GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.249.119/01 (zaaknummer rechtbank Overijssel 6385117) arrest van 30 maart 2021 in de zaak van [appellante] , wonende te [A] , appellante, in eerste aanleg: eiseres, hierna: [appellante], advocaat: mr. B.F.M. Evers, kantoorhoudend te Tilburg, tegen 1Rijkmans Tweelo Groep B.V., gevestigd te Steenwijk,geïntimeerde, in eerste aanleg: gedaagde, hierna te noemen: Rijkmans, advocaat: mr. B.J. Bodewes, die kantoor houdt in Vries, 2. Achmea Pensioen- en Levensverzekeringen N.V. h.o.d.n. Avéro Achmea, gevestigd te Apeldoorn, geïntimeerde, in eerste aanleg: gedaagde, hierna te noemen: Achmea, advocaat: mr. S. van der Vegt, die kantoor houdt in Deventer. 1Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 18 juni 2019 hier over. In dit tussenarrest heeft het hof een comparitie van partijen gelast. Deze comparitie is (ten gevolge van Coronavertraging pas) gehouden op 10 februari 2021. Op die zitting is door [appellante] een akte uitlating producties genomen. Het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal maakt deel uit van de stukken. Aan het eind van de zitting hebben partijen arrest gevraagd. 2Waar gaat deze zaak over? 2.1 Na het overlijden van haar echtgenoot is [appellante] partnerpensioen voor zichzelf en wezenpensioen voor haar kinderen gaan ontvangen van Achmea. Daaraan lag ten grondslag een door Rijkmans getroffen pensioenvoorziening voor de echtgenoot van [appellante] , die ten tijde van zijn overlijden bij Rijkmans in dienst was. De uitgekeerde bedragen waren echter veel lager dan die waarop [appellante] meent recht te hebben. Zij heeft daarom gevorderd dat een voorziening getroffen wordt die mogelijk maakt dat zij en haar kinderen het juiste partner- respectievelijk wezenpensioen gaan ontvangen. 2.2 De kantonrechter heeft de vordering van [appellante] afgewezen op de grond dat de pensioenafspraken tussen Rijkmans en Haar geen recht geven op meer dan [appellante] ontvangt. Daarmee is [appellante] het niet eens. Om die reden heeft zij hoger beroep ingesteld. 2.3 In dat hoger beroep heeft Achmea een verjaringsverweer gevoerd. Dat wordt verworpen. Het oordeel en de beslissing van de kantonrechter zijn juist. Haar vonnis wordt daarom bekrachtigd. Hierna wordt uitgelegd hoe het hof tot deze oordelen en beslissing is gekomen. 3De vaststaande feiten 3.1 [appellante] is [in] 1994 gehuwd met de heer [B] (verder: [B] ). 3.2 [B] is op 1 januari 2001 in dienst getreden bij Rijkmans in de functie van Finance Controller. In deze functie was hij verantwoordelijk voor de financiële administratie en de loon- en personeelsadministratie. 3.3 Uit hoofde van zijn dienstverband nam [B] deel aan de pensioenregeling van Rijkmans. [appellante] is aan te merken als rechthebbende op een partnerpensioen in de zin van de pensioenregeling. 3.4 In de jaren 2001 tot en met 2006 was sprake van een pensioenverzekering (Beurs Index Pensioenplan), aanvankelijk onder polisnummer [00000] en later onder polisnummer [00001] . Er was in die jaren sprake van een kapitaalpolis met pensioenclausule in combinatie met een risicoverzekering voor het partner- en wezenpensioen. Per 1 januari 2007 was sprake van de volgende verzekeringsopbouw: een partnerpensioen van € 19.277,- per jaar en een wezenpensioen van € 3.855,40 per jaar. In de voorwaarden van het Beurs Index Pensioenplan staat dat deze uitkeringen jaarlijks stijgen met 3% samengestelde interest. 3.5 In de pensioenbrief van de heer [B] van 27 maart 2007 is onder meer het volgende opgenomen: “2.2. Beoogd partnerpensioen De deelnemer heeft ten behoeve van zijn partner aanspraak op een partnerpensioen, dat ingaat bij overlijden van de deelnemer en nadien wordt uitgekeerd zolang als de partner leeft. (...) Het partnerpensioen stijgt jaarlijks na ingangsdatum met 3% samengestelde intrest. (...) 2.3. Beoogd wezenpensioen De deelnemer heeft (...) ten behoeve van ieder kind dat de 21e verjaardag nog niet heeft bereikt, aanspraak op een wezenpensioen voor dit kind. (...) Het wezenpensioen stijgt jaarlijks na ingangsdatum met 3% samengestelde intrest. (...) 3.1. Pensioengrondslag Voor de pensioenberekening stelt de werkgever op de ingangsdatum van deze overeenkomst en daarna op 1 januari van elk jaar de pensioengrondslag van de deelnemer vast. De pensioengrondslag is gelijk aan het jaarsalaris van de deelnemer verminderd met 10/7 AOW-gehuwd inclusief vakantietoeslag (...) zoals dit luidt op 1 januari van het jaar van vaststelling van de pensioengrondslag. Onder het jaarsalaris wordt verstaan 12 keer het vaste maandsalaris dat op het tijdstip van vaststelling van de pensioengrondslag voor de deelnemer geldt, verminderd met de op dat tijdstip geldende vakantietoeslag. 3.2. Grootte van het beoogde ouderdomspensioen Het jaarlijkse beoogde ouderdomspensioen bedraagt evenveel malen 1,75% van de voor de deelnemer het laatst voor de pensioendatum vastgestelde pensioengrondslag als er jaren liggen tussen de aanvangsdatum van zijn dienstbetrekking en de pensioendatum. Het ouderdomspensioen bedraagt maximaal 100% van het pensioengevend loon. 3.3. Grootte van het beoogde partnerpensioen Het jaarlijkse beoogde partnerpensioen bedraagt 70% van het jaarlijkse ouderdomspensioen, onder aftrek van aanspraken toegekend aan een eerdere partner. Het partnerpensioen bedraagt maximaal 70% van het pensioengevend salaris. 3.4. Grootte van het beoogde wezenpensioen Het jaarlijkse beoogde wezenpensioen bedraagt voor ieder kind 14% van het jaarlijkse ouderdomspensioen. Het wezenpensioen bedraagt maximaal 14% van het pensioengevend salaris. (...) 7. Veiligstelling van pensioenen Het pensioen voor de deelnemer is verzekerd bij de verzekeraar en wel door middel van een kapitaalverzekering met pensioenclausule van welke de deelnemer de inhoud blijkens de polis of een afschrift daarvan genoegzaam bekend is. De pensioenverzekering zal geschieden conform hetgeen is bepaald in artikel 2 lid 4 sub C Pensioen- en spaarfondsenwet. Op de pensioendatum treedt de kapitaalverzekering in de plaats van de beoogde pensioenen en is uitsluitend dit kapitaal bepalend voor de hoogte van de aan te kopen pensioenuitkeringen, zodat de deelnemer aan de hoogte van de pensioenen geen aanspraken kan ontlenen. Indien het beschikbare kapitaal op de ingangsdatum van het pensioen, hoger is dan de kapitalen welke nodig zijn om volgens de dan bij verzekeraar geldende tarieven pensioenen aan te kopen, zullen voor deze kapitalen samengesteld stijgende pensioenen worden aangekocht. 8. Aanpassing van de pensioenaanspraken (...) De aanspraak op partnerpensioen ten behoeve van de partner van een deelnemer of gewezen deelnemer kan zonder toestemming van die partner niet bij overeenkomst tussen de deelnemer of de gewezen deelnemer en de uitvoerder van de regeling of de werkgever worden verminderd anders dan bij afkoop zoals deze is toegestaan in de Pensioen- en spaarfondsenwet en/of Regelen verzekeringsovereenkomsten Pensioen- en Spaarfondsenwet.” 3.6 Rijkmans heeft een kapitaalverzekering afgesloten bij Achmea onder het polisnummer [00001] . 3.7 Achmea heeft Rijkmans op 20 september 2007 een omzettingsvoorstel gedaan, waarin, voor zover van belang, is opgenomen: “ Oude situatie per 01-01-2007: Nieuwe situatie per 01-01-2007: pensioenpolis [00001] pensioenpolis [00002] Unit Linked (garantiefonds) Traditionele verzekering (iPP) Salaris € 66.925,00 Salaris € 66.925,00 Beoogd ouderdomspensioen € 27.538,00 Beoogd ouderdomspensioen € 27.538,00 (bruto per jaar) (bruto per jaar) Kapitaal op basis van garantierendement Verzekerd kapitaal op einddatum € 481.454,00 € 481.454,00 Kapitalen (per 1/1/2007): Partnerpensioen 3% stijging € 19.277,00 Verzekering bij leven € 33.416,00 (bruto per jaar) Gemengde verzekering € 448.038,00 Wezenpensioen 3% stijging € 3.855,40) Dalend risico: € 491.925,00 (bruto per jaar) □ Ondergetekende gaat akkoord met de interne omzetting. De waarde van polis [00001] wordt ingebracht in de nieuwe polis [00002]. □ Ondergetekende wenst dat de huidige pensioenregeling wordt omgezet in een beschikbare premieregeling. De huidige polis kan worden voortgezet.” 3.8 Naar aanleiding hiervan is de polis aangepast en is de waarde van polis [00001] (zijnde € 58.414,74) ingebracht in de nieuwe polis met nummer [00002] . 3.9 In het Uniform Pensioenoverzicht (hierna: UPO) van [B] van 2015 (stand per 31 december 2014) is onder meer opgenomen: “Pensioenindicatie bij uw overlijden vóór uw pensioendatum Als u tijdens uw dienstverband overlijdt, komt een kapitaal beschikbaar. De hoogte van dit kapitaal is afhankelijk van de datum van uw overlijden en bedraagt per 31 december 2014 € 882.818,86. Met dit kapitaal kunnen uw partner en/of kinderen onderstaande uitkering ontvangen. Daarbij is uitgegaan van de huidige rentetarieven en een rentestand van 2,2 %. Uw partner ontvangt Vanaf uw overlijden tot zijn/haar 65-jarige leeftijd € 29.860,00 Vanaf zijn/haar 65-jarige leeftijd zolang hij/zij leeft € 29.860,00 Uw kinderen ontvangen per kind € 0,00 De hoogte van deze pensioenen is niet zeker. Het pensioen kan hoger of lager zijn. Kijk in de toelichting voor meer informatie. ” In de toelichting bij het UPO 2015 staat onder meer vermeld: “ Welk pensioen kunt u verwachten? (...) Bij overlijden Bij uw overlijden heeft uw partner recht op een uitkering. (...) Er zijn twee vormen van nabestaandenpensioen. Het nabestaandenpensioen dat tot uitkering komt bij overlijden vóór de pensioendatum en het nabestaandenpensioen dat tot uitkering komt na de pensioendatum. Het nabestaandenpensioen dat tot uitkering komt bij overlijden vóór de pensioendatum bedraagt een kapitaal. Met het kapitaal moet een pensioenuitkering voor de nabestaanden worden aangekocht. De hoogte van de pensioenuitkering is dan onder meer afhankelijk van: omvang pensioenkapitaal, leeftijd nabestaanden, rente en de dan geldende tarieven. (...) Op de pensioendatum is er mogelijk een pensioenkapitaal aanwezig voor de aankoop van een partnerpensioen. Wij zijn hier onder meer uitgegaan van de volgende veronderstellingen: een rendement op het belegde vermogen van 4,0%, de huidige tarieven en een rente van 2,2% voor de aankoop van het partnerpensioen op pensioendatum. Het betreft hier slechts een indicatie. Het daadwerkelijke partnerpensioen is hoger of lager.” 3.10 Achmea heeft de pensioenregeling onder polisnummer [00002] per 1 januari 2015 premievrij gemaakt. 3.11 Op 4 augustus 2015 heeft [B] zich ziek gemeld. 3.12 Rijkmans heeft op 21 oktober 2015 een opdrachtformulier getekend, waarmee de verdere pensioenopbouw van [B] met terugwerkende kracht per 1 januari 2015 door middel van deelname aan het Waardewijs Pensioen is voortgezet onder polisnummer [00003] . De inhoud van de pensioenregeling is vastgelegd in het Pensioenreglement Waardewijs Pensioen Individueel 2015. 3.13 Bij brief van 23 december 2015, in ieder geval op 15 januari 2016 ontvangen door [appellante] , heeft Achmea [B] geïnformeerd over de wijzigingen per 1 januari 2015. Voor nadere informatie wordt verwezen naar het portal van Achmea, waar ook de startbrief is opgenomen. 3.14 Blijkens het Polisoverzicht Waardewijs Pensioen Individueel per 1 maart 2016 bedraagt het levenslang partnerpensioen bij overlijden van de verzekerde voor de pensioendatum € 10.989,33 bruto per jaar. 3.15 Op 22 februari 2016 heeft bij Rijkmans te Meppel een gesprek plaatsgevonden om de pensioenregeling van de heer [B] aan [appellante] en haar persoonlijk adviseur [C] toe te lichten. Bij dit gesprek waren naast [appellante] en [C] aanwezig: mevrouw [D] (manager pensioen van Meeùs), mevrouw [E] (pensioenspecialist van Meeùs), de heer [F] (relatiebeheerder pensioen van Meeùs) en de heer [G] (vestigingsdirecteur Meppel). 3.16 [B] is [in] 2016 overleden. 4Het geschil en de beslissing in de procedure bij de kantonrechter 4.1 [appellante] heeft in de procedure bij de kantonrechter gevorderd, samengevat, Rijkmans en Achmea hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een aanvullende koopsom, waarmee haar levenslange partnerpensioen wordt verhoogd tot € 29.860,- bruto per jaar en deze uitkering jaarlijks zal stijgen met 3% (cumulatief) en waarmee het wezenpensioen aan de kinderen wordt verhoogd zodat het 20% bedraagt van het partnerpensioen. Subsidiair heeft zij gevorderd een aanvullende koopsom waarmee haar levenslange partnerpensioen wordt verhoogd tot een bedrag van € 23.685,48 althans tenminste € 22.303,82 bruto per jaar en waarmee het wezenpensioen wordt verhoogd zodat het 20% bedraagt van het partnerpensioen. Meer subsidiair heeft zij financiële compensatie gevorderd voor geleden nadeel. In alle gevallen heeft zij gevorderd nabetaling van gemiste uitkeringen vanaf 11 oktober 2016, alsmede veroordeling van Rijkmans en Achmea tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten. 4.2 De kantonrechter heeft de vorderingen afgewezen en [appellante] in de kosten van de procedure veroordeeld. 5De vordering in hoger beroep 5.1 [appellante] vordert in hoger beroep hoofdelijke veroordeling van Rijkmans en Achmea als volgt (waarbij met ‘Avéro’ is bedoeld Achmea): Primair 1. Tot betaling van een aanvullende koopsom, waarvan de hoogte wordt berekend door Avéro, zodat het aan mevrouw [appellante] toekomende partnerpensioen, zoals dit is ingegaan onmiddellijk na het overlijden van de heer [B] , wordt verhoogd tot een bedrag van € 29.860,- bruto per jaar, levenslang aan haar uit te keren, zolang zij leeft én de uitkering jaarlijks zal stijgen met 3% (cumulatief) én het wezenpensioen toekomend aan de kinderen, aanvullend wordt verhoogd, zodat het 20% bedraagt van het hiervoor genoemde partnerpensioen, zijnde € 5.972,- bruto per jaar met 3% indexatie per jaar; Subsidiair 2. Tot betaling van een aanvullende koopsom, waarvan de hoogte wordt berekend door Avéro, zodat het aan mevrouw [appellante] toekomende partnerpensioen, zoals dit is ingegaan onmiddellijk na het overlijden van de heer [B] , wordt verhoogd tot een bedrag van € 22.428,70 bruto per jaar, levenslang aan haar uit te keren, zolang zij leeft én de uitkering jaarlijks zal stijgen met 3% (cumulatief) én het wezenpensioen toekomend aan de kinderen, aanvullend wordt verhoogd, zodat het 20% bedraagt van het hiervoor genoemde partnerpensioen zijnde € 4.485,74 met 3% indexatie per jaar; Meer subsidiair 3. Tot betaling van een aanvullende koopsom, waarvan de hoogte wordt berekend door Avéro, zodat het aan mevrouw [appellante] toekomende partnerpensioen, zoals dit is ingegaan onmiddellijk na het overlijden van de heer [B] , wordt verhoogd tot een bedrag van € 22.133,99 bruto per jaar, levenslang aan haar uit te keren, zolang zij leeft én de uitkering jaarlijks zal stijgen met 3% (cumulatief) én het wezenpensioen toekomend aan de kinderen, aanvullend wordt verhoogd, zodat het 20% bedraagt van het hiervoor genoemde partnerpensioen zijnde € 4.426,80 met 3% indexatie per jaar; Uiterst subsidiair 4. Tot betaling van een financiële compensatie aan mevrouw [appellante] door u Edelachtbaar college in goede orde te bepalen, waardoor mevrouw [appellante] gecompenseerd wordt voor het verschil in de uitkering van het partnerpensioen van € 16.096,59 dat zij daadwerkelijk ontvangt en het partnerpensioen waarop zij, volgens u edelachtbaar college recht heeft, rekening houdend met de 3% jaarlijkse cumulatieve stijging en het bijbehorende wezenpensioen van 20% van het partnerpensioen. Ten aanzien van primair, subsidiair, meer subsidiair en uiterst subsidiair: 5. Geïntimeerden te veroordelen tot nabetaling van de gemiste uitkeringen van het ingegane partner- en wezenpensioen gelegen tussen het moment van ingang op 11 oktober 2016 en de dag van voldoening, vermeerderd met de wettelijke rente over deze gemiste uitkeringen over de genoemde periode; 6. Geïntimeerden te veroordelen tot betaling van de buitenrechtelijke (incasso)kosten op grond van het rapport Voorwerk II vermeerderd met rente. Met veroordeling van geïntimeerden in de kosten van deze procedure en die in eerste aanleg. 5.2 Deze vordering is op de cursief aangegeven onderdelen ervan gewijzigd, vermeerderd of verminderd. Op sommige plaatsen is ook sprake van een, zuiver tekstueel bezien, enigszins andere formulering van de vordering. Die onderdelen zijn niet cursief weergegeven omdat die tekstuele wijziging zonder belang is voor de beoordeling van de zaak. 5.3 Waar sprake is van een vermindering van eis geldt dat deze te allen tijde is toegestaan (artikel 129 Rv). Waar sprake is van een wijziging of vermeerdering geldt dat daartegen door Rijkmans noch Achmea bezwaar is gemaakt. De wijziging/vermeerdering van eis heeft plaatsgevonden bij het eerste processtuk in hoger beroep en de goede procesorde verzet zich daartegen niet. Recht wordt daarom gedaan op de eis zoals bij memorie van grieven geformuleerd. 6De beoordeling van de grieven en de vordering Inleiding 6.1 [appellante] heeft 23 grieven tegen het vonnis van de kantonrechter. In die grieven zijn de volgende thema’s aan de orde gesteld: De feiten en de weergave van de grondslag van haar vordering (grieven 1 en 2); Uitleg pensioenbrief (grieven 3 tot en met 5); Geen garantie maar toch aanspraak op gegarandeerd pensioen (grieven 6 en 7); Toezegging en/of gerechtvaardigd vertrouwen (grieven 8 tot en met 11); Wijziging per 1 januari 2007 (grief 12); Benadeling door de wijziging per 1 januari 2015 (grief 13); Schending zorg- en/of informatieplicht (grieven 14 tot en met 22); Afwijzing van de vorderingen (grief 23). De grieven worden hierna per thema behandeld. Daaraan voorafgaand wordt echter ingegaan op het door Achmea in hoger beroep gevoerde verjaringsverweer. Het beroep van Achmea op verjaring en rechtsverwerking slaagt niet 6.2 Achmea voert met betrekking tot de meer subsidiaire vordering aan dat de rechtsvordering tot nakoming van de verplichtingen uit hoofde van de oorspronkelijke (voor 1 januari 2007 geldende) verzekering is verjaard. Vanaf 12 april 2007 moet [B] namelijk geacht worden geweten te hebben en vanaf 18 april 2018 wist hij of had hij kunnen weten dat Achmea geen uitvoering meer gaf aan de oorspronkelijke risicoverzekeringen. [B] heeft niet binnen een termijn van vijf jaar (artikel 3:307 BW) na 1 juli 2008 een rechtsvordering ingesteld tot het verzekeren van het nabestaandenpensioen op risicobasis. De uitzondering van artikel 59 Pensioenwet is volgens Achmea niet van toepassing. Voor het geval het verjaringsverweer niet slaagt voert Achmea aan dat [appellante] haar recht verwerkt heeft nakoming te vragen van de initiële pensioenovereenkomst. Over dit beroep op verjaring en rechtsverwerking wordt als volgt geoordeeld. 6.3 Artikel 3:310 lid 1 BW bepaalt, voor zover hier van belang, dat een rechtsvordering tot vergoeding van schade verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad moet de eis dat de benadeelde bekend is geworden met zowel de schade als de daarvoor aansprakelijke persoon aldus worden opgevat dat het hier gaat om een daadwerkelijke bekendheid, zodat het enkele vermoeden van het bestaan van schade dan wel bekendheid met de enkele mogelijkheid dat een bepaalde partij voor de schade aansprakelijk is, niet volstaat. De verjaringstermijn van artikel 3:310 lid 1 BW begint pas te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van de door hem geleden schade in te stellen. Daarvan zal sprake zijn als de benadeelde voldoende zekerheid – die niet een absolute zekerheid behoeft te zijn – heeft verkregen dat de schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van de betrokken persoon. 6.3 De grondslag van de meer subsidiaire vordering van [appellante] is dat zij op grond van de voor 2007 geldende pensioenovereenkomst en op basis daarvan gesloten pensioenverzekering recht heeft op betaling van een partnerpensioen van € 22.133,99 verhoogd met 3% indexatie en dat haar kinderen recht hebben op betaling van een wezenpensioen van € 4.426,80 per jaar verhoogd met 3% indexatie. Op basis van deze grondslag vordert [appellante] storting van een zodanige koopsom dat de genoemde uitkeringen vervolgens gedaan kunnen worden. Haar vordering strekt dus niet tot nakoming van die oorspronkelijke pensioen en/of verzekeringsovereenkomst, maar strekt tot het verkrijgen van een zodanige schadevergoeding (koopsom) dat daarmee verkregen kan worden waarop ze recht zou hebben gehad als Achmea en/of Rijkmans de oorspronkelijke pensioen- of verzekeringsovereenkomst correct zouden zijn nagekomen. Deze schadevordering wordt beheerst door het verjaringsregiem van artikel 3:310 BW en niet door dat van artikel 3:307 BW (dat op nakomingssituaties ziet). De gestelde schade is ontstaan per het moment van overlijden van [B] op 11 oktober 2016. Kort daarna bleek dat feitelijk niet het partner- en wezenpensioen werd uitgekeerd waarop [appellante] , in haar visie, recht had. Het exacte moment van daarmee bekend worden is niet van belang. Zelfs indien dat moment zou moeten samenvallen met dat van het overlijden van [B] geldt dat [appellante] haar schadevordering in ieder geval aanhangig heeft gemaakt binnen vijf jaar na dat overlijden. Het verjaringsverweer slaagt niet. Het verweer van rechtsverwerking is ook gebaseerd op de stelling dat sprake is van een vordering tot nakoming. Dat is niet zo. Ook dat verweer slaagt daarom niet. De feiten (grieven 1 en 2) 6.5 De feiten zijn hiervoor zelfstandig door het hof vastgesteld. Grief 1 richt zich tegen wat de kantonrechter in overweging 2.12 heeft vastgesteld. Wat daar staat is voor de beoordeling van het hoger beroep niet van belang en is daarom hiervoor, bij de vaststelling van de feiten door het hof, weggelaten. Bij beoordeling van grief 1 bestaat dus geen belang. 6.6 De tweede grief richt zich tegen een onderdeel van de weergave door de kantonrechter (in overweging 3.3.) van de grondslag van de vordering van [appellante] . De kantonrechter schrijft dat [appellante] stelt recht te hebben op een partnerpensioen van 70% van ‘het pensioengevend salaris’, maar, zo stelt [appellante] , dat is onjuist. Zij meent recht te hebben op een partnerpensioen van 70% ‘van het ouderdomspensioen’. Het bezwaar van [appellante] is terecht. De kantonrechter heeft zich hier vergist. Grief 2 slaagt dus, maar omdat het hier bij blijft (zoals hierna nog wordt gemotiveerd) leidt dat niet tot vernietiging van het vonnis van de kantonrechter omdat de vergissing zonder enig gevolg was voor de verdere beoordeling van de zaak. Uitleg van de pensioenbrief levert de conclusie op dat van een gegarandeerde partner- en wezenpensioenuitkering geen sprake is (grieven 3 tot en met 5) 6.7 De kantonrechter heeft (in overweging 4.2.) als kern van het geschil aangeduid de vraag waartoe de pensioentoezegging van Rijkmans aan [B] , zoals vastgelegd in de pensioenbrief van 27 maart 2007, verplicht. De bezwaren van [appellante] richten zich tegen de wijze waarop de kantonrechter die vraag heeft beantwoord. Zij voert het volgende aan: a. In de pensioenbrief staat niet dat het kapitaal in de plaats treedt van het beoogde pensioen in de situatie van overlijden van [B] vóór pensioendatum en dat dit kapitaal dan bepalend is voor de hoogte van de aan te kopen pensioenuitkering. b. Uit meerdere stukken blijkt dat een gegarandeerd uitkeringsresultaat (partner- en wezenpensioen) is overeengekomen. Verwezen wordt naar de Beurs Index Pensioenplannen van 12 april 2007, 8 november 2006, 4 oktober 2006 en 31 maart 2004 en aanvullende voorwaarden meeverzekering van nabestaandenpensioen ii en het omzettingsvoorstel pensioenpolis [00001] in polis [00002] . 6.8 De pensioenbrief is de vastlegging van wat Haar en Rijkmans op 27 maart 2007 zijn overeengekomen met betrekking tot het pensioen van [B] , daaronder begrepen het partner- en wezenpensioen. Partijen verschillen van mening over wat tussen [B] en Rijkmans is overeengekomen. Dat betekent dat het hof de overeenkomst, zoals vastgelegd in de pensioenbrief, dient uit te leggen. Bij die uitleg komt het niet alleen aan op de zuiver taalkundige uitleg, maar ook op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen van de overeenkomst mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Bij de uitleg zijn alle omstandigheden van het concrete geval van belang, gewaardeerd naar wat de redelijkheid en billijkheid meebrengen. Ad a 6.9 De pensioenbrief spreekt in artikel 2.2 over ‘Beoogd partnerpensioen’ en in artikel 2.3 over ‘Beoogd wezenpensioen’. In de artikelen 3.3 en 3.4 wordt de hoogte van beide pensioenen omschreven. Ook daar staat telkens dat het gaat om het ‘jaarlijks beoogde’ partner- respectievelijk wezenpensioen. In artikel 7 is blijkens het kopje daarvan geregeld de ‘Veiligstelling van pensioenen’. In de eerste alinea van artikel 7 is vervolgens vermeld dat het pensioen is ‘verzekerd bij de verzekeraar en wel door middel van een kapitaalverzekering’. Wat dat betekent wordt uitgelegd in de derde alinea: ‘Op de pensioendatum (onderstreping: hof) treedt de kapitaalverzekering in de plaats van de beoogde pensioenen en is uitsluitend dit kapitaal bepalend voor de hoogte van de aan te kopen pensioenuitkeringen, zodat de deelnemer aan de hoogte van de beoogde pensioenen geen aanspraken kan ontlenen.’ 6.10 Dit samenstel van bepalingen wijst op een afspraak die voorzag in een voorziening voor ouderdoms-, partner- en wezenpensioen. Het ging daarbij telkens om het veilig stellen van een beoogd pensioen, waartoe een kapitaalverzekering (met pensioenclausule) werd gesloten. Het kapitaal was afgestemd op het beoogde pensioen, maar of dat kapitaal toereikend zou zijn om daarmee op pensioendatum daadwerkelijk een pensioen te kunnen aankopen ter hoogte van het beoogde pensioen was onzeker: “aan de hoogte van de beoogde pensioenen” konden immers geen aanspraken worden ontleend. Nergens in de pensioenbrief staat dat het partner- en/of wezenpensioen is gegarandeerd. Ook staat daarin niet dat Rijkmans verplicht is een aanvullende risicoverzekering af te sluiten voor het partner- en wezenpensioen. Weliswaar staat ook in de pensioenbrief dat de grootte van het beoogd partnerpensioen 70% en van het beoogd wezenpensioen 14% van het jaarlijks ouderdomspensioen is, maar daarmee is slechts de procentuele aanspraak gegeven en niet een concreet, laat staan gegarandeerd, bedrag. Die procentuele aanspraak zou uitgangspunt zijn op het moment dat partner- en/of wezenpensioen zou(den) moeten worden uitgekeerd. De feitelijke hoogte van die uitkering zou in dat geval worden bepaald door wat met het dan beschikbare kapitaal aan partner- en/of wezenpensioen zou kunnen worden aangekocht. 6.11 Verdedigd is nog (grief 3) dat de (door het hof hiervoor onderstreepte) woorden ‘Op de pensioendatum’ in de derde alinea van artikel 7 niet zien op het partner- en wezenpensioen. Dat staat er echter niet. Uitleg van het begrip ‘pensioendatum’ in die zin dat daarmee slechts bedoeld is de datum waarop verzekerde [B] bij in leven zijn aanspraak zou kunnen maken op ouderdomspensioen - want dat is wat [appellante] kennelijk verdedigt - past ook niet bij het vervolg van die derde alinea van artikel 7. Daarin wordt immers gesproken over de ‘beoogde pensioenen’ (meervoud) en de ‘aan te kopen pensioenuitkeringen’ (meervoud). Die uitleg past ook niet bij de reeds gedane vaststelling dat in de pensioenbrief niet slechts het ouderdomspensioen van [B] maar ook het partner- en wezenpensioen werden geregeld. De ‘pensioendatum’ is dus de datum waarop aanspraak op ouderdoms-, partner- of wezenpensioen ontstaat. Ad b 6.12 Dat sprake is van een gegarandeerde pensioenuitkering leidt [appellante] ook af uit de door haar in het geding gebrachte polissen over de jaren 2001 tot en met 2006 (productie 28 bij memorie van grieven). Zij stelt dat uit die polissen en de daarbij behorende voorwaarden blijkt dat telkenjare een partner- en wezenpensioen werd vastgesteld op basis van het verzekerd kapitaal in combinatie met een aanvullende risicoverzekering. Dat wordt door Achmea erkend en door Rijkmans niet weersproken. Dat neemt echter niet weg dat de pensioenbrief zelf niet spreekt over een verplichting om een zodanige pensioenvoorziening te treffen, dat met de combinatie van kapitaalopbouw en aanvullende risicoverzekering telkens werd gegarandeerd dat het beoogd partner- en wezenpensioen ter grootte van 70% respectievelijk 14% van het beoogd ouderdomspensioen ook daadwerkelijk zou worden verkregen op pensioendatum. Dat dit eerder, voorafgaand aan ondertekening van de pensioenbrief op 27 maart 2007, wel zo was (blijkend uit de polissen over de jaren 2001 tot en met 2006) doet daaraan niet af. Dat enkele feit is onvoldoende om op basis daarvan aan te nemen dat de pensioenbrief, anders dan uit de tekst daarvan volgt, wel degelijk zo moet worden uitgelegd dat deze voorzag in een gegarandeerde partner- en wezenpensioenuitkering door de combinatie van kapitaalpolis met aanvullende risicoverzekering. Die pensioenbrief was in feite een breuk met het verleden nu de combinatie van kapitaal- en risicoverzekering werd vervangen door uitsluitend een kapitaalverzekering, dus zonder aanvullende risicoverzekering. 6.13 Op grond van de voorwaarden behorend bij het Beurs Index Pensioenplan en blijkend uit het omzettingsvoorstel, linker kolom, was op de polissen over de periode van 1 januari 2001 tot en met 2006 (zie prod 28 bij memorie van grieven) meeverzekerd een jaarlijkse stijging van het partner- en wezenpensioen met 3% samengestelde interest. Volgens [appellante] is dat atypisch voor een kapitaalpolis met pensioenclausule. Voor zover zij met die stelling wil zeggen dat in de periode tot 2007 sprake was van een gegarandeerde uitkering inclusief 3% indexatie geldt dat dit niet betwist is door Achmea en Rijkmans. In zoverre hoeft de stelling dus niet (verder) beoordeeld te worden. Voor zover [appellante] heeft bedoeld te stellen dat de pensioenbrief voorziet in een jaarlijkse stijging van het beoogde partner- en wezenpensioen met 3% samengestelde interest, dat dat atypisch is voor een zuivere kapitaalovereenkomst (zoals voorzien in de pensioenbrief) en dat de pensioenbrief om die reden niet anders kan worden uitgelegd dan als een zuivere uitkeringsovereenkomst, geldt dat die stelling niet gevolgd kan worden. Achmea heeft een berekening overgelegd (memorie van antwoord prod AE) waaruit blijkt dat het verzekerd kapitaal (omzettingsvoorstel, rechter kolom) zodanig berekend was dat dit toereikend was om daarmee de in het omzettingsvoorstel per 1 januari 2007 genoemde uitkeringen (linker kolom) - partnerpensioen € 19.277,- per jaar en wezenpensioen € 3.855,40 per jaar - inclusief 3% stijging per jaar aan te kopen. Deze berekening is niet betwist. Wat er dus ook zij van de algemene stelling dat een indexatie van 3% per jaar niet past bij een kapitaalpolis, in dit concrete geval was die indexatie wel ingebouwd in de kapitaalpolis zoals die per 1 januari 2007 gold. 6.14 Dat de pensioenbrief voorzag in een gegarandeerde partner- en wezenpensioen-uitkering kan dan ook niet uit de nu besproken stukken worden afgeleid. De grieven 3 tot en met 5 falen. Van een gegarandeerde partner- en wezenpensioenuitkering is ook overigens geen sprake (grieven 6 en 7) 6.15 In de grieven 6 en 7 stelt [appellante] dat uit een tweetal circulaires van de Pensioen- en verzekeringskamer (PVK) in combinatie met artikel 5 van de pensioenbrief blijkt dat bij streefregelingen het kapitaal telkens tijdsevenredig moet zijn afgefinancierd zodat het kapitaal voldoende is om het beoogde partner- en wezenpensioen te kunnen aankopen. Als het hof oordeelt dat geen sprake is van een gegarandeerde pensioenuitkering geldt op grond hiervan dat niettemin wel recht bestaat op een dergelijke gegarandeerde uitkering. 6.16 De circulaires waarnaar [appellante] verwijst zien op situaties waarin sprake is van een streefregeling. Dat wil zeggen een pensioenvoorziening gebaseerd op een kapitaalverzekering met pensioenclausule. Voor een dergelijke pensioenvoorziening geldt, aldus de circulaire, dat “van jaar tot jaar ten minste het kapitaal, corresponderend met het dan tijdsevenredige deel van de streefregeling (dus inclusief eventuele backservice) en inclusief de daarop betrekking hebbende kosten, afgefinancierd” moet zijn. 6.17 De verplichting tot ‘affinanciering’ ziet dus uitsluitend op de hoogte van het kapitaal. De verplichting strekt ertoe dat dit kapitaal jaarlijks wordt aangepast aan een eventuele verhoging van de pensioenaanspraak. Dat is wat anders dan dat overeengekomen is dat de pensioenuitkering, die met het afgefinancierde kapitaal kan worden gekocht, een gegarandeerd niveau kent. De inkoop van het pensioen zal namelijk, ondanks de affinanciering, met name afhankelijk zijn van de op het moment van inkoop geldende tarieven. Daaraan doet ook niet af dat de plicht tot affinanciering ertoe strekt en ook bewerkstelligt dat periodiek (jaarlijks) aanpassing plaats vindt van het kapitaal dat, op basis van de dan uit te voeren berekeningen, nodig is om de beoogde pensioenen te kunnen aankopen. Een garantie op een bepaald uitkeringsniveau is er desondanks niet. 6.18 Wat [appellante] aanvoert mist belang voor de periode voorafgaand aan de pensioenbrief. Tot en met het jaar 2006 was immers sprake van een gegarandeerd partner- en wezenpensioen dankzij de combinatie van kapitaalpolis met aanvullende risicoverzekering. 6.19 Voor de situatie vanaf 1 januari 2007 geldt dat de risicoverzekering was vervallen, dat nog slechts sprake was van een zuivere kapitaalpolis en dat de eventuele plicht tot affinanciering van het kapitaal, zoals onder 6.17 uiteengezet, dus niet meebracht dat de partner- en wezenpensioenuitkering een gegarandeerd niveau kenden. De grieven 6 en 7 slagen niet. Door Rijkmans is een gegarandeerde partner- en wezenpensioenuitkering niet toegezegd. Evenmin is het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat daarvan sprake was (grieven 8 tot en met 11) 6.20 Op 5 januari 2016, toen haar echtgenoot al ernstig ziek was, heeft [appellante] haar zorgen over de hoogte van het nabestaandenpensioen in een e-mail kenbaar gemaakt aan Rijkmans. Zij baseerde die zorgen op de ontvangen Uniforme Pensioen Overzichten (UPO’
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.