GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN Locatie Arnhem nummers 20/00570 en 20/00571 uitspraakdatum: 16 maart 2021 Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 5 maart 2020, nummers AWB 18/3790 en AWB 18/3791, in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar van de gemeente Ede (hierna: de heffingsambtenaar). 1Ontstaan en loop van het geding 1.1. De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende voor het jaar 2017 aanslagen rioolheffing opgelegd voor het gebruik van de percelen [a-straat] 15 en [b-straat] 18 te [Z] . 1.2. Belanghebbende heeft tegen deze aanslagen bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft bij uitspraken op bezwaar de aanslagen gehandhaafd. 1.3. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). 1.4. De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard. 1.5. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. 1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 februari 2021. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht. 2Vaststaande feiten 2.1. Belanghebbende is gebruiker van de objecten [a-straat] 15 te [Z] en [b-straat] 18 (de percelen) te [Z] . 2.2. Op grond van de Verordening op de heffing en de invordering van een rioolheffing 2017 van de gemeente Ede (de Verordening 2017) zijn met dagtekening van 19 mei 2017 de onderhavige aanslagen aan belanghebbende opgelegd. De aanslagen bedragen respectievelijk € 8.208,05 voor [a-straat] 15 en € 18.517,52 voor [b-straat] 18. 2.3. Belanghebbende heeft bezwaar tegen de aanslagen gemaakt. Op 27 september 2017 is belanghebbende gehoord. Voorafgaand aan de hoorzitting heeft de heffingsambtenaar op 7 september 2017 een overzicht van de geraamde baten en de lasten 2017 overgelegd. 2.4. Op 26 oktober 2017 heeft belanghebbende naar aanleiding van de hoorzitting de gronden van het bezwaar aangevuld. Hierop heeft de heffingsambtenaar gereageerd bij brief van 3 november 2017. Op 9 november 2017 heeft belanghebbende de heffingsambtenaar nogmaals gevraagd om een meer gedetailleerde onderbouwing van de geraamde kosten en opbrengsten. De heffingsambtenaar heeft op 21 december 2017 een nadere toelichting op de ramingen aan belanghebbende gezonden (getiteld Begroting product Riolering 2017). In de nadere toelichting zijn de volgende ramingen opgenomen: Lasten € Baten € Rioolbeheer – algemene kosten 458.056 Onttrekking Voorziening vervangingsinvesteringen riolering (exploitatieresultaat) 1.446.966 Kapitaallasten 741.598 Bijdragen derden 200.000 Rioolheffing 10.965.000 Correctief onderhoud riolering 462.179 Onttrekking Egalisatiereserve kapitaallasten 741.598 Preventief onderhoud riolering 676.517 Onderhoud rioolgemalen & regelsystemen 903.905 Inspectie riolering 23.345 Ontwatering 114.345 Vervangingsinvesteringen riolering stedelijk gebied 4.306.000 Afkoppelen van verharde terreinen 1.877.000 Vervangingsinvesteringen bijzondere constructies 550.000 Renovatie riolering buitengebied 497.000 Aanleg rioolaansluitingen 147.861 Onderhoud riolering buitengebied 60.880 Toe te rekenen overhead 565.085 BTW 1.970.000 Totaal lasten 13.353.564 Totaal baten 13.353.564 Dekkingspercentage 2.5. Belanghebbende heeft inzake de opbrengstlimiet twee deskundigenrapporten ingezonden, te weten een rapport van 26 maart 2018 van [A] van “ [B] .nl” en een rapport van [C] van [D] van 4 februari 2020. 2.6. De heffingsambtenaar heeft bij faxbericht van 5 februari 2021 stukken ingezonden, waarin een nadere toelichting wordt gegeven. 3Geschil In geschil is of de uitspraken op bezwaar op juiste wijze zijn ondertekend, of het afvoerend oppervlak juist is berekend, of de opbrengstlimiet is overschreden, en of, met betrekking tot het perceel [b-straat] 18 een bedrag van € 27,72 in rekening mag worden gebracht bovenop het in artikel 6, vierde lid, van de Verordening genoemde maximum van € 18.489,80. 4Beoordeling van het geschil Ondertekening uitspraak op bezwaar 4.1. De uitspraken op bezwaar zijn in één geschrift vervat. Dit geschrift is als volgt ondertekend: “ [E] Afdelingsmanager Belastingen” Belanghebbende heeft gesteld dat de uitspraken niet rechtsgeldig zijn genomen, omdat [E] (hierna ook: [E] ) de uitspraken heeft gedaan in zijn hoedanigheid van afdelingsmanager belastingen, althans, omdat in de uitspraken op bezwaar niet tevens is vermeld dat [E] heffingsambtenaar is. 4.2. Blijkens een besluit van 21 januari 2014 (registratienummer [000] ) is [E] per 1 februari 2014 aangewezen als heffingsambtenaar. Niet in geschil is dat [E] bevoegd was de uitspraken op bezwaar te doen of te ondertekenen. Naar het oordeel van het Hof zijn de uitspraken op bezwaar daarmee rechtsgeldig gedaan en ondertekend. De enkele omstandigheid dat niet is vermeld dat de uitspraken op bezwaar door of namens de heffingsambtenaar zijn gedaan, dan wel dat een andere functieomschrijving van [E] wel is vermeld, maakt dit niet anders. Het maakt het naar het oordeel van het Hof ook niet moeilijker, laat staan onmogelijk om te controleren of de uitspraken op bezwaar door een bevoegd persoon zijn gedaan, nu de naam van [E] duidelijk is vermeld en aldus gecontroleerd kan worden of deze persoon bevoegd was. Afvoerend oppervlak 4.3. In de Verordening is het volgende opgenomen: “Artikel 1 Begripsomschrijvingen Deze verordening verstaat onder: (…) e. afvoerend oppervlak: de bebouwde en de verharde oppervlakte van het perceel.” Belanghebbende heeft gesteld dat alleen oppervlakken die zowel bebouwd als verhard zijn, zijn aan te merken als afvoerend oppervlak in de zin van de Verordening. De heffingsambtenaar heeft daar tegenover gesteld dat het afvoerend oppervlak wordt gevormd door de som van de oppervlaktes die verhard dan wel bebouwd zijn. 4.4. In artikel 2 van de Verordening is het volgende opgenomen: “Artikel 2 Aard van de belasting Onder de naam rioolheffing wordt een belasting geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan: a. de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater; en b. de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen ofte beperken.” De tekst van dit artikel is gelijkluidend aan artikel 228a van de Gemeentewet. 4.5. De in de Verordening opgenomen definitie van afvoerend oppervlak is ambigue. Het voegwoord “en” kan worden opgevat als een nevenschikking van de voorwaarden waaraan een oppervlak moet voldoen om te kwalificeren als “afvoerend oppervlak”, zoals belanghebbende bepleit, of als nevenschikking van de oppervlaktes die tezamen het “afvoerend oppervlak” vormen, zoals de heffingsambtenaar bepleit. Anders dan belanghebbende bepleit, heeft deze onduidelijkheid niet direct tot gevolg dat de voor een belastingplichtige meest gunstige uitleg prevaleert. Gelet op het in de Gemeentewet en de Verordening opgenomen doel van de rioolheffing, te weten (onder andere) de bestrijding van kosten van de inzameling en verwerking van afvloeiend hemelwater, dient naar het oordeel van het Hof de uitleg van de heffingsambtenaar te worden gevolgd. Zowel verharde oppervlaktes als bebouwde oppervlaktes laten immers (potentieel) hemelwater afvloeien op waterafvloeiingssystemen, zoals een riool, daar waar oppervlaktes die niet bebouwd en tevens niet verhard zijn, in beginsel het vermogen behouden hemelwater op te nemen in de grond. Indien een maatstaf moet worden bepaald om de kosten van de inzameling en verwerking van afvloeiend hemelwater te bestrijden, ligt het voor de hand om zowel bebouwde oppervlaktes, als oppervlaktes die niet zijn bebouwd doch wel zijn verhard in de heffing te betrekken. Een dergelijke uitleg is verder zodanig gangbaar dat belanghebbende hierdoor niet in die mate verrast kan zijn, dat de maatstaf van heffing voor haar niet vóór het belastbaar moment bekend kon zijn. Maximum overschreden 4.6. Belanghebbende heeft zich verder op het standpunt gesteld dat het aanslagbedrag van € 18.517,52 voor [b-straat] 18 te [Z] te hoog is. De heffingsambtenaar stelt dat het maximumbedrag van € 18.489,80 voor verhard oppervlak niet is overschreden, omdat boven op dit bedrag nog een bedrag van € 27,72 voor het aangevoerd water geteld moet worden (‘0 m³ is ook onder de 500 m³’). De heffingsambtenaar legt hiermee de Verordening verkeerd uit, aldus nog steeds belanghebbende. In de Verordening staat dat de belasting voor de eerste 500 m³ afgevoerd water € 27,72 bedraagt. Nu in het geheel geen water is afgevoerd, had daarom in het geheel geen belasting voor afgevoerd water in rekening gebracht mogen worden. 4.7. Met de rioolheffing worden kosten bestreden van de inzameling en verwerking van afvalwater, alsmede kosten in verband met de inzameling en verwerking van afvloeiend hemelwater. Blijkens artikel 228a, tweede lid, van de Gemeentewet, kunnen ter zake van deze kosten twee afzonderlijke belastingen worden geheven, zulks (blijkbaar) niettegenstaande het feit dat in het eerste lid van dit artikel gesproken wordt van “een belasting” die kan worden geheven “onder de naam rioolheffing”. In de Verordening is, zoals vermeld, een aan artikel 228a, van de Gemeentewet gelijkluidend artikel opgenomen. 4.8. De heffing ter zake van de bestrijding van kosten in verband met het inzamelen en verwerken van afvloeiend hemelwater, alsmede het maximum dat in verband met deze heffing in de Verordening wordt genoemd, staat derhalve los van de heffing in verband met de bestrijding van kosten ter zake van de inzameling en verwerking van afvalwater. Vast staat dat het bedrag van € 27,72 is geheven in verband met de inzameling en verwerking van afvalwater en niet in verband met afvloeiend hemelwater, zodat dit bedrag in beginsel kan worden geheven boven op het maximum van € 18.489,80 genoemd in artikel 6, vierde lid, van de Verordening. 4.9. Anders dan belanghebbende meent, brengt ook het feit dat in het belastingjaar 2017 geen water is ingenomen of afvalwater is afgevoerd niet mee dat de heffingsambtenaar ter zake van de bestrijding van kosten in verband met het inzamelen en verwerken van afvalwater geen aanslag zou kunnen opleggen. In artikel 3, eerste lid, onder a, van de Verordening wordt als belastbaar feit omschreven het genot hebben krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van een perceel dat direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering. Niet in geschil is dat het perceel [b-straat] 18 direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering. Verder wordt in artikel 6, derde lid, onder a, van de Verordening voor de eerste 500 m³ afgevoerd water het tarief bepaald op € 27,72. Naar het oordeel van het Hof valt onder deze omschrijving ook de situatie dat in het geheel geen afvalwater wordt afgevoerd. Verder is het naar ’s Hofs oordeel ook niet onredelijk dat in een dergelijke situatie (waarin geen afvalwater op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd) toch rioolheffing wordt geheven. Belanghebbende heeft, als genothebbende van het op de gemeentelijke riolering aangesloten perceel, de mogelijkheid om (op enig moment) vanaf dat perceel afvalwater af te (gaan) voeren op het gemeentelijk riool. De gemeente zal bij het inschatten van de benodigde capaciteit voor de verwerking van afvalwater met deze mogelijkheid rekening dienen te houden, zodat reeds kosten worden opgeroepen vanwege de (directe of indirecte) aansluiting op de gemeentelijke riolering. Het is niet onredelijk dat deze kosten worden verhaald op de wijze zoals geregeld in de Verordening (met in feite een minimumtarief van € 27,72). Opbrengstlimiet 4.10. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 228a van de Gemeentewet en de bewoordingen van dat artikel blijkt dat, naar de bedoeling van de wetgever, de geraamde baten van de rioolheffing de lasten ter zake niet mogen overtreffen (hierna ook: de opbrengstlimiet). De rechtspraak van de Hoge Raad omtrent de limietoverschrijding als bedoeld in artikel 229b van de Gemeentewet kan voor wat betreft de opbrengstlimiet overeenkomstig worden toegepast (vergelijk Hoge Raad 25 mei 2014, nummer 13/02955, ECLI:NL:HR:2014:1192). Daarbij verdient opmerking dat de gewijzigde wettelijke opzet van de rioolheffing met zich brengt dat tot de zogenoemde “lasten ter zake” meer kosten kunnen worden gerekend dan onder de voormalige heffing van rioolrechten het geval was. Tot die kosten behoren thans immers ook de kosten van het inzamelen van afvloeiend hemelwater en de verwerking daarvan, alsmede van het treffen van maatregelen ter beheersing van de grondwaterstand. 4.11. In het arrest van 24 april 2009, nummer 07/12961 (ECLI:NL:HR:2009:BI1968) heeft de Hoge Raad onder meer geoordeeld: “3.2.2. Indien een belanghebbende aan de orde stelt of de in artikel 229b, lid 1, van de Gemeentewet bedoelde geraamde baten de in dat artikel bedoelde geraamde 'lasten ter zake' hebben overschreden, dient de heffingsambtenaar inzicht te verschaffen in de desbetreffende ramingen. 3.2.3. Indien de belanghebbende ten aanzien van één of meer posten in de raming in twijfel trekt of de post kan worden aangemerkt als een 'last ter zake', dient de heffingsambtenaar nadere inlichtingen over deze post(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.