25, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, omdat uw taalgebruik structureel in strijd komt met de in het maatschappelijk verkeer betamelijke omgangsvormen. U bent al verschillende malen gewezen op deze bezwaren en u is regelmatig verzocht uw taalgebruik aan te passen. Het Hof verwijst in dit verband ook naar de conclusie van A-G Wattel van 28 februari 2020, nr. 19/02693. Helaas heeft het Hof moeten constateren dat u ook in stukken die u heeft ingediend na voornoemde beslissingen onbetamelijk taalgebruik bezigt. Tot nu toe heeft het Hof u de mogelijkheid tot herstel geboden van de ingediende stukken. Het Hof wenst geen stukken met onbetamelijk taalgebruik meer te ontvangen van u als gemachtigde of als vertegenwoordiger van een gemachtigde rechtspersoon. Daarom waarschuwt het Hof u hierbij dat wanneer u of de door u vertegenwoordigde rechtspersoon in nieuw in te dienen stukken onbetamelijk taalgebruik bezigt, het Hof voornemens is u en de door u vertegenwoordigde rechtspersoon zonder nadere waarschuwing of herstelmogelijkheid in de desbetreffende zaak te weigeren als bijstandsverlener of gemachtigde.” 1.5. Onder meer bij uitspraken van 16 augustus 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:6596, en 12 november 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:9786, heeft het Hof [B] en [A] wegens onbetamelijk taalgebruik geweigerd om bijstand te verlenen aan de belanghebbende in de desbetreffende procedures dan wel deze te vertegenwoordigen. 1.6. Het Hof heeft [B] bij brief van 4 februari 2021 het volgende geschreven: „In de aanvulling op het hoger beroep van 17 juni 2019 staan beledigingen. Het Hof biedt u de gelegenheid een versie zonder de beledigingen van dit stuk in te sturen. U krijgt hiervoor de gelegenheid tot uiterlijk 10 februari 2021. Indien u geen geschoonde versie van dit stuk instuurt zal het Hof het stuk van 17 juni 2019 niet tot de gedingstukken rekenen.”. 1.7. Partijen zijn uitgenodigd voor een zitting van het Hof op 16 februari 2021. [B] heeft met het oog op deze zitting een pleitnota ingezonden, met onder meer de volgende inhoud: „Het zet de bijl aan de wortel van de rechtsstaat!! Ik ga ervan uit dat u een strikt persoonlijk - verwerpelijk - motief ten grondslag legt aan uw stellingen. Zielig!! Het doet mij tevens welhaast vermoeden alsof ik hier in Noord-Korea verblijf... Echt waar. Wat is er beledigend aan het hoger beroepschrift? Dat Nederland kennelijk een ongekend gajesland is? Dat de Hoge Raad der Nederlanden een criminele organisatie is die structureel weigert het recht te waarborgen en heult met de wetgevende en de heffende autoriteit? Dat in Nederland, aan de hand van objectieve criteria, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie, in zijn arrest van 19 november 2019, A.K., EU:C:2019:982 geen onafhankelijke en onpartijdige rechtspraak bestaat? Dat [naam1] en [naam2] absolute mietjes zijn vergeleken met raadsheren bij de nationale gerechtelijke instanties, die veel meer leed en ellende hebben veroorzaakt dan alle 'gekende criminelen' In Nederland bij elkaar? (…) Recent nog ontving ik weigeringen van mij als gemachtigde, de entiteiten [A] BV en [C] BV en alle aan mij gelieerde ondernemingen, nu zeggen die charlatans van de Korte Voorhout dat dat niet mag, alleen [B] in persoon mag worden geweigerd, met toepassing van de nationale bepaling artikel 8:25 Awb!! Boeven zijn het!! Megacriminelen!!! (…) Ik vermeld ten overvloede dat in het geval Uw gerechtshof zijn zielige, buitenwettelijke, met moraalridderij overgoten oordelen omzet in een weigering van mij als gemachtigde mevrouw [D] , mijn kantoorgenote de zaak 'formeel' overneemt. (…) De Hoge Raad der Nederlanden bevestigt mijn stellingen en weren alsdat het intense criminelen zijn (…) (…) Levenslang opsluiten is nog te zacht uitgedrukt!!! Als je dan jezelf niet kwalificeert als mega topcrimineel, wil ik het wel even zeggen.... (…) Dit hoger beroepschrift geeft maar weer eens ondubbelzinnig weer hoe een burger stelselmatig genaaid en bedonderd wordt in Nederland!! (…) Het is de schande heel ver voorbij!! Gajesland!! Criminele lidstaat!!! Viespeukenland!!!” 1.8. Het Hof heeft besloten dat de aangekondigde zitting geen doorgang zal vinden. 1.9. Met dagtekening 12 februari 2021 heeft het Hof aan [B] een brief gezonden met de volgende inhoud: „Meermalen heeft het Hof u erop gewezen dat uw taalgebruik structureel in strijd komt met de in het maatschappelijk verkeer betamelijke omgangsvormen. Verder heeft het Hof u gewaarschuwd dat wanneer u in nieuw in te dienen stukken onbetamelijk taalgebruik bezigt, het Hof u in de desbetreffende zaak kan weigeren als bijstandsverlener of gemachtigde. In de bovenvermelde zaak heeft het Hof van u twee stukken ontvangen waarin u wederom onbetamelijk taalgebruik bezigt (zie bijlagen). Dat taalgebruik is stelselmatig nodeloos grievend, krenkend en beschadigend en het bemoeilijkt doelmatige behandeling van de beroepszaken ernstig. Ook wordt daardoor het gezag van de rechtspraak en van bij behandeling van de zaak betrokken functionarissen nodeloos en op onaanvaardbare wijze aangetast. Het Hof heeft daarom het voornemen u in deze zaak op grond van artikel 8:25 van de Algemene wet bestuursrecht te weigeren als gemachtigde en als bijstandsverlener. Voordat het Hof een definitieve beslissing neemt, mag u nog vertellen wat u ervan vindt. Het Hof stelt u in de gelegenheid binnen twee weken schriftelijk te reageren. Het Hof zal tevens een kopie van deze brief, met als bijlagen de desbetreffende stukken waarin u onbetamelijk taalgebruik bezigt en de brief van het Hof van 4 februari 2021, sturen aan de procespartij namens wie u optreedt en daarbij de gelegenheid bieden om op dit voornemen te reageren. Daarna zal het Hof een beslissing nemen. Uiteraard stelt het Hof u van die beslissing op de hoogte.” 1.10. Eveneens met dagtekening 12 februari 2021 heeft het Hof aan belanghebbende een brief gezonden met de volgende inhoud: „Bij dit gerechtshof is aanhangig een hoger beroep (…) inzake de BPM waarbij u belanghebbende bent en als gemachtigde optreedt heer [B] . Het gerechtshof stelt vast dat uw gemachtigde stelselmatig nodeloos grievend, krenkend en beschadigend taalgebruik gebruikt. Dat taalgebruik bemoeilijkt een doelmatige behandeling van de beroepszaken ernstig. Ook wordt daardoor het gezag van de rechtspraak en van bij behandeling van de zaak betrokken functionarissen nodeloos en op onaanvaardbare wijze aangetast. In de hierboven vermelde zaak heeft deze gemachtigde namens u een stukken ingestuurd waarin opnieuw onbetamelijke taal voorkomt. Ik stuur u hierbij een kopie daarvan. Het Hof heeft uw gemachtigde meermalen erop gewezen dat het zijn taalgebruik onaanvaardbaar vindt en hem verzocht zijn taalgebruik aan te passen. In uw zaak heeft hij zich wederom op onbetamelijke wijze uitgelaten. Het Hof is daarom van plan uw gemachtigde in deze zaak te weigeren als gemachtigde en als bijstandverlener. Deze weigering is gebaseerd op artikel 8:25 van de Algemene wet bestuursrecht. Over die bepaling heeft de Hoge Raad op 6 november 2020 een arrest gewezen, dat is te vinden op uitspraken.rechtspraak.nl met het kenmerk ECLI:NL:HR:2020:1730. Deze weigering zal tot gevolg hebben dat uw gemachtigde in deze zaken niet meer namens u bij het gerechtshof mag optreden. U krijgt in dat geval de gelegenheid een andere gemachtigde in de arm te nemen. Voordat het Hof een definitieve beslissing neemt, mag u nog vertellen wat u ervan vindt. Het Hof vraagt u binnen twee weken schriftelijk te reageren. Daarna zal het Hof een beslissing nemen. Uiteraard stelt het Hof u van die beslissing op de hoogte.” 1.11. Noch [B] , noch belanghebbende heeft binnen de gestelde termijn een reactie ingezonden. 2Overwegingen 2.1. Voorop staat dat partijen in een gerechtelijke procedure zich kunnen laten bijstaan of vertegenwoordigen door iemand van hun keuze. Waar het gaat om zaken die het Unierecht betreffen, is dat neergelegd in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest). Dat recht is (voor strafrechtelijke vervolging en het fiscale boeterecht) neergelegd in artikel 6 EVRM en artikel 14 IVBPR. Voor een bestuursrechtelijke procedure als de onderhavige is dat vastgelegd in artikel 8:24 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). 2.2. Een partij, haar bijstandsverlener(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.