← Nederland

ECLI:NL:GHARL:2021:3157

Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-001398-19 Uitspraak d.d.: 2 april 2021 TEGENSPRAAK Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 28 februari 2019 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 16-706995-15 en 16-659844-18, tegen [verdachte] geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981, thans ingeschreven en verblijvende in Penitentiaire Inrichting Zaanstad te Westzaan. Het hoger beroep De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 8 en 9 september 2020 en 18 en 19 februari 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bewezenverklaring van de feiten 1 primair, 2 (beide varianten) en 3 (alle varianten) van de zaak met parketnummer 16-706995-15 en beide varianten in de zaak met parketnummer16-659844-18 en oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 22 jaren met aftrek van voorarrest, afwijzing van het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis en volledige toewijzing van de vordering van de benadeelde partij vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. K. Karakaya, naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep De rechtbank heeft de feiten 1 primair, 2 (beide varianten) en 3 (alle varianten) van de zaak met parketnummer 16-706995-15 en beide varianten in de zaak met parketnummer16-659844-18 bewezen verklaard en heeft een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 20 jaren met aftrek van voorarrest, heeft de verzoeken tot opheffing en schorsing van de voorlopige hechtenis afgewezen, de vordering van de benadeelde partij toegewezen vermeerderd met de wettelijke rente en heeft de schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het op onderdelen tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen. Het hof kan zich in veel van de overige beslissingen en motiveringen van de rechtbank vinden. Het hof heeft daarom in zijn overwegingen in dit arrest zo veel als mogelijk aansluiting gezocht bij de overwegingen van de rechtbank. De tenlastelegging Aan verdachte is - na nadere omschrijving en wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat: zaak met parketnummer 16-706995-15: 1. primairhij in of omstreeks de periode van 25 juni 2015 tot en met 29 juni 2015, te [plaats] , althans in Suriname , opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, een persoon, te weten [slachtoffer] , van het leven heeft beroofd, immers heeft hij, verdachte, nadat hij die [slachtoffer] een (grote) hoeveelheid alcohol (met zeer hoog alcoholisch percentage) had laten nuttigen, althans wetende dat die [slachtoffer] een (grote) hoeveelheid alcohol (met zeer hoog alcoholpercentage) had genuttigd en/of dronken was, althans in onmachtige toestand, althans fors onder invloed van alcoholische drank verkeerde, - die [slachtoffer] meegenomen naar de oever van een rivier en/of - gewacht tot ze alleen waren en/of - die [slachtoffer] op een muurtje/balustrade langs die rivier gelegd/geholpen en/of laten klimmen, althans laten plaatsnemen en/of - die [slachtoffer] in dronken/bedwelmde/bewusteloze/comateuze/slapende toestand, althans in staat van verminderd bewustzijn, althans in onmachtige toestand, althans niet in staat tot zwemmen, op een muurtje/balustrade langs die rivier laten liggen en/of - die [slachtoffer] in het water heeft doen laten belanden en/of - die [slachtoffer] in dronken/bedwelmde/bewusteloze/comateuze/slapende toestand, althans in staat van verminderd bewustzijn, althans in onmachtige toestand, althans niet in staat tot zwemmen, op een rand van een muurtje/balustrade waarachter zich een rivier bevond achtergelaten (door verderop met zijn rug naar haar toe te gaan urineren), waarop zij in het water is gevallen/gerold, althans terecht is gekomen en/of een of meer vormen van geweld op die [slachtoffer] heeft toegepast waardoor die [slachtoffer] in de rivier terecht is gekomen en/of (vervolgens) - die [slachtoffer] laten verdrinken, althans - nagelaten om die [slachtoffer] , die in dronken/bedwelmde/bewusteloze/comateuze/slapende althans onmachtige toestand in het water verkeerde, uit het water te redden, althans om daartoe een poging te ondernemen, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden; 1. subsidiairhij in of omstreeks de periode van 25 juni 2015 tot en met 29 juni 2015, te [plaats] , althans in Suriname , roekeloos, althans aanmerkelijk onoplettend en/of onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of nalatig heeft gehandeld, ten gevolge waarvan een persoon, te weten [slachtoffer] , aan zijn schuld te wijten is verdronken en aldus is overleden, immers heeft hij, verdachte wetende dat die [slachtoffer] een (grote) hoeveelheid alcohol (met zeer hoog alcoholpercentage) had genuttigd en/of dronken/ bedwelmd/bewusteloos/comateus/slapend was, althans in onmachtige toestand, althans fors onder invloed van alcoholische drank verkeerde, - die [slachtoffer] meegenomen naar de oever van een rivier en/of - die [slachtoffer] op een muurtje/balustrade langs die rivier gelegd/geholpen/laten klimmen, althans laten plaatsnemen en/of - die [slachtoffer] in dronken/bedwelmde/bewusteloze/comateuze/slapende toestand, althans in staat van verminderd bewustzijn, althans onmachtig, op een muurtje/balustrade langs die rivier laten liggen en/of - die [slachtoffer] in dronken/bedwelmde/bewusteloze/comateuze/slapende toestand, althans in staat van verminderd bewustzijn, althans onmachtige toestand, althans niet in staat tot zwemmen, op een rand van een muurtje/balustrade waarachter zich een rivier bevond achtergelaten (door verderop met zijn rug naar haar toe te gaan urineren) waarop zij in het water is gevallen/gerold, althans terecht is gekomen en/of (vervolgens) nagelaten om die [slachtoffer] , die in dronken/bedwelmd/bewusteloos/comateus/slapend althans onmachtige toestand in het water verkeerde, uit het water te redden, althans om daartoe een poging te ondernemen; 2.hij in of omstreeks de periode van 7 mei 2015 tot en met 21 juli 2015 te [plaats] en/of te [plaats] , althans in Nederland en/of in Suriname ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om Coöperatie Dela, althans een ander, te bewegen tot de afgifte van een geldbedrag (van EUR 300.000,- en/of EUR 10.000,-), althans enig goed, met het oogmerk om zichzelf wederrechtelijk te bevoordelen, door het aannemen van een valse naam of van een valse hoedanigheid (te weten de hoedanigheid van bonafide begunstigde) en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, met voren omschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid - op 7 mei 2015 [slachtoffer] een overlijdensrisicoverzekering heeft laten afsluiten ter hoogte van EUR 300.000,- en/of - op 1 juni 2015 [slachtoffer] de begunstiging daarvan heeft laten wijzigen, waardoor hij de begunstigde werd en/of - op 2 juni 2015 [slachtoffer] een uitvaartverzekering heeft laten afsluiten ter hoogte van EUR 10.000,- en/of - op 15 juni 2015 [slachtoffer] de begunstiging daarvan heeft laten wijzigen, waardoor hij de begunstigde werd, terwijl hij van plan was om die [slachtoffer] van het leven te beroven, althans om die [slachtoffer] in omstandigheden te brengen die een aanmerkelijke kans op overlijden zouden doen ontstaan en/of - op 16 juni 2015 vanuit Suriname telefonisch contact heeft opgenomen met Coöperatie Dela, zich heeft voorgesteld als meneer [naam ] en heeft gevraagd of de overlijdensrisicoverzekering van [slachtoffer] op de juiste manier in orde was gemaakt, daarbij de opmerking makende 'stel dat het straks zover is' en/of - op 26 juni 2015 een rol heeft gespeeld, althans aanwezig is geweest bij het te water raken en/of overlijden van die [slachtoffer] te [plaats] en/of - op 20 juli 2015 bij de gemeente een overlijdensuittreksel heeft opgevraagd en verkregen (terwijl hij officieel geen nabestaande is en een dergelijke akte niet aan hem verstrekt zou mogen worden) en/of - op 21 juli 2015 het overlijden van die [slachtoffer] telefonisch heeft gemeld bij Dela en tijdens dit telefoongesprek heeft gezegd dat zij op 29 juni 2015 is overleden, in de ochtend, op een voor hem onbekend tijdstip, en/of (aldus) niet de (volledige) waarheid heeft gesproken over het feit - dat zij al in de nacht van 26 juni 2015 te water is geraakt (en vermoedelijk op diezelfde datum is overleden) en/of - dat hij bij het te water raken en/of het overlijden van die [slachtoffer] aanwezig is geweest (en dus wel degelijk een tijdstip zou kunnen noemen) en/of - dat hij bij het te water raken en/of het overlijden van die [slachtoffer] een rol van betekenis heeft gespeeld, waarnaar strafrechtelijk onderzoek is/werd gedaan en/of - op 21 juli 2015 telefonisch informatie heeft ingewonnen bij Coöperatie Dela welke stukken zij van hem nodig hadden om tot uitkering over te gaan en/of (vervolgens) heeft gevraagd/heeft laten nagaan of een uittreksel van de gemeente in dit geval niet voldoende zou zijn om tot uitkering over te gaan, nu hij (nog) niet de beschikking had over de stukken die daartoe eigenlijk nodig waren, zijnde de uitvoering van het misdrijf niet voltooid en/of hij op of omstreeks 21 juli 2015 te [plaats] , althans in Nederland, anders dan door valsheid in geschrift, opzettelijk niet naar waarheid gegevens heeft verstrekt aan Coöperatie Dela, althans een (rechts)persoon door wie of door wiens tussenkomst enige verstrekking of tegemoetkoming wordt verleend, welk feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl hij wist, althans redelijkerwijze moest vermoeden, dat de verstrekte gegevens van belang waren voor de vaststelling van zijn recht op die verstrekking of tegemoetkoming dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming, immers heeft hij, verdachte terwijl hij de begunstigde was van een overlijdensrisicoverzekering en/of een uitvaartverzekering op naam van [slachtoffer] , afgesloten bij Dela, op 21 juli 2015 het overlijden van die [slachtoffer] telefonisch gemeld bij Coöperatie Dela en tijdens dit telefoongesprek gezegd dat "zij op 29 juni 2015 is overleden, in de ochtend, op een voor hem onbekend tijdstip, en/of (aldus) niet de (volledige) waarheid gesproken over het feit - dat zij al in de nacht van 26 juni 2015 te water is geraakt (en vermoedelijk op diezelfde datum is overleden) en/of - dat hij bij het te water raken en/of het overlijden van die [slachtoffer] aanwezig is geweest (en dus wel degelijk een tijdstip zou kunnen noemen) en/of - dat hij bij het te water raken en/of het overlijden van die [slachtoffer] een rol van betekenis heeft gespeeld, waarnaar strafrechtelijk onderzoek is/werd gedaan; 3.hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 april 2015 tot en met 1 december 2015 te [plaats] en/of [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen of een ander, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(

  1. en)wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels de rechtspersoon Dynamic Credit Woninghypotheken B.V., althans een rechtspersoon, heeft bewogen tot het verstrekken van een hypothecaire geldlening met een totaalbedrag van EUR 375.950,-, althans tot afgifte van een geldbedrag, hebbende hij, verdachte en/of zijn mededader(
  2. s)met voren omschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid een valse werkgeversverklaring en/of een valse salarisspecificatie ingediend of laten indienen bij die Dynamic Credit Woninghypotheken B.V. (en/of diens gevolmachtigde Quion Hypotheekbemiddeling B.V.) ter verkrijging van een hypothecaire geldlening met betrekking tot de onroerende zaak/woning gelegen aan de [adres 1] te [plaats] op naam van een ander dan verdachte, waardoor die Dynamic Credit Woninghypotheken B.V. werd bewogen tot bovenomschreven afgifte en/of hij in of omstreeks de periode van 1 april 2015 tot en met 1 december 2015 te [plaats] en/of [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, - een werkgeversverklaring d.d. 3 augustus 2015 op naam van [getuige 1] en/of - een salarisspecificatie d.d. 31 juli 2015 op naam van [getuige 1] , (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft verdachte valselijk - op die werkgeversverklaring aangekruist dat er sprake was van "een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd of is aangesteld in vaste dienst" (terwijl er geen sprake was van een dienstverband), althans op die werkgeversverklaring de datum van 1 april 2015 als datum van indiensttreding vermeld (terwijl op die datum (nog) geen sprake was van een dienstverband) en/of - op die werkgeversverklaring vermeld een bruto jaarsalaris van EUR 66.000,-- en/of een vakantietoeslag van EUR 5.280,- (terwijl van genoemd(
  3. e)salaris(componenten) geen sprake was), - op die salarisspecificatie vermeld dat die [getuige 1] per 1 april 2015 in dienst was bij [naam B.V.] (terwijl er geen sprake was van een dienstverband, althans (nog) niet op voornoemde datum), en/of - op die salarisspecificatie vermeld dat die [getuige 1] een bruto maandsalaris genoot van EUR 5.500,- (terwijl van genoemd salaris geen sprake was), zulks met het oogmerk om die/dat geschrift(
  4. en)als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken en/of hij in of omstreeks de periode van 1 april 2015 tot en met 1 december 2015 te [plaats] en/of [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van (een) vals(
  5. e)- werkgeversverklaring d.d. 3 augustus 2015 op naam van [getuige 1] en/of - een salarisspecificatie d.d. 31 juli 2015 op naam van [getuige 1] , (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware die/dat geschrift(
  6. en)echt en onvervalst, bestaande die valsheid of vervalsing hieruit dat: - op die werkgeversverklaring staat aangekruist dat er sprake was van "een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd of is aangesteld in vaste dienst" (terwijl er geen sprake was van een dienstverband), althans op die werkgeversverklaring de datum van 1 april 2015 als datum van indiensttreding staat vermeld (terwijl op die datum (nog) geen sprake was van een dienstverband) en/of - op die werkgeversverklaring staat vermeld een bruto jaarsalaris van EUR 66.000,- en/of een vakantietoeslag van EUR 5.280,- (terwijl van genoemd(
  7. e)salaris(componenten) geen sprake was), - op die salarisspecificatie staat vermeld dat die [getuige 1] per 1 april 2015 in dienst was bij [naam B.V.] (terwijl er geen sprake was van een dienstverband, althans (nog) niet op voornoemde datum) en/of - op die salarisspecificatie staat vermeld dat die [getuige 1] een bruto maandsalaris genoot van EUR 5.500,- (terwijl van genoemd salaris geen sprake was), en bestaande dat gebruikmaken hieruit dat voornoemde geschriften zijn overgelegd aan Dynamic Credit Woninghypotheken B.V. (en/of diens gevolmachtigde Quion Hypotheekbemiddeling B.V.) ter verkrijging van een hypothecaire geldlening met betrekking tot de onroerende zaak/woning gelegen aan de [adres 1] te [plaats] ; zaak met parketnummer 16-659844-18: 1. primairhij in of omstreeks de periode van 9 september 2014 tot en met 17 april 2018 te [plaats] en/of [plaats] en/of [plaats] , althans in Nederland, een kwitantie van een geldlening van 10.000 euro van verdachte aan [slachtoffer] d.d. 9 september 2014, zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt of vervalst, door de handtekening van die [slachtoffer] op voornoemde kwitantie te plaatsen/zetten/na te maken, zulks met het oogmerk op dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken en/of hij in of omstreeks de periode van 17 april 2018 tot en met 24 september 2018 te [plaats] , althans in Nederland, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valse kwitantie van een geldlening van 10.000 euro van verdachte aan [slachtoffer] d.d. 9 september 2014, zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware dat geschrift echt en onvervalst -, bestaande die valsheid en/of vervalsing hieruit dat die kwitantie valselijk is voorzien van een handtekening die de handtekening van die [slachtoffer] moest voorstellen, en bestaande dat gebruikmaken hieruit dat die kwitantie is overgelegd aan de rechtbank en/of de officier van de justitie als bewijs voor de door hem, verdachte, gestelde geldlening aan voornoemde [slachtoffer] , als ware dat geschrift echt en onvervalst. Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Overwegingen met betrekking tot het bewijs van de feiten 1, 2 en 3 in de zaak met parketnummer 16-706995-15 en feit 1 in de zaak met parketnummer 16-659844-18 Ten behoeve van de leesbaarheid zal het hof de verschillende feiten op de tenlastelegging in de overwegingen in het arrest vanaf hier als de feiten 1, 2, 3 en 4 benoemen. Vanaf de bewezenverklaring zal de oorspronkelijke aanduiding worden gehandhaafd. Standpunt advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd om de onder 1 tenlastegelegde moord op [slachtoffer] bewezen te verklaren. Hij heeft daarbij verwezen naar de bewijsconstructie en de conclusies van de rechtbank. Ook in hoger beroep is op geen enkele manier het alternatieve scenario van verdachte aannemelijk(
  8. er)geworden. De poging tot oplichting van Dela, de hypotheekfraude en het valselijk opmaken en vervolgens gebruik maken van de kwitantie, zoals ten laste gelegd onder 2, 3 en 4, dienen eveneens bewezen te worden verklaard. Standpunt verdediging Door de verdediging is ter zitting van het hof betoogd, dat er sprake is van onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor de feiten 1, 2, 3 en 4. Aannames en subjectieve oordelen hebben in het onderzoek tot nu toe te veel een rol gespeeld. Ontlastend bewijs heeft geen of onvoldoende aandacht gekregen. Verdachte ontkent alle tenlastegelegde feiten en dient integraal te worden vrijgesproken, aldus de verdediging. Overwegingen hof De overwegingen van het hof zijn als volgt opgezet: 1. Feitelijke vaststellingen gebeurtenissen en onderzoek 25 juni 2015 tot en met 29 juni 2015: 1.1 Vondst lichaam 1.2 115 melding 1.3 Onderzoek door de Surinaamse politie Gebeurtenissen op 25 en 26 juni 2015 en de dagen erna: 1.4 Etentje 1.5 Bezoek aan supermarkt [naam supermarkt] 1.6 Bioscoopbezoek verdachte en [vriendin 2] 1.7 [slachtoffer] brengt de avond door in het appartementencomplex aan de [adres 1] 1.8 Telefoongegevens van 26 juni 2015 1.9 Voorwaardelijk verzoek 1, horen personen Toyota Ist 1.10 Onderzoek naar de doodsoorzaak en vindplaats van het lichaam 2 Tussenconclusie hof 3. Relatie [slachtoffer] en verdachte 3.1 Relatie beschouwd vanuit de kant van [slachtoffer] 3.2 Relatie beschouwd vanuit de kant van verdachte 3.3 [vriendin 1] 3.4 Andere vrouwen 4 Financiële kant relatie [slachtoffer] en verdachte 4.1 Financiële situatie [slachtoffer] vóór leren kennen verdachte 4.2 Investering [naam bedrijf] 4.3 Inschrijving op verschillende adressen 4.4 Leningen op naam van [slachtoffer] 4.5 Bankrekeningen, overmaken en contante stortingen en opnames 4.6 Bedrijven en contracten op naam van [slachtoffer] 5. Het afsluiten van de levensverzekeringen en uitvaartverzekering 6. Verklaringen verdachte 6.1 Verklaringen verdachte over financiële relatie met [slachtoffer] en over het afsluiten van de overlijdensrisicoverzekeringen en de uitvaartverzekering 6.2 Verklaringen verdachte over de gebeurtenissen op 25 en 26 juni 2015 en zijn vertrek uit Suriname 7. Conclusies hof 7.1 Beoordeling hof verklaringen verdachte 7.2 Conclusies omtrent aard relatie 7.3 Conclusies financiële kant van de relatie 7.4 Conclusies afsluiten verzekeringen 8. Overige relevante feiten en omstandigheden 8.1 Getuige [ex-zakenpartner] 8.2 Afwijzing voorwaardelijk verzoek horen [ex-zakenpartner] 8.3 Opmerkelijke communicatie van verdachte over [slachtoffer] na haar overlijden 8.4 Verdachte en omgang met andere vrouwen kort na overlijden [slachtoffer] 8.5 Instrueren en beïnvloeden [vriendin 1] 9. Conclusies hof 9.1 Beoordeling hof verklaringen verdachte over gebeurtenissen 25 en 26 juni 2015 9.2 Voorwaardelijk verzoek 3, horen ex-vrouw van verdachte, [naam ex-vrouw] 9.3 Eindconclusie feit 1 9.4 Alcohol 9.5 Voorbedachte raad 10. Overwegingen met betrekking tot feit 2 11. Overwegingen met betrekking tot feit 3 12. Overwegingen met betrekking tot feit 4 1. Feitelijke vaststellingen gebeurtenissen en onderzoek 25 tot en met 29 juni 2015 1.1 Vondst lichaam Op 29 juni 2015 wordt een lichaam gevonden aan de oever van de Surinamerivier, achter een houtzagerij gelegen aan de Zaagmolenweg te Meerzorg in het district Commewijne in Suriname . Na onderzoek blijkt dit het stoffelijk overschot te zijn van [slachtoffer] (hierna ook: [slachtoffer] of [slachtoffer] ), een Nederlandse vrouw van 29 jaren oud, gewoond hebbende te Nederland. Zij was op 24 juni 2015 met haar jongere zus [naam zus] naar Suriname gevlogen om een paar weken vakantie te vieren. 1.2 115 melding Op 26 juni 2015 omstreeks 02:50 uur krijgt de centrale meldkamer van het Korps Politie Suriname een telefonisch bericht via het noodnummer 115. De beller is verdachte. Verdachte meldt in dat gesprek dat zijn vriendin bij de hoge brug in het water is gevallen. 1.3 Onderzoek door de Surinaamse politie De Surinaamse verbalisant [verbalisant 1] krijgt op 26 juni 2015 om 03:10 uur de melding dat een manspersoon zich bevindt bij de voet van de Wijdenboschbrug aan de Meerzorgzijde, wiens vriendin in de Surinamerivier moet zijn gevallen en in de diepte is verdwenen. Als hij samen met zijn collega [verbalisant 2] ter plaatse aankomt blijkt voormelde manspersoon verdachte te zijn. Verdachte verklaart dat zijn vriendin in de rivier is verdwenen. [verbalisant 1] heeft verklaard dat verdachte op de vraag waarom hij niet achter zijn vriendin aan is gesprongen antwoordt dat hij de plek eng en donker vindt, dat hij de plek niet kent en ‘dat hij niet kon zwemmen’. Als [verbalisant 1] omtrent voorgaande wordt bevraagd door de rechter-commissaris verklaart hij dat deze verklaring klopt. De Surinaamse verbalisant [verbalisant 3] verklaart ook dat hij verdachte later die nacht/ochtend hoort zeggen ‘dat hij zelf geen hulp kon bieden, daar hij geen zwemmer zou zijn.’ Tijdens zijn eerste verhoor op het politiestation verklaart verdachte tegen verbalisant [verbalisant 2] op de vraag wat hij heeft gedaan om [slachtoffer] uit het water te redden blijkens het proces-verbaal: “Ik kon haar niet redden daar dat ik ook niet kon zwemmen en wist op dat moment geen raad.” Vanaf zijn tweede verhoor bij de politie verklaart verdachte dat hij kan zwemmen. Door de politie in Suriname wordt een onderzoek ingesteld. Verdachte wordt gehoord en moet zijn paspoort inleveren en zich beschikbaar houden voor het onderzoek. Vanaf zijn eerste verhoor verklaart hij telkens dat hij [slachtoffer] op 26 juni 2015 ’s nachts heeft opgehaald van het appartementencomplex en met haar over de brug naar de plek onder de brug (het hof begrijpt: bij de voet van de Wijdenboschbrug aan de Meerzorgzijde) is gereden, waar zij op enig moment in de rivier terecht is gekomen. Dit vindt allereerst bevestiging in de vondst van haar lichaam verderop aan de oever van de rivier drie dagen later en verder in de mastgegevens van de telefoon van [slachtoffer] (waaruit blijkt dat zij om 01:04 uur haar telefoon nog heeft gebruikt en zij zich op dat moment bevond in het appartementencomplex aan de [adres 1] ) en hetgeen de politie onder de brug (verdachte, zijn voertuig met daarin [slachtoffer] schoenen en armbanden) aantreft. Op de plek bij de rivier, waarover verdachte heeft verklaard met [slachtoffer] te hebben verbleven, wordt braaksel aangetroffen. Het braaksel wordt onderzocht op de mogelijke aanwezigheid van alcohol. Er wordt geen alcohol in het braaksel aangetroffen. Het hof stelt vast dat dit braaksel niet is onderzocht op DNA. Hoewel verdachte dit braaksel heeft aangewezen als zijnde braaksel van [slachtoffer] , stelt het hof vast dat niet op grond van overig bewijs kan worden vastgesteld van wie dit braaksel afkomstig is. Het voertuig waar verdachte gebruik van maakte is onderzocht. Op de bodem voor de bijrijdersstoel wordt een paar zwarte damesschoenen aangetroffen. In de auto wordt ook een paar zilverkleurige damesarmbanden aangetroffen. De Surinaamse verbalisant [verbalisant 1] die in de nacht naar aanleiding van de melding ter plaatse kwam, verklaart dat hij toen aldaar kijkend in de auto op de bodem voor de bijrijdersstoel meerdere zilveren armbandjes zag liggen. Hij heeft daarvan een tekening gemaakt. De Surinaamse verbalisant [verbalisant 4] verklaart dat hij het vreemd vond dat de schoenen in de auto lagen en dat het meisje daar kennelijk op blote voeten heeft gelopen. Het is een vieze plek met zwerfhonden. Ook verbalisant [verbalisant 1] heeft verklaard dat de plek niet hygiënisch is en dat het niet een plek is om op blote voeten te gaan lopen. De appartementen waarin verdachte en [slachtoffer] verbleven aan de [adres 1] zijn in verdachtes bijzijn onderzocht. In de keuken wordt op een tafel een onaangebroken fles en een geopende fles Marienburg rum (hierna genoemd: Palm rum) aangetroffen. Op de tafel in de eetkamer staat een leeg blikje Coca cola. Er worden geen glazen/cups aangetroffen waaruit was gedronken. Op het bed wordt de IPhone van [slachtoffer] aangetroffen. De flesjes Palm rum zijn onderzocht. Het percentage alcohol is 90 %. De inhoud van een vol flesje is 200 milliliter. De inhoud van het geopende flesje betrof nog 53,2 milliliter. Rekening houdend met een foutmarge is berekend dat er 146 tot 147,5 milliliter uit het flesje was. Op de hals van het flesje aan de buitenzijde wordt DNA van zowel [slachtoffer] als verdachte aangetroffen. Op 29 juni 2015, direct zodra het onderzoek door de politie is gesloten, vliegt verdachte vanuit Suriname terug naar Nederland. Hij heeft op dat moment het door de politie gevonden lichaam van [slachtoffer] niet gezien en haar ouders niet gesproken. Ook later, in Nederland, spreekt verdachte op geen enkel moment met de familie van [slachtoffer] . Op het vliegveld van Suriname , vlak voor zijn vertrek, maakt verdachte een selfie waarop hij lachend staat afgebeeld. Hij stuurt deze foto naar [vriendin 1] . Gebeurtenissen op 25 en 26 juni 2015 en de dagen erna 1.4 Etentje Verdachte is op 4 juni 2015 vanuit Nederland naar Suriname gevlogen. Nadat [slachtoffer] samen met haar zus op 24 juni 2015 omstreeks 15:30 uur was geland op het vliegveld van Suriname en zij met hun familie in de familiewoning waren aangekomen, is [slachtoffer] vroeg in de avond door verdachte opgehaald om met hem tijd door te brengen. Verdachte nodigt de volgende dag de ouders van [slachtoffer] , die vanwege het (ver)bouwen van hun familiehuis en voor vakantie ook enige weken in Suriname verblijven, en haar zus op 25 juni 2015 uit om met hem en [slachtoffer] uit eten te gaan. Het etentje is volgens verdachte bedoeld om rust te creëren in [slachtoffer] familie en om te laten zien dat hij haar vriend is. [slachtoffer] ouders en zus worden om 17:00 uur door verdachte en [slachtoffer] opgehaald. Zij dineren daarna samen in een restaurant. Bij het eten wordt geen alcohol gedronken. Verdachte betaalt het etentje. Rond 19:00 uur brengen verdachte en [slachtoffer] haar ouders en zus naar een familielid. Verdachte en [slachtoffer] rijden daarna samen weg. 1.5 Bezoek aan supermarkt [naam supermarkt] Uit camerabeelden, die onderdeel uitmaken van het dossier, blijkt dat [slachtoffer] en verdachte de avond van 25 juni 2015 omstreeks 19:40 uur de supermarkt [naam supermarkt] in lopen. [slachtoffer] pakt een flesje Palm rum uit het schap en geeft het aan verdachte. Verdachte en [slachtoffer] kijken samen naar het etiket en zijn in gesprek. [slachtoffer] neemt het flesje over van verdachte. Verdachte pakt een tweede flesje Palm rum en kijkt naar het etiket. Hij loopt ermee naar de kassa. [slachtoffer] volgt hem. Verdachte overhandigt een paar bankbiljetten aan [slachtoffer] . Zij heeft dan de twee flesjes Palm rum in haar handen. Verdachte begint te hoesten. Verdachte pakt zijn mobiele telefoon en maakt een foto van [slachtoffer] terwijl zij poseert met de twee flesjes Palm rum. [slachtoffer] gaat vóór verdachte in de rij staan. Verdachte hoest nog een paar keer. Hij spreekt [slachtoffer] aan en loopt terug de winkel in. Ondertussen rekent [slachtoffer] de twee flesjes Palm rum af. Op de telefoon van verdachte zijn drie foto’s aangetroffen van [slachtoffer] met twee flesjes Palm rum in haar hand. De foto’s zijn gemaakt op 25 juni 2015 om 19:48 uur in de supermarkt [naam supermarkt] . 1.6 Bioscoopbezoek verdachte en [vriendin 2] Op 25 juni 2015 om 21:30 uur gaat verdachte met een andere vrouw, genaamd [vriendin 2] , naar de bioscoop. [slachtoffer] is hier niet van op de hoogte. Verdachte vertelt haar dat hij die avond een zakelijke afspraak heeft. Omstreeks 23:00 uur is de film afgelopen en gaan [vriendin 2] en verdachte met de auto van verdachte nog wat eten halen. Wanneer zij langs horecagelegenheid [naam bar 1] rijden stapt verdachte uit omdat zijn accountant (het hof begrijpt: [getuige 2] ) op dat moment daar zit met een tweede persoon. [vriendin 2] komt er op verzoek van de accountant ook even bij zitten. Op een gegeven moment geeft verdachte aan [vriendin 2] aan dat hij weg wil omdat hij slaap heeft. Verdachte en [vriendin 2] rijden dan in verdachtes auto terug naar de auto van [vriendin 2] . Verdachte zegt tegen [vriendin 2] dat hij naar huis gaat en rijdt heel hard weg. [getuige 2] heeft verklaard dat hij die avond met [getuige 3] had afgesproken in de [naam bar 1] tegenover hotel [naam hotel] . Rond 24:00 uur komt verdachte langs. Verdachte zegt dat hij zijn vriendin thuis gaat brengen en een andere vriendin gaat ophalen om naar de [naam bar 2] te gaan waar hij heeft afgesproken met [naam ] . Verdachte vraagt of [getuige 2] en [getuige 3] ook nog naar de [naam bar 2] komen. 1.7 [slachtoffer] brengt de avond door in het appartementencomplex aan de [adres 1] [vriendin 3] is samen met haar moeder [getuige 10] als zij [slachtoffer] op 25 juni 2015 tussen 21:00 uur en 22:00 uur voor de deuropening van appartement 2 op de tweede verdieping van het appartementencomplex aan de [adres 1] ziet. Dit appartementencomplex is eigendom van een oom van verdachte en wordt door verdachte gehuurd. De moeder van [vriendin 3] , [getuige 10] , ziet een jongedame van Hindoestaanse komaf (het hof begrijpt: [slachtoffer] ) om ongeveer 21:00 uur voor appartement 2 staan. Om ongeveer 22:00 uur ziet zij dat [slachtoffer] nog steeds op dezelfde plek staat. Ze maakt op [getuige 10] een erg zenuwachtige indruk, bijna ‘bangerig’ te noemen. [getuige 10] stelt haar een aantal vragen. [slachtoffer] vertelt [getuige 10] onder meer dat ze niet de vrouw, maar de vriendin van verdachte is. [slachtoffer] lijkt helemaal niet dronken en lijkt ook niet onder invloed van alcohol. [getuige 10] heeft het ook niet geroken aan haar uitademing. 1.8 Telefoongegevens van 26 juni 2015 Op 26 juni 2015 omstreeks 00:47 uur maakt de telefoon van [slachtoffer] contact met de telefoon van verdachte. De locatie van de telefoon van [slachtoffer] is op dat moment in de buurt van de masten Commissarisweg en Welgedacht B. De verbalisant concludeert dat [slachtoffer] zich op dat moment naar alle waarschijnlijkheid ‘thuis’ (het hof begrijpt: in het appartementencomplex aan de [adres 1] ) bevindt. Verdachte bevindt zich op dat moment in de omgeving van De Boerbuiten. Verdachte verplaatst zich blijkens mastgegevens tussen ongeveer 00:32 uur en 01:04 uur vanuit de omgeving van [naam hotel] naar de omgeving waar [slachtoffer] zich bevindt. Hij legt de route af van [naam hotel] naar de Boerbuiten, naar Hermitage, naar Hannaslust. Om 01:04 uur maakt de telefoon van [slachtoffer] contact met de telefoon van verdachte. De locatie van de telefoon van [slachtoffer] is dezelfde als om 00:47 uur. De telefoon van verdachte is op dat moment bij Hannaslust. Verdachte appt om 01:30 uur in een WhatsApp-groep, bestaande uit [naam ] , [getuige 2] en hemzelf, de volgende berichten: “Ik rij zo naar Havana. Mijn vriendin wil eerst nog naar de brug. Ze heeft erg veel gedronken. Even van het uitzicht genieten.” Verdachte heeft op 29 juni 2015 om 12:14 uur een screenshot van dit gesprek gemaakt. Om 01:37 uur beantwoordt verdachte een berichtje van [vriendin 2] . In zijn berichtje staat: “X was erg gezellig. Sweet dreams, You are great.” Verdachte maakt om 01:44 uur een notitie op zijn telefoon. In de notitie staat ‘[kentekennummer]’. Uit onderzoek door de Surinaamse politie blijkt dat een gelijkluidend (Surinaams) kenteken is afgegeven aan een witgelakte Toyota Ist. Verdachte heeft verklaard dat toen hij met [slachtoffer] op de plek bij de rivier was, daar eerst nog een ander stelletje was, rijdend in een witte Toyota Ist, welke Toyota na een half uurtje was vertrokken. Het hof concludeert op grond van voorgaande dat verdachte toen hij met [slachtoffer] op de plek bij de rivier was, het kenteken heeft genoteerd van de auto die daar aanvankelijk tegelijkertijd aanwezig was. Om 02:50 uur belt verdachte zoals hiervoor reeds aangegeven het noodnummer 115. Om 02:56 uur belt verdachte naar [naam ] . Dit gesprek duurt 485 seconden (ruim 8 minuten). Om (Nederlandse tijd 08:08 uur, het hof begrijpt Surinaamse tijd) 03:08 uur appt verdachte naar [naam ] : “Politir is er”. Op 26 juni 2015 hebben verdachte en [naam ] op meerdere momenten contact met elkaar via WhatsApp. Omstreeks 14:25 uur appt verdachte naar [naam ] : “Ik denk dat ik hulp nodig zal hebben. De ouders gaan ontkennen dat ze drinkt. Terwijl ze zwaar heeft gedronken. Heb ik zelfs een foto van.” 1.9 Afwijzing voorwaardelijk verzoek 1, horen personen Toyota Ist Door de verdediging is verzocht om, in het geval het hof de notitie ‘ [kentekennummer] ’ van verdachte in belastende zin aanmerkt en vaststelt dat er een link is tussen deze notitie en een witte Toyota Ist, het onderzoek te heropenen en nader onderzoek te gelasten naar de tenaamgestelde en naar de gebruikers van de auto met dat kenteken op 26 juni 2015, zodat de verdediging in de gelegenheid kan worden gesteld deze tenaamgestelde en de gebruikers van het kenteken op 26 juni 2015 te vragen of dit voertuig op 26 juni 2015 onder de brug stond, of zij het voertuig van verdachte en hem en [slachtoffer] daarin hebben gezien en wat zij daarvan hebben waargenomen. Het hof stelt vast dat de Surinaamse politie onderzoek heeft gedaan naar de tenaamgestelde van het kenteken en dat dit [naam ] betreft. Ook blijkt uit het dossier dat de Nederlandse politie de Surinaamse politie heeft gevraagd of zij onderzoek hadden gedaan naar de inzittenden van de witte Toyota Ist en dat de Surinaamse politie heeft laten weten dat de inzittenden van de witte Toyota Ist onbekend zijn gebleven. Over de identiteit van de personen die de bewuste nacht de Toyota Ist gebruikten, is op 26 juni 2015 ‘s nachts ter plaatse, en ook nadien, geen andere informatie dan de tenaamstelling bekend geworden. Het hof stelt ook vast dat het bij wijzen van dit arrest meer dan vijf en een half jaar geleden is dat de betrokken Toyota onder de brug op de parkeerplaats heeft gestaan. Eventuele getuigen – als zij al getraceerd kunnen worden – zouden in dit geval de vraag moeten beantwoorden welke voor hen tamelijk alledaagse waarneming zij - bij nacht van al dan niet aanwezigheid van anderen in een voor hen willekeurige auto onder de brug - toen hebben gedaan. Een (betrouwbaar) antwoord op die vraagstelling lijkt gelet op de (alledaagse) aard van de gevraagde waarneming en de werking van het menselijk geheugen met dit ruime tijdsverloop onwaarschijnlijk. Los van het voorgaande acht het hof het gevraagde nadere onderzoek niet noodzakelijk. Het hof overweegt hieromtrent, dat verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer] en hij in de auto hebben verbleven totdat de Toyota Ist was weggereden. Over de wijze en het moment van het te water raken van [slachtoffer] kunnen de gebruikers van die auto dan ook niet verklaren. Uitgaande van deze verklaring van verdachte, acht het hof de eventuele waarnemingen van het stelletje van de witte Toyota Ist niet zodanig relevant dat nader onderzoek op dit punt noodzakelijk is. Het hof acht zich door de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting voldoende geïnformeerd en nader onderzoek niet noodzakelijk. Het voorwaardelijke verzoek wordt afgewezen. 1.10 Onderzoek naar de doodsoorzaak en vindplaats van het lichaam Op 29 juni 2015 wordt er in Suriname onderzoek gedaan op het lichaam van [slachtoffer] . De patholoog Chan concludeert dat er sprake is van overlijden vermoedelijk ten gevolge van verstikking ten gevolge van verdrinking. Mede vanwege deze conclusie van Chan wordt een nader onderzoek door de Surinaamse politie niet noodzakelijk geacht en wordt de zaak op 29 juni 2015 formeel gesloten. Nadien wordt er in Nederland door de patholoog Van de Goot een hersectie uitgevoerd op het lichaam. Van de Goot concludeert in zijn rapport van 15 juli 2015 dat er geen doodsoorzaak aanwijsbaar is, maar dat er ook geen aanwijzingen zijn die de diagnose verdrinking als eerste overweging aannemelijk maken. In zijn rapport d.d. 23 maart 2016 waarin Van de Goot ook de resultaten van patholoog Chan meeneemt, geeft hij weer dat bij bijna elke verdrinking een aantal kenmerken voorkomt te weten het opzetten van de longen, debris dan wel schuim in de luchtwegen en water in de maag, maar dat bij [slachtoffer] geen van deze kenmerken aanwezig waren. Van de Goot concludeert dat de diagnose verdrinking niet perse fout hoeft te zijn, maar dat het onterecht is deze diagnose als enige mogelijkheid te stellen en dat andere doodsoorzaken beslist niet uitgesloten zijn. Patholoog Soerdjbalie-Maikoe concludeert op basis van de foto’s, het rapport van Van de Goot van 15 juli 2015 en het rapport van Chan dat er geen doodsoorzaak is gebleken. Voorts concludeert zij dat er geen bevindingen zijn die zouden kunnen duiden op verdrinking, maar dat zij verdrinking als doodsoorzaak niet uitsluit. Lunetta, hoogleraar in de Forensische geneeskunde, gaat in zijn op 7 maart 2017 opgestelde rapport in op de door Van de Goot besproken kenmerken die voorkomen bij verdrinking, maar noemt dat het ontbreken van de met verdrinking verbonden kenmerken door Van de Goot niet kritisch is geëvalueerd in de context van de verregaande staat van ontbinding van het lichaam. Volgens Lunetta is de bekende mogelijkheid van dood door verdrinking zonder dat dit morfologische bevindingen bij autopsie oplevert met name bij lijken met vergaande ontbinding enigszins over het hoofd gezien door Van de Goot. Lunetta concludeert dat de doodsoorzaak onbekend en de manier van overlijden onbepaald is. Professor S. Naipal, hydroloog, concludeert dat, uitgaande van het te water raken van het lichaam bij de ‘Vermakelijkheidspier’ (het hof begrijpt: bij de voet van de Wijdenboschbrug aan de Meerzorg zijde daar waar verdachte en [slachtoffer] zijn geweest), het aannemelijk is dat het lichaam terecht komt op de locatie waar het gevonden is en dat het zeer wel mogelijk is dat het lichaam daar al in de loop van 26 juni 2015 terecht is gekomen. 2Tussenconclusie hof Het hof concludeert op grond van voorgaande feiten en omstandigheden dat [slachtoffer] op 26 juni 2015 om 01:04 uur (het moment waarop [slachtoffer] telefonisch contact zoekt met de telefoon van verdachte die zich dan nog elders bevindt) nog in leven was en dat verdachte daarna met [slachtoffer] in de auto op 26 juni 2015 vanaf het appartementencomplex aan de [adres 1] over de Wijdenboschbrug naar de voet van de Wijdenboschbrug aan de Meerzorgzijde is gereden. Verder concludeert het hof dat [slachtoffer] tussen het tijdstip van 01:04 uur en 03:08 uur aldaar te water is geraakt en dat haar stoffelijk overschot drie dagen later is gevonden. Anders dan de rechtbank oordeelt het hof dat op basis van de verschillende conclusies van deskundigen niet met zekerheid kan worden vastgesteld of zij op het moment van te water raken nog in leven was. Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van die verschillende conclusies van de diverse pathologen die vanuit hun deskundigheid hebben gerapporteerd over de mogelijke doodsoorzaak van [slachtoffer] . Op de eerste rapportage na, blijkt dat er geen sprake is van eenduidigheid ten aanzien van de doodsoorzaak. Het hof verenigt zich met de conclusies van de deskundigen Van de Goot, Soerdjbalie-Maikoe en Lunetta en maakt de conclusie tot de zijne dat een doodsoorzaak niet kan worden vastgesteld. Op basis van de mastgegevens van de telefoon van [slachtoffer] (waaruit blijkt dat zij om 01:04 uur haar telefoon nog heeft gebruikt), in combinatie met wat de politie in het appartement van [slachtoffer] (haar telefoon) en onder de brug (verdachte, zijn auto met daarin haar schoenen en armbanden) aantreft en hetgeen verdachte verklaart, stelt het hof vast dat verdachte degene is die als laatste in de nabijheid van [slachtoffer] was toen zij nog in leven was. 3Relatie [slachtoffer] en verdachte 3.1 Relatie beschouwd vanuit de kant van [slachtoffer] leert verdachte via internet kennen als ze op zoek is naar een kamer die zij wil huren voor haar toenmalige vriend uit Suriname . Verdachte biedt op internet kamers aan en vanaf maart of april 2013 huurt [slachtoffer] een kamer bij verdachte voor de duur van een jaar. Haar familie laat de politie na haar dood weten dat [slachtoffer] elke avond in het ouderlijk huis sliep en dat zij de afgelopen jaren (het hof begrijpt: feitelijk) nergens anders dan in haar ouderlijk huis heeft gewoond. Op een gegeven moment gaat het uit met [slachtoffer] Surinaamse vriend. Uit de verklaringen van [vriendin 1 slachtoffer] , haar beste vriendin, blijkt dat [slachtoffer] verdachte rond die tijd leuk begint te vinden. Een andere vriendin, [vriendin 2 slachtoffer] , verklaart dat [slachtoffer] verdachte aantrekkelijk vindt en dat ze diepgaande gesprekken met hem heeft over school en haar ouders. Ze spreken af en toe af, verdachte haalt haar dan op bij het huis van haar ouders. Ze gaan dan uit eten of een stukje rijden. Ze krijgen ook een seksuele relatie. Verdachte heeft echter weinig tijd voor haar. Hij zegt altijd dat hij druk is met zijn werk. [slachtoffer] doet veel voor verdachte: ze wast en strijkt zijn kleding en maakt schoon. Naarmate hun relatie langer duurt komt [slachtoffer] erachter dat de relatie van verdachte met zijn ex-vrouw (toevoeging hof: [naam ex-vrouw] ) nog meerdere keren aan en uit gaat. Van 4 november 2014 tot en met 25 november 2014 is [slachtoffer] in Suriname . Ze verblijft met verdachte in het appartementencomplex aan de [adres 1] . Ze verblijven daar vanwege zaken van verdachte. [slachtoffer] gaat er op voorhand vanuit dat zij hem daarbij zal assisteren. Verdachte neemt haar echter niet mee naar zijn zakelijke afspraken en ze zit veel alleen in het appartement aan de [adres 1] . ’s Nachts belt ze huilend met [vriendin 1 slachtoffer] . Ze vertelt [vriendin 1 slachtoffer] dat ze ziet dat verdachte uitgaat met andere vrouwen. Ook vertelt ze haar dat ze eerder is teruggekomen vanwege de andere vrouwen. [getuige 4] , een zakelijke relatie van verdachte, verblijft in diezelfde periode ook in Suriname in het appartementencomplex. Zij ziet [slachtoffer] dagelijks en neemt haar onder haar hoede. [getuige 4] bemerkt dat verdachte en [slachtoffer] apart slapen. [slachtoffer] vertelt haar dat zij de vriendin van verdachte is. Verdachte neemt echter ook andere vrouwen mee naar het appartementencomplex en loopt [slachtoffer] voorbij met een andere vrouw zonder gedag te zeggen. Zij blijven ook slapen en gaan de volgende dag weer weg. Dit doet [slachtoffer] erg veel. [getuige 4] spreekt verdachte er op aan. Verdachte zegt daarop tegen [getuige 4] dat [slachtoffer] gewoon een vriendin is en dat [slachtoffer] weet dat hij niet verliefd op haar is. [slachtoffer] huilt veel. Ze vertelt [getuige 4] dat ze heel gek is op verdachte, maar dat ze ook bang voor hem is. Hij pakt haar telefoon, checkt haar en wist haar foto’s. Hij is gemeen en naar tegen haar en negeert haar. Hij heeft haar volledig in zijn greep. Ze denkt echt dat hij met haar gaat trouwen. [naam oom] , een oom van verdachte, verblijft in diezelfde periode ook in het appartementencomplex in Suriname . Hij krijgt de indruk dat [slachtoffer] koste wat het kost verdachtes vriendin wil zijn. Ze vraagt bij alles toestemming aan verdachte en als verdachte iets zegt, dan doet [slachtoffer] dat. [slachtoffer] komt twee of drie dagen eerder dan gepland terug uit Suriname . Ze moet huilen en vertelt haar zusje dat ze zich niet goed voelt en dat ze haar familie heeft gemist. Ze wil haar familie niet vertellen wat er is gebeurd. In het dagboek van [slachtoffer] dat in Suriname in het kader van het onderzoek naar haar dood door de politie in beslag is genomen, beschrijft [slachtoffer] keer op keer hoe verliefd ze op verdachte is en hoeveel ze van hem houdt, maar dat verdachte nooit tijd voor haar heeft, haar geen aandacht geeft, haar afstoot en haar het gevoel geeft dat ze niet goed genoeg voor hem is. De tekst in het dagboek is niet voorzien van een datum. Wel verwijst [slachtoffer] naar de tijd die verdachte en zij eerder samen in Suriname doorbrachten. Het hof concludeert dat de tekst door [slachtoffer] in ieder geval gedeeltelijk is geschreven tussen 25 november 2014 en 26 juni 2015. In de week voordat zij op 24 juni 2015 naar Suriname vliegen verblijven [slachtoffer] en haar zusje bij een vriendin van de familie, [getuige 5] . [getuige 5] heeft verklaard dat [slachtoffer] haar in die week op een avond vertelt over haar vriend. Ze is blij en gelukkig omdat ze een tweede kans van hem krijgt. Ze heeft het weer goed gemaakt met hem en ze wil dat aan haar ouders vertellen in Suriname . Ze zegt dat ze gewoon zal gaan ook al krijgt ze dan ruzie met haar ouders. Op 12 juni 2015 hebben verdachte en [slachtoffer] het volgende WhatsApp gesprek: “Verdachte: Ik wil je gezond hier [slachtoffer] : Ja… Verdachte: Knuffelen Verdachte: En de hele dag vrijen [slachtoffer] : Hmmm.. Wil ik ook” Verdachte: Heb je je post opgehaald van kantoor [slachtoffer] : Wil niet ziek komen” Op 17 juni 2015 hebben verdachte en [slachtoffer] het volgende WhatsApp gesprek: Verdachte: al bijna twee jaar samen. [slachtoffer] : Gaat snel. Ja. Gisteren nog met me vriendin erover. Verdachte: de dag dat je bij me kwam voor een kamer. En nu kijk hoever tijd ons heeft gebracht. [slachtoffer] : Ja. Verdachte: Jammer dat je ouders lastig zijn. [slachtoffer] : heel veel…. Ja echt hè… Verdachte: Maar goed ook dat overwinnen wel wrl [slachtoffer] : Ja… komt goed. Op 18 juni 2015 hebben verdachte en [slachtoffer] het volgende WhatsApp gesprek: Verdachte: Ja ik ook ik wil je de hele dag vrijen. En als je hier bent haal ik je op bij je ouders. [slachtoffer] : OK… Verdachte: En dan weten zij ook direct dat je van mij bent en blijft. En dat het niet meer over gaat. Wat zij ook willen. [slachtoffer] : Ja. En dat ze niet zo moeilijk meer gaan doen. Verdachte: precies. Op 24 juni 2015, voor of tijdens de vlucht naar Suriname , stuurt [slachtoffer] een berichtje naar haar ouders dat ze graag een paar dagen met verdachte wil doorbrengen in Suriname . [slachtoffer] en haar zusje worden in Suriname door hun ouders opgehaald van het vliegveld. Als ze in het familiehuis in [plaats] zijn aangekomen belt verdachte. Niet lang erna komt hij aanrijden met zijn auto en komt hij even binnen. [slachtoffer] gaat daarna met hem mee. 3.2 Relatie beschouwd vanuit de kant van verdachte Verdachte heeft op verschillende momenten uitgebreid verklaard over zijn relatie met [slachtoffer] . Verdachte heeft onder meer verklaard dat zij zijn vriendin was. Op andere momenten zegt hij dat [slachtoffer] slechts een vriendin is. Ook heeft hij verklaard dat ze zijn buitenvrouw was waar hij voor zorgde, dat dit twee jaren voor het verhoor (het hof begrijpt: omstreeks november 2013) is begonnen, nadat zij afstand had genomen van haar vorige vriend. Dit moment van relatiebeëindiging vindt bevestiging in gegevens van de huisarts van [slachtoffer] , luidende dat [slachtoffer] bij de huisarts is geweest in verband met de breuk van haar relatie met haar vriend in 2013. Verder verklaarde hij dat zij, na [vriendin 1] , zijn tweede vriendin was en dat [slachtoffer] op zichzelf zou gaan wonen in augustus 2015. Dit was anders met [vriendin 1] . Bij [vriendin 1] voelt hij zich prettiger, met [slachtoffer] was het echt eenrichtingsverkeer. Later in het verhoor verklaart verdachte dat hij een paar dagen in de week bij [slachtoffer] zou gaan wonen en een paar dagen bij [vriendin 1] . [slachtoffer] accepteerde deze situatie volgens verdachte. Ze wist dat verdachte nog een relatie had met zijn ex-vrouw en ze wist ook dat hij een andere vriendin had. Nog later in het verhoor verklaart verdachte dat [slachtoffer] niet wist van zijn plannen om met [vriendin 1] te gaan samenwonen. Ter zitting van de rechtbank heeft hij verklaard dat hij (onder meer tegen [slachtoffer] ) niet eerlijk is geweest door te zeggen dat hij exclusief voor haar was. Ter zitting bij het hof heeft verdachte verklaard dat hij een wederkerige, gelijkwaardige relatie had met [slachtoffer] . De andere vriendin van verdachte is [vriendin 1] . Over haar verklaart verdachte onder meer – kort gezegd – dat hij de eerste date met haar heeft in april 2014 en dat zij vanaf de kerstdagen 2014 ‘nummer één’ is. Op andere momenten heeft verdachte verklaard dat dit niet klopt en dat zij pas na juni 2015 een grote rol is gaan spelen. Vanaf april (het hof begrijpt: 2015) woont verdachte samen met [vriendin 1] in haar appartement in [plaats] . Niet lang daarna besluiten verdachte en [vriendin 1] te gaan samenwonen in [plaats] . Reden hiervoor is dat verdachte dicht in de buurt van de school van zijn twee zonen wil wonen. Ze gaan op zoek naar een woning en besluiten in mei/juni 2015 om per 1 augustus 2015 aan de [adres 2] te gaan wonen, waar de kinderen ieder een eigen slaapkamer kunnen krijgen. De huurders die er op dat moment inzitten, worden door verdachte op de hoogte gesteld dat ze er uitmoeten. 3.3 [vriendin 1] heeft verklaard dat zij verdachte in maart 2014 heeft leren kennen via Tinder. Zij kregen snel een relatie. Ze heeft verdachte half april 2014 aan haar ouders voorgesteld. In september 2014 gaan [vriendin 1] en verdachte op vakantie naar de Dominicaanse Republiek. In januari/februari 2015 is [vriendin 1] ongeveer tien of twaalf dagen met verdachte in Suriname . Op een vraag van de verbalisanten wat verdachte heeft verteld over de plek waar [slachtoffer] in het water is gevallen verklaart [vriendin 1] dat ze daar in januari of februari (het hof begrijpt: 2015) zelf ook is geweest. Zij beschrijft dat je de brug over moet, de bocht om en dan naar beneden, dat je daar een mooi uitzicht hebt, dat zij er niet lang is geweest en dat ze er op een avond is geweest. Het was het idee van verdachte om naar deze plek toe te gaan. Bij haar verhoor bij de raadsheer-commissaris heeft [vriendin 1] verteld dat het klopt dat je uit [plaats] rijdt als je naar de plek toe rijdt aan het einde van de brug. Verder heeft ze verklaard dat zij er maar één keer is geweest en dat ze met de auto waren. Ze logeerde in [plaats] en ze moesten de brug over. Toen ze gingen was het avond, alles was donker. Ze verklaart dat zij bij de politie over die plek de waarheid heeft verklaard zoals zij zich dat toen herinnerde. [vriendin 1] zegt dat verdachte haar heeft verteld dat zij er niet is geweest. Er zijn meerdere Skype gesprekken aangetroffen tussen [vriendin 1] en verdachte, gevoerd in de maanden januari, maart en april 2015 waarin beiden seksueel getinte uitlatingen doen. [vriendin 1] geeft aan dat ze haar tijd met verdachte niet wil delen met een andere vrouw. [vriendin 1] bestelt op 14 juni 2015 voor € 2.822,- aan meubels op naam van verdachte met als afleveradres [adres 2] te [plaats] . Vanaf augustus 2015 gaan [vriendin 1] en verdachte daadwerkelijk samen aan de [adres 2] wonen. [vriendin 1] heeft geen overlijdensrisicoverzekering. 3.4 Andere vrouwen [vriendin 5] leert verdachte eind augustus/begin september 2014 kennen op de salsadansschool in [plaats] . In het begin hebben zij een liefdesrelatie. Ze weet zeker dat verdachte op dat moment geen relatie had. Zij noemt hem de liefde van haar leven. Verdachte zegt tegen haar dat de verliefdheid wederzijds is. Zij huurt vanaf eind november/december 2014 een kamer aan de [adres 2] in [plaats] . Verdachte had gezegd dat het de bedoeling was dat ze zouden proberen te gaan samenwonen op dit adres. [vriendin 5] kent [vriendin 1] niet. Ze heeft [slachtoffer] nooit ontmoet. De poststukken die op naam van [slachtoffer] binnenkwamen werden door de bewoners aan verdachte gegeven. De huurovereenkomst tussen verdachte en [vriendin 5] is per 27 juli 2015 ontbonden. [vriendin 3] leert verdachte in november 2014 kennen in Suriname , waar haar moeder werkt voor verdachte in het appartementencomplex aan de [adres 1] . In december 2014 vraagt verdachte of ze zijn vriendin wil worden. Zij geeft dan aan dat ze hierover na wil denken. In de maand december 2014 gaat [vriendin 3] met verdachte naar verschillende plekken in Suriname . Verdachte heeft haar ook eens meegenomen naar de onderkant van de Wijdenboschbrug in het district Commewijne. Toen ze daar waren hebben ze met elkaar gepraat. Verdachte zei tegen haar dat hij naar deze plek ging als hij rust wilde, het was zijn plekje. [vriendin 3] heeft bij de raadsheer commissaris uitgelegd hoe er naar de plek onder de brug in Commewijne werd gereden, dat het toen in de avond en donker was. Zij herinnert zich dat verdachte vertelde dat het zijn plekje was, dat dat in de auto was, dat zij er naar toe reden en dat verdachte dat vertelde. Verdachte had haar opgehaald die avond en toen zijn ze naar dat plekje gegaan. Zij weet dat ze onder aan de brug waren. Je moet erover heen rijden om er onder te komen. Verdachte wil in die tijd seks met haar hebben, maar ze heeft dat aldoor geweigerd. Zij hebben veelvuldig WhatsApp-contact in november en december 2014 en januari 2015. Verdachte en [vriendin 3] spreken af dat [vriendin 3] naar Nederland komt op 20 januari 2015. Verdachte geeft aan dat hij alles voor haar regelt in Nederland. De reis naar Nederland gaat niet door omdat [vriendin 3] niet mag van haar moeder. In juni 2015 krijgt ze een seksuele relatie met verdachte. Ze ziet hem die maand bijna elke dag. De laatste keer is op die bewuste avond (het hof begrijpt), op 25 juni 2015. [vriendin 2] leert verdachte op 5 maart 2015 kennen, als hij haar via Facebook een berichtje stuurt. Vanaf dan sturen ze elkaar berichtjes. Op 19 mei 2015 stuurt verdachte aan [vriendin 2] : “p.s. je bent en was de enige.” Op 4 juni 2015 laat verdachte haar weten dat hij in Suriname is. Op 5 juni 2015 ontmoeten ze elkaar voor het eerst. Vanaf dan zien ze elkaar nog ongeveer 8 keren, de laatste keer is op de avond van 25 juni 2015 als ze naar de bioscoop gaan. Verdachte zegt bij die gelegenheden onder meer dat hij vrijgezel is en dat ze een mooi koppel zouden zijn, dat hij echt gek op haar is en dat hij graag haar vader wil spreken om hem te laten weten dat hij iets met [vriendin 2] wil. In de dagen dat er naar [slachtoffer] wordt gezocht heeft verdachte regelmatig via zijn telefoon contact met [vriendin 2] . [vriendin 2] wordt ook gehoord als getuige en wordt bevraagd over haar contact met verdachte. Tijdens haar verhoor op 28 juni 2015 verklaart ze dat verdachte tegen haar heeft gezegd dat ‘het niet zo hoefde te zijn dat alles wat hij tegen de politie had gezegd ook zo was gebeurd. Het staat wel zo in de verklaring maar het hoeft niet zo te zijn.’ [vriendin 2] verklaarde dat verdachte zei dat hij er misschien wel over had gesproken, maar dat hij niet met haar (het hof begrijpt: [slachtoffer] ) wilde trouwen. 4Financiële kant relatie [slachtoffer] en verdachte 4.1 Financiële situatie [slachtoffer] vóór verdachte [slachtoffer] werkt vanaf 23 augustus 2012 tot haar overlijden bij de Action. Ze werkt 16 tot 18 uren per week. Ze had in 2013 een bruto jaarsalaris van € 16.241,-, in 2014 bedroeg dit 11.435,- en in 2015, tot en met 26 juni 2015 was dit een bedrag van € 5.123,-. Daarnaast volgt zij een studie en krijgt zij studiefinanciering tot augustus 2013. Ze heeft sinds 18 juni 2003 één lopende rekening. Dit is bij de ING. Op 1 oktober 2012 wordt daaraan een spaarrekening gekoppeld. Zij heeft op dat moment geen andere rekeningen op haar naam. Zij spaart een groot deel van haar inkomsten van de Action en haar studiefinanciering door dit over te maken van haar lopende rekening naar haar spaarrekening. Op 31 juli 2013 heeft zij een positief saldo op haar lopende rekening van € 531,50 en op haar spaarrekening een positief saldo van € 16.637,96. Uit het dossier blijkt niet van enige geregistreerde lening. 4.2 Investering [naam bedrijf] Op 1 en 2 augustus 2013 wordt vanaf [slachtoffer] spaarrekening in totaal een bedrag van € 15.000,- naar haar lopende rekening overgemaakt en vervolgens contant opgenomen. Op een harde computerschijf van verdachte wordt een document aangetroffen, gedateerd 1 augustus 2013. Er staat verder onder meer op vermeld dat de bedrijfsnaam [naam bedrijf] is, dat het een certificaat is voor [slachtoffer] en dat het gaat om een totaalbedrag van € 15.000,- tegen een rentepercentage van 10 % per jaar over geïnvesteerd bedrag. Ook staat er op vermeld dat er sprake is van een minimale looptijd van drie jaren en dat er bij vroegtijdige beëindiging sprake is van een 30 % boeteclausule. Dit digitale document is niet ondertekend. Hetzelfde document maar dan (origineel) ondertekend wordt op 12 juni 2018 door [naam zus] aan de politie overhandigd. Verdachte heeft ter zitting bij de rechtbank verklaard dat de handtekening onder dit certificaat van hem is. Meerdere getuigen verklaren over [naam bedrijf] als zijnde een internet/marketing bedrijf van verdachte. [vriendin 1 slachtoffer] heeft verklaard dat [slachtoffer] haar had verteld dat zij geld had belegd bij verdachte. [slachtoffer] had haar niet verteld hoeveel geld ze aan verdachte had gegeven. 4.3 Inschrijving op verschillende adressen Tot 21 juni 2014 staat [slachtoffer] ingeschreven op het adres [adres 3] te [plaats] . Dit betreft het ouderlijk huis. Vanaf 21 juni 2014 staat zij ingeschreven op het adres [adres 2] te [plaats] en vanaf 31 december 2014 op de [adres 4] te [plaats] . Vanaf 1 mei 2015 staat [slachtoffer] ingeschreven op [adres 5] te [plaats] . Verdachte staat sinds 13 mei 2011 ingeschreven op de [adres 2] in [plaats] . 4.4 Leningen op naam van [slachtoffer] Op 1 september 2014 sluit [slachtoffer] een lening af bij de Volkswagenbank. De lening wordt aangegaan bij/vanwege de koop van een auto, een Citroën C5, kenteken [kentekennummer] . Het totaal te betalen bedrag is € 16.891,20. Verdachte heeft hierover ter zitting bij de rechtbank verklaard dat hij deze auto in bezit had en erin reed. Uit gegevens van de RDW blijkt dat [slachtoffer] deze auto op naam heeft gehad tot 16 januari 2015. Verdachte heeft op 19 januari 2015 een bedrag van €7.400,- overgemaakt gekregen op zijn bankrekening, afkomstig van [naam B.V.] Verdachte heeft hierover ter zitting bij de rechtbank verklaard dat de restwaarde van de auto naar hem is gegaan. Op 22 september 2014 sluit [slachtoffer] een lening af van € 17.000,- bij [naam tante] en [naam oom] . Dit zijn een oom en tante van verdachte. In de lening staat dat deze moet zijn afgelost op 1 december 2014. [naam oom] heeft hierover verklaard dat [slachtoffer] het huis van [naam oom] en zijn vrouw in [plaats] zou kopen, maar dat de financiering niet rondkwam vanwege een andere lening. Daarom heeft hij dit geld aan [slachtoffer] geleend. Verdachte heeft het geld gekregen waar [slachtoffer] bij was. Verdachte regelde alles, [slachtoffer] kwam alleen om alles te formaliseren. De woning werd echter niet verkocht en de lening werd niet terugbetaald. Bij het aangaan van de lening zei verdachte dat hij namens [slachtoffer] gemachtigd was om alles regelen. Op 22 september 2014 wordt een bedrag van € 16.995,- contant gestort op de rekening van [slachtoffer] . Op 23 september 2014 wordt een bedrag van € 13.313,92 overgeschreven naar de rekening van de Volkswagenbank. Op 1 juli 2015 gaat een lening in op naam van [slachtoffer] , lopend bij Santander Consumer Finance Benelux B.V. De registratiedatum betreft 15 mei 2015 en het gaat om een bedrag van € 2.272,-. Tijdens een doorzoeking in de woning van verdachte aan de [adres 2] in november 2015 wordt een rekening gevonden van een op 10 mei 2015 afgesloten krediet op naam van [slachtoffer] voor de aankoop van divers bruingoed voor een bedrag van € 2.214,99. Het gaat om een LED-televisie met soundbar en bijbehorende aansluitsnoeren. De goederen worden tijdens de doorzoeking in november 2015 in de woonkamer van verdachte aangetroffen. De typenummers corresponderen met de typenummers die op de aankoopnota staan vermeld. 4.5 Bankrekeningen, overmaken en contante stortingen en opnames Vanaf 16 mei 2014 krijgt [slachtoffer] geld gestort op haar ING rekening, afkomstig van [naam B.V.] Uit gegevens van de Kamer van Koophandel blijkt dat dit bedrijf is opgericht in januari 2014 met als bestuurder en enig aandeelhouder [naam B.V.] [naam B.V.] is opgericht op 13 januari 2014 met [naam ex-vrouw] als bestuurder en enig aandeelhouder. Dit wordt gewijzigd en vanaf 8 juli 2014 is verdachte bestuurder en tevens enig aandeelhouder van [naam B.V.] Op 11 september 2014 wordt [ex-zakenpartner] ingeschreven als bestuurder voor [naam B.V.] per 1 september 2014. Op 11 september 2014 wordt de wijziging aangevraagd van beëindiging van de functie van [naam B.V.] als bestuurder van [naam B.V.] Verdachte heeft dit wijzigingsformulier ondertekend. In de maanden na 16 mei 2014 worden drie bankrekeningen geopend op naam van [slachtoffer] . In de periode van 16 oktober 2014 tot en met 4 mei 2015 wordt op de verschillende bankrekeningen van [slachtoffer] meerdere keren geld overgemaakt afkomstig van rekeningen van [naam B.V.] en van [naam B.V.] . Uit gegevens van de Kamer van Koophandel blijkt dat [naam B.V.] van 31 januari 2014 tot en met 11 april 2014 bestuurd is geweest door [naam B.V.] [naam B.V.] is opgericht op 25 september 2013 door verdachte die hier bestuurder en enig aandeelhouder van is. Het gaat in totaal om een bedrag van € 37.516,07. De bedragen afkomstig van [naam B.V.] worden grotendeels dezelfde dag of binnen enkele dagen contant opgenomen of overgeboekt naar een rekening van verdachte of overgeboekt naar een andere rekening van [slachtoffer] . De bedragen afkomstig van [naam B.V.] worden binnen enkele dagen nagenoeg volledig via contante opnames bij de geldautomaat opgenomen. Uit een WhatsApp gesprek tussen verdachte en [ex-zakenpartner] op 10 november 2014 blijkt dat verdachte, die op dat moment in Suriname is, beschikt over de ING pas van [slachtoffer] en staat te wachten bij een cambio (het hof begrijpt: een bedrijf in Suriname waar buitenlands geld kan worden gewisseld). Hij verzoekt [ex-zakenpartner] om een seintje te geven zodra het geld op [slachtoffer] rekening staat. Op 11 november 2014 wordt een bedrag van € 3.500,- ontvangen op de ING rekening van [slachtoffer] , afkomstig van de rekening van [naam B.V.] Uit het bankafschrift van de ING rekening van [slachtoffer] volgt dat op dezelfde dag om 17:54 uur een opname plaatsvindt via Suri Change met pas volgnr 004. Het hof leidt hieruit af dat verdachte de beschikking heeft over een bankpas van [slachtoffer] en daarmee geld opneemt van haar rekening. Vanaf 15 september 2014 tot 15 juni 2015 (een tijdsbestek van negen maanden) wordt er daarnaast in totaal een bedrag van € 34.135,- contant gestort op een van de rekeningen van [slachtoffer] , dit terwijl dat in de 40 maanden daarvoor slechts ging om in totaal € 715,-. Vanaf 10 april 2013 tot en met 26 mei 2015 (26 maanden) wordt in totaal een bedrag van € 49.570,- contant opgenomen. Bij de Belastingdienst is niets bekend van inkomsten en/of een dienstverband van [slachtoffer] bij [naam B.V.] of [naam B.V.] De bij de Belastingdienst geregistreerde netto-omzet van [naam B.V.] bedraagt € 0,-. 4.6 Bedrijven en contracten op naam van [slachtoffer] Vanaf 1 maart 2014 staat de eenmanszaak [naam eenmanszaak] op naam van [slachtoffer] ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. In de omschrijving van de ondernemingsactiviteiten staat ‘detacheren en uitzenden personeel’. Op 29 april 2014 wordt dit bedrijf opgeheven. Op 1 april 2015 wordt wederom op naam van [slachtoffer] een eenmanszaak genaamd [naam eenmanszaak] bij de Kamer van Koophandel ingeschreven. Uit de omschrijving van de ondernemingsactiviteiten blijkt dat het een payrollbedrijf is. De bij de Belastingdienst bekende omzet van de bedrijf is nihil. Op 28 mei 2015 opent [slachtoffer] een bedrijfsspaarrekening voor [naam eenmanszaak] . Het rekeningnummer heeft als tenaamstelling [naam eenmanszaak] , [adres 6] te [plaats] . Dit adres wordt in diezelfde periode ook genoemd in de stukken als het adres van [naam B.V.] Het saldo van de bedrijfsspaarrekening van [naam eenmanszaak] bedraagt op 2 juni 2015 € 0,-. Op 21 november 2014 wordt [naam stichting] opgericht te [plaats] , Suriname door [slachtoffer] . De stichting heeft als doel het rekruteren en uitzenden van personeel, het deelnemen in, samenwerken met of drijven van een zaak of onderneming met een soortgelijke doelstelling, het voeren van bestuur over andere ondernemingen en het beheren en administreren van roerende en onroerende goederen. Het kapitaal van de stichting betreft SRD 100,-. Uit het dossier blijkt niet van enige nadere activiteit van [slachtoffer] zelf met betrekking tot deze stichting. Op 6 januari 2015 wordt op naam van [slachtoffer] een contract afgesloten met Vitens voor de woning aan de [adres 4] te [plaats] . Het contract wordt op 5 augustus 2015 opgezegd door de zus van [slachtoffer] , in verband met het overlijden van [slachtoffer] . Verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer] nooit feitelijk op de [adres 4] heeft gewoond. Op 29 mei 2015 wordt op naam van [slachtoffer] een contract afgesloten met Vitens voor de woning aan [adres 5] te [plaats] . In haar dagboek schrijft [slachtoffer] : “Waarom al die dingen op mijn naam aangevraagd (auto) of dat ik voor bepaalde dingen voor jou moet betalen?” Op 3 juni 2015 stuurt [slachtoffer] verdachte het volgende bericht via WhatsApp: “Kan je alsjeblieft die 100 euro voor mij storten. Ik heb het eerder al gezegd. Ik had voor me kleding gezet. Nu kan ik niks halen. Jij weet ook ik krijg niet zoveel. En ik kan alles voor jou doen maar niet voor een ander. Of moet ik aan de ander vragen…. Ik ga voor een ander niks betalen. Ik doe het thuis al niet.” Op 5 juni 2015 stuurt verdachte: “Had je ziggo betaald?” [slachtoffer] antwoordt: “Ja die is al betaald.” Verdachte stuurt terug: “Gelukkig”. Op 10 juni 2015 hebben verdachte en [slachtoffer] het volgende gesprek via WhatsApp: “Verdachte: heb je de rekeningen van energie en water betaald? Voordat ze die afsluiten of extra kosten berekenen? (…) [slachtoffer] : Waarom moet het nog steeds van mij rekening die UPC/energie en water af… Verdachte: Is nog niet omgezet. Spreek je er wel over als je hier bent. [slachtoffer] : Ja, want een ander kan het betalen die daar woont dan dat ik voor een ander iets doe. Maar wel een ding ik had al mijn geld van me rekening weggehaald om voor mij spaargeld. Verdachte: Kun je zo skypen?” [vriendin 1 slachtoffer] heeft verklaard dat [slachtoffer] geld uitgaf aan kleding en bioscoopbezoek en dat dit om kleine bedragen ging. [vriendin 1 slachtoffer] heeft verder verklaard dat zij [slachtoffer] adviseerde om het hele gebeuren (het hof begrijpt: met verdachte) te stoppen. [slachtoffer] zei tegen haar dat het te gecompliceerd was, omdat ze aan de ene kant bepaalde gevoelens had en aan de andere kant met hem in projecten zat. Stand van zaken bankrekeningen [slachtoffer] na haar dood Na haar dood betreft het saldo van [slachtoffer] bankrekeningen een schuld van € 6.653,83. 5. Het afsluiten van de overlijdensrisicoverzekeringen en de uitvaartverzekering Op 30 april 2015 belt [slachtoffer] naar Dela en laat zich informeren over een nieuw af te sluiten overlijdensrisicoverzekering (hierna ook: levensverzekering). Zij zegt met name geïnteresseerd te zijn in het moment waarop de dekking van de verzekering ingaat, of je direct verzekerd bent of dat je een bepaalde maand betaald moet hebben. Op 7 mei 2015 sluit [slachtoffer] een overlijdensrisicoverzekering af bij Dela met een standaard begunstiging, te weten rang 1: verzekeringnemer, rang 2: partner van verzekeringnemer, rang 3: kinderen van verzekeringnemer en rang 4: erfgenamen van verzekeringnemer. Het gewenste kapitaal bij overlijden van de verzekerde gedurende de looptijd van de dekking is € 300.000,-. De polis staat op naam van [slachtoffer] met als ingangsdatum 7 mei 2015 en als einddatum 7 mei 2025. De premie wordt afgeschreven van het rekeningnummer [nummer] . Dit is het rekeningnummer van [slachtoffer] . Op 29 mei 2015 belt [slachtoffer] naar Dela en vraagt op welke manier je de begunstigde van een overlijdensrisicoverzekering kunt veranderen. Op 1 juni 2015 om 12:49 uur wordt vanaf het e-mailadres [mailadres 1] een bericht gestuurd naar Dela waarin wordt verzocht om verdachte als begunstigde aan te merken. Ook wordt verzocht om het rekeningnummer waar de premie van moet worden afgeschreven te wijzigen in [nummer] (het hof begrijpt: het rekeningnummer van verdachte). Het e-mailadres [mailadres 2] staat in de cc van dit bericht. Op 1 juni 2015 om 13:14 uur wordt vanaf het e-mailadres [mailadres 2] een bericht gestuurd naar Dela en naar [mailadres 1] met de mededeling dat het nieuwe rekeningnummer op naam van [verdachte] staat en dat hij Dela machtigt om de premie van [slachtoffer] maandelijks te incasseren. Ook is er een uitvaartverzekering afgesloten. Op 1 juni 2015 stuurt Dela klantenservice een e-mail naar het e-mailadres [mailadres 1] met als onderwerp ‘Kopie van uw DELA Uitvaart Plan (diensten en-of geld). In de e-mail wordt [slachtoffer] bedankt voor haar aanvraag. Vermeld staat dat de verzekeringsnemer en de te verzekeren persoon [slachtoffer] betreft, dat de dekking € 10.000,- is en de ingangsdatum is 1 juli 2015. [slachtoffer] heeft op dat moment al een uitvaartverzekering bij Klaverblad Levensverzekering. Na het overlijden van [slachtoffer] keert Klaverblad een bedrag uit van € 13.112,-. Op 2 juni 2015 belt [slachtoffer] naar Dela en vraagt of het e-mailbericht van 1 juni 2015, waarin zij verzoekt de begunstigde van haar levensverzekering te veranderen, al binnen is. Ook vraagt ze of ze op de juiste wijze het rekeningnummer vanaf welke de premie moet worden betaald heeft gewijzigd. Verder vraagt ze of ze een aparte polis nodig heeft om haar partner te verzekeren. [getuige 6] , die nadien namens Dela aangifte heeft gedaan van poging tot oplichting, verklaart over het veranderen van een begunstigde kort na het afsluiten van de verzekering dat dit vaker voorkomt in het geval de verzekering via internet wordt afgesloten. Op de website is het niet mogelijk om een afwijkende begunstiging direct op te geven. De op 1 juni 2015 verzochte wijzigingen zijn op 3 juni 2015 door Dela verwerkt in de polis. Op 5 juni 2015 belt [slachtoffer] naar Dela en vraagt om advies met betrekking tot het bijschrijven van haar partner op de polis van haar overlijdensrisicoverzekering. Op 8 juni 2015 tussen 01.00 uur en 01.28 uur hebben verdachte en [slachtoffer] contact via WhatsApp: “Verdachte: Hi lieverd. Ik mis je. Je bent al bijna hier Verdachte: Kan niet wachten [slachtoffer] : Hai lief… ik mis je ook [slachtoffer] : ja bijna twee weken ongeveer [slachtoffer] : Ik kan ook niet wachten.. Verdachte: I know Verdachte: Hoe gaat het daar [slachtoffer] : Gaat goed Verdachte: Nog nieuws? [slachtoffer] : Nee… Verdachte: Hmm Verdachte : En mijn dela geregeld? Die hebben we ook nodig als we gaan samenwonen. [slachtoffer] : Vandaag of morgen weet ik het…Ja die dela is geregeld.. En die van mij ook. Had een brief ontvangen. Verdachte: Van mij ook? Is het naar jouw adres gestuurd of naar mijn? [slachtoffer] : Ik heb jou adres gedaan Verdachte: Dan hou ik het in de gaten [slachtoffer] : Ok Verdachte: En de gezondheidsvragen ook geregeld [slachtoffer] : Ja Verdachte: Ok super” Een kwartier later vraagt [slachtoffer] aan verdachte via WhatsApp: “ [slachtoffer] : Op die dela van jou moet ik het wijzigen naar mijn adres of moet ik het zo laten… Verdachte: Je kan het zo laten [slachtoffer] : OK Verdachte: Doen we wel als we weer samenwonen [slachtoffer] : Ja is goed”. Op 9 juni 2015 hebben verdachte en [slachtoffer] contact via WhatsApp: “Verdachte: Vraagje had je ook je uitvaart geregeld bij dela? Vergeet dat niet ok [slachtoffer] : Ja dat is al geregeld. Verdachte: Bij dela ook toch? [slachtoffer] : Ja. Moet voor jou ook. Verdachte: Nee volgende maand doe ik het wel [slachtoffer] : OK Verdachte: Heb je al naar leuke meubels gekeken en een heerlijk bed voor ons [slachtoffer] : Ik heb die polis ook al Verdachte: Ok neem hem even mee [slachtoffer] : Ja.. Heb nog niet gedaan. Ga morgen”. Op 10 juni 2015 sluit ook verdachte door bemiddeling van [slachtoffer] een overlijdensrisicoverzekering af bij Dela. De verzekering heeft als begindatum 9 juni 2015 en als einddatum 9 juni 2025. Verdachte is de verzekeringnemer en verzekerde voor een bedrag van € 300.000,-. De premie zal worden afgeschreven van het rekeningnummer [nummer] . Dit betreft het (hiervoor reeds genoemde) rekeningnummer van [slachtoffer] . Op 15 juni 2015 belt [slachtoffer] naar Dela met de vraag hoe zij de begunstigde van haar uitvaartverzekering kan wijzigen. De medewerker van Dela vertelt haar dat zij dit per e-mail kan doen. Op 15 juni 2015 wordt vanaf het e-mailadres [mailadres 1] een e-mail gestuurd met het verzoek om de begunstigde voor haar uitvaartplan te wijzigen in verdachte. Op de nieuwe polis d.d. 15 juni 2015 staat verdachte als begunstigde vermeld. Op 15 juni 2015 wordt vanaf het e-mailadres [mailadres 3] een bericht gestuurd met het verzoek om de begunstiging van de overlijdensrisicoverzekering van verdachte te wijzigen. De nieuwe begunstigde moet worden [slachtoffer] . De e-mail is ondertekend door verdachte. Dit verzoek wordt op 17 juni 2015 verwerkt. Op 16 juni 2015 belt een man die zich voorstelt als [naam ] naar Dela met een nummer waarvan is vastgesteld dat dit op 26 juni 2015 in gebruik is bij verdachte. Verbalisant herkent de stem van deze meneer [naam ] als die van verdachte. Verdachte vraagt of er nog iets geregeld moet worden met betrekking tot de begunstiging bij de overlijdenspolis van zijn vriendin. Verdachte zegt hierbij letterlijk: “Ja, dus stel dat het straks zo ver is euhm, zijn er dan dingen die ik nog moet regelen of is dan een begunstiging bij jullie voldoende?” Ook informeert verdachte naar de mogelijkheid om elkaars premies van de overlijdensrisicoverzekering te betalen zodat in geval van uitkering geen sprake is van belastingheffing over het uit te betalen bedrag. Op 14 juli 2015 belt verdachte naar Dela met het verzoek om een rekeningnummer te wijzigen. De medewerker vertelt hem dat dit niet telefonisch kan, maar wel via de website. Diezelfde dag verzoekt verdachte via de website van Dela om het rekeningnummer te wijzigen waarvan de premie voor zijn overlijdensrisicoverzekering dient te worden afgeschreven. Dit dient vanaf dat moment vanaf een rekening op naam van verdachte te worden geïncasseerd. Op 20 juli 2015 gaat verdachte naar het gemeentehuis in [plaats] . Hij heeft een afspraak gemaakt om overlijdensaangifte te doen. Als hij bij de balie van de betreffende ambtenaar staat zegt hij dat hij een uittreksel komt halen voor zijn vriendin omdat zij overleden is. De ambtenaar ziet in het Basis Registratie Personen systeem (BRP) dat [slachtoffer] al als overleden geregistreerd staat. Als ze dit aan verdachte vertelt zegt hij dat hij een overlijdensuittreksel nodig heeft om allerlei dingen te regelen. Ze twijfelt niet aan zijn verhaal en verstrekt verdachte het uittreksel. Achteraf hoort ze van haar leidinggevende dat ze het uittreksel niet aan verdachte had mogen verstrekken omdat hij niet met [slachtoffer] getrouwd was of als partner geregistreerd stond. Op het uittreksel staat vermeld dat [slachtoffer] op 29 juni 2015 overleden is te district Commewijne Suriname . Op de volgende dag, 21 juli 2015, belt verdachte naar Dela en meldt dat zijn vriendin op 29 juni in Suriname is overleden. Hij vertelt dat hij het precieze Nederlandse tijdstip niet weet, maar dat het ergens in de ochtend is gebeurd. Hij vermeldt dat hij een uittreksel bij de gemeente heeft gehaald, maar dat hij geen overlijdensakte heeft omdat die in het buitenland ligt. Als de medewerker van Dela vertelt dat de akte van overlijden wel door Dela moet worden ontvangen voordat het verzekerde bedrag kan worden uitgekeerd, vraagt verdachte of het uittreksel van de gemeente niet voldoende is. De medewerker biedt aan het even na te gaan en verdachte zegt daarop: “Graag”. De medewerker zoekt het uit en deelt vervolgens aan verdachte mede dat voor het uitkeren van het verzekerde bedrag een akte noodzakelijk is. Daarna informeert verdachte naar de uitvaartverzekering van [slachtoffer] en vraagt of deze al is geactiveerd omdat deze pas net is afgesloten en daarom pas in juni of juli ingaat. De medewerker bevestigt dat deze een ingangsdatum heeft van 1 juli 2015. Verdachte vraagt hoe het daarmee zit omdat ze op 29 juni is overleden. De medewerker vertelt hem dat normaal gesproken dan niet wordt uitgekeerd. Als verdachte wordt doorgeschakeld naar een medewerker op een andere afdeling, wordt hem verteld dat hij een akte van overlijden moet sturen en indien mogelijk een kopie van de nota van de uitvaartkosten. Verdachte vraagt nogmaals of het klopt dat de uitvaartpolis in juli in zou gaan en of er dan niet wordt uitgekeerd. De medewerker antwoordt bevestigend. Op 21 juli 2015 maakt verdachte een notitie in zijn telefoon onder meer luidende “Kopie akte overlijden Nota uitvaartkosten.” Op 23 september 2015 neemt verdachte opnieuw telefonisch contact op met Dela en vertelt hij dat hij belt naar aanleiding van een brief van Dela waarin het verzoek wordt gedaan om formulieren op te sturen. Verdachte – die in de middag hierover wordt teruggebeld - vertelt dat hij na het rouw verwerken van het verlies nu zit te wachten op stukken uit Suriname , maar dat dat niet zo snel geregeld is en dat hij het daarom ook nog niet kan sturen. Ook vertelt hij dat dit zes maanden kan duren, dat hij via een relatie heeft geprobeerd om de stukken eerder te krijgen, maar dat ze in Suriname niet heel snel werken. De medewerker van Dela zegt dat hij een aantekening aan het dossier zal toevoegen dat men in afwachting is van documenten uit Suriname en dat het voorlopig niet anders is. Verdachte zegt dat hij er helaas niks anders van kan maken en dat het al vervelend genoeg is. De medewerker van Dela zegt dat hij het begrijpt, maar dat het voor hen dan uiteraard even stopt totdat er bericht is. 6Verklaringen verdachte 6.1 Verklaringen verdachte over financiële relatie met [slachtoffer] en over het afsluiten van de levensverzekeringen en uitvaartverzekering Verdachte heeft bij de politie verklaard dat [slachtoffer] elke maand een bedrag gestort kreeg op haar rekening van één van zijn bedrijven. Dit was vanwege het feit dat zij extra salaris nodig had om een huis te kunnen krijgen. Af en toe deed ze wat werkzaamheden voor verdachte, maar de gestorte bedragen waren geen realistische vergoeding. De vergoeding was vooral om te zorgen dat ze op eigen benen kon staan en om haar schulden af te lossen, die ze had gemaakt ten behoeve van haar ex-vriend uit Suriname . Verdachte verklaarde dat ze niet op enige andere manier geld van hem had gehad. Ten aanzien van de opname op 1 en 2 augustus 2013 van in totaal € 15.000,- van de spaarrekening van [slachtoffer] en het bij verdachte en [slachtoffer] aangetroffen certificaat d.d. 1 augustus 2013, heeft verdachte verklaard dat [slachtoffer] dit geld had opgenomen en dat zij een antwoord klaar wilde hebben als haar ouders zouden vragen waar het geld voor bestemd was. Verdachte heeft toen het certificaat opgesteld, maar dit was een fake certificaat. Bij de rechter-commissaris verklaarde verdachte dat de belangrijkste reden voor de het afsluiten van de overlijdensrisicoverzekering op [slachtoffer] leven was dat ze gingen samenwonen, maar dat er ook een aantal financiële zaken [slachtoffer] kant op waren gegaan en dat de levensverzekering was bedoeld om ervoor te zorgen dat, als dat niet meer terugbetaald kon worden, de verzekering dan zou uitkeren. Verdachte verklaarde bij die gelegenheid ook dat er bankafschriften zijn waar leningen aan [slachtoffer] op terug te vinden zijn. Ter zitting bij de rechtbank d.d. 19 juli 2017 verklaarde verdachte dat [slachtoffer] meerdere geldbedragen bij hem had geleend, dat er een financiering was afgesloten om het af te lossen en dat [slachtoffer] werk voor hem verrichtte. In april en mei 2018, toen verdachte door de rechtbank was geschorst uit zijn voorlopige hechtenis, zijn door de verdediging stukken ingebracht betreffende kopieën van kwitanties van € 7.500,- en € 10.000,- en een kopie van een leningovereenkomst d.d. 2 maart 2014 van € 50.000,-. Hieruit zou volgens de verdediging moeten blijken dat [slachtoffer] deze bedragen in contanten van hem heeft geleend. Verdachte heeft verklaard dat hij aanwezig was toen [slachtoffer] tekende voor de leningen van € 50.000,- en € 10.000,- en dat hij heeft gezien hoe zij haar handtekening zette. Op een latere zitting bij de rechtbank verklaart verdachte dat hij niet wil verklaren hoeveel [slachtoffer] aan contant geld van hem heeft geleend. Ter zitting bij het hof heeft verdachte verklaard dat hij [slachtoffer] grote bedragen zwart geld heeft geleend en dat zij daadwerkelijk voor [naam B.V.] en [naam B.V.] heeft gewerkt. Ten aanzien van het afsluiten van overlijdensrisicoverzekering op het leven van [slachtoffer] heeft verdachte meerdere redenen opgegeven. Zo heeft hij verklaard dat ze (het hof begrijpt: verdachte en [slachtoffer] ) zouden kijken of ze een huis konden kopen en ze dat ze het niet meer dan normaal vonden om daarin een risico af te dekken. Later in datzelfde verhoor verklaart verdachte dat ze niet samen een huis zouden gaan kopen, maar dat [slachtoffer] zelf een huis wilde kopen. Bij de rechter-commissaris heeft verdachte verklaard dat de belangrijkste reden voor het afsluiten van de verzekering was dat ze gingen samenwonen. Ter zitting bij de rechtbank verklaarde verdachte dat de hoofdreden om de overlijdensrisicoverzekering af te sluiten was dat [slachtoffer] verschillende geldbedragen van hem had geleend. Hij heeft hierover bij het hof verklaard dat dat zij deze schulden waarschijnlijk had gemaakt vanwege haar vorige vriend uit Suriname . Omtrent de reden van het afsluiten van de levensverzekering op het leven van verdachte heeft verdachte verklaard dat dit was omdat [slachtoffer] dan zijn kinderen daarmee financieel kon helpen, dat het geld bedoeld was voor zijn kinderen en dat [slachtoffer] na het overlijden van verdachte een rol op zich zou kunnen nemen om zijn kinderen te bieden wat verdachte hen anders had kunnen bieden. Verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer] de polis van de verzekering en de post mee moest nemen naar Suriname omdat zij haar post niet bij haar ouders kon bewaren. Haar zusje zou haar spullen doorzoeken. Verdachte borg daarom de post voor [slachtoffer] op. Omdat hij eerder zou terugkomen uit Suriname nam [slachtoffer] deze post mee naar Suriname . Op de vraag waarom hij op 28 juni 2015, toen hij met de politie in het appartementencomplex aan de [adres 1] was, van deze papieren foto’s heeft gemaakt, heeft hij ten overstaan van de rechtbank verklaard dat hij dat niet meer weet. Bij het hof heeft hij op deze vraag verklaard dat hij op dat moment in een voor hem vreemd land was en dat hij niet bekend is met het rechtssysteem van Suriname . 6.2 Verklaringen verdachte over de gebeurtenissen op 25 en 26 juni 2015 en zijn vertrek uit Suriname De avond van 25 juni 2015 is verdachte met de familie van [slachtoffer] in [plaats] uit eten geweest. Na het etentje zijn [slachtoffer] en hij geld gaan wisselen in een casino. Daarna zijn ze naar de supermarkt [naam supermarkt] gegaan. [slachtoffer] wilde graag Palm rum proberen. Verdachte wist niet dat dit 90 % alcohol bevatte, dat heeft hij pas achteraf begrepen. Dit heeft hij niet op het etiket zien staan. Na het supermarktbezoek heeft hij [slachtoffer] bij het appartementencomplex afgezet en is hij met [vriendin 2] naar de bioscoop gegaan. Hij heeft [vriendin 2] weer bij haar auto afgezet en hij is naar het appartementencomplex gereden om [slachtoffer] op te halen om naar [naam bar 2] te gaan. Toen hij in het appartement aankwam zat [slachtoffer] aan tafel met een geopend flesje Palm rum. Zij dronk de Palm rum gemixt met cola in een beker. In zijn eerste verklaringen bij de Surinaamse politie in 2015 verklaart hij dat hij [slachtoffer] aantrof in een beschonken, dan wel dronken toestand. Ter zitting bij de rechtbank en het hof heeft hij respectievelijk verklaard dat ze een beetje aangeschoten, dan wel aangeschoten was. Bij de rechtbank heeft hij hierover verder verklaard dat hij in 2015 het verschil tussen dronken en aangeschoten niet kende. Verdachte heeft ook wisselend verklaard over of [slachtoffer] haar schoenen aan had toen ze het appartement verliet. Volgens de letterlijke uitwerking van het tweede verhoor in Suriname heeft verdachte verklaard dat zij haar schoenen had aangedaan en de trap zelfstandig heeft gelopen. In zijn eerste verhoor in Nederland in november 2015 heeft verdachte verklaard dat [slachtoffer] haar schoenen in de hand meenam en op blote voeten de trap af liep naar de auto. Ook verklaarde hij dat het geen makkelijke trap was om vanaf te lopen. In zijn laatste verklaringen heeft verdachte verklaard dat ze haar schoenen met hoge hakken aan had en in staat was om daarmee de trap bij het appartement af te lopen. Over de plek onder aan de Wijdenboschbrug heeft verdachte op meerdere momenten uitgebreid verklaard. In zijn eerste verklaring in de vroege ochtend van 26 juni 2015 heeft verdachte verklaard dat hij naar de voet van de Wijdenboschbrug is gegaan omdat zijn vriendin het romantisch vond om wat frisse lucht te halen langs de rivier. Ten tijde van het tweede verhoor in Suriname op de volgende dag verklaart verdachte volgens de letterlijke uitwerking van het verhoor dat hij over de brug is geweest en dat [slachtoffer] heeft gevraagd van: Ga daar en daar heen en dan kunnen we bij het water zitten. Op het moment dat verdachte en [slachtoffer] over die brug gingen, wilde [slachtoffer] onderaan die brug afslaan om naar de rivier te gaan. Verdachte verklaarde dat hij toen vroeg: Weet je zeker dat we hier kunnen rijden? Want dat er overal die gaten… Maar dat hij inmiddels in de verte wel een auto zag. Eentje had de lampen nog een beetje aan. Verdachte dacht toen: Okay, die, dus je kan daar wel komen met de auto. In zijn derde verhoor in november 2015 in Nederland verklaart verdachte opnieuw dat [slachtoffer] over de brug wilde rijden en nog even langs het water met verdachte wilde praten en romantisch zijn. Dat verdachte richting [naam bar 2] reed en dat het toen echt zo was van.. Weet je wat we doen? Laten we even naar de overkant rijden en eh, dan kunnen we nog eventjes naar beneden… Dan wil ik je wat laten zien. Dan kunnen we even beneden daar gaan praten. En weet je, ik wil even tijd met jou hebben. Ik zeg: nou natuurlijk, geen probleem. Aldus verdachte was dat net voor de rotonde, en [naam bar 2] was 500 meter verderop. Verdachte verklaart dat [slachtoffer] zei dat ze over de brug heen iets wilde laten zien. Dat [slachtoffer] bij de brug zei: ga hier rechtsaf. Ja ben je gek geworden? Dat is gewoon een soort van berm, waar je dan doorheen gaat. Zegt ze: nee, nee, komt goed, ga daar maar af. Dus nou, ik eraf en… Ja, ik had een kleine… een soort ja, Toyota Aygo idee zeg maar, zo’n klein autootje had ik bij me. Nou dat, het is best nat, regenseizoen, dus ja, je moet je moet rekening houden dat je niet ergens vast komt te zitten. En eh, op een gegeven moment echt wel diepe kuilen, dus het is manoeuvrerend richting het water en het was donker. Dus eh, uiteindelijk zegt ze: nee je kan gewoon doorrijden, je kan daar gewoon parkeren. Er staan meer auto’s daar en ook wel vissers. Dus oké. Verdachte verklaart dat hij er niet eerder was geweest en dat [slachtoffer] er vast wel eerder is geweest, dat zij het hem anders niet op die manier kon uitleggen toch? Verdachte heeft aldus meermalen verklaard, in Suriname , maar later ook bij de politie in Nederland en bij de rechtbank, dat hij de plek niet kende, dat hij hier nog nooit was geweest en dat hij er op aanwijzingen van [slachtoffer] naartoe is gereden. Ter zitting bij het hof heeft hij verklaard dat hij zich niet kan herinneren dat hij eerder op die plek is geweest, dat hij EMDR therapie heeft gehad om het trauma van het ongeluk van [slachtoffer] te verwerken en dat de plek van het ongeluk tijdens de therapie is behandeld. Onder de brug aangekomen was er een ander stelletje met een auto (een Toyota Ist) onder de brug. Dit stelletje was bezig met seksuele handelingen. Verdachte heeft tot de zitting bij de rechtbank van 30 januari 2019 verklaard dat ze zelf in de auto een beetje gezoend hebben en dat ze de auto zijn uitgestapt toen het andere stelletje weg was gegaan. Op de zitting bij de rechtbank van 30 januari 2019 heeft verdachte verklaard dat ze in de auto hebben gevreeën en dat de armbanden en schoenen van [slachtoffer] in de weg zaten en daarom af en uit zijn gegaan. Verdachte heeft over de in zijn telefoon aangetroffen notitie ‘ [kentekennummer] ’ bij de politie verklaard dat hij zich niet kan herinneren dat hij deze om 01:44 uur heeft gemaakt. Hij weet niet met welk doel hij deze notitie heeft gemaakt, meestal maakt hij een foto als hij wordt afgesneden. Ter zitting bij de rechtbank d.d. 30 januari 2019 heeft verdachte verklaard dat hij zich niet kan herinneren dat hij een kenteken heeft genoteerd en dat hij ook niet weet waarom de notitie in zijn telefoon staat. Nadat het stelletje in de Toyota Ist was weggereden zijn verdachte en [slachtoffer] uitgestapt. Toen ze de auto uitstapte koos [slachtoffer] er zelf voor om op blote voeten te lopen. Ze was op dat moment nog steeds goed aanspreekbaar. Ze zijn bij het muurtje verder gegaan waar ze in de auto mee bezig waren. [slachtoffer] wilde op het muurtje gaan zitten. Ineens voelde ze zich niet lekker en heeft ze zittend overgegeven, zittend op de rand met haar rug naar de rivier. Daarna is ze gaan liggen en heeft ze overgegeven de andere kant op, richting de rivier. Ze is met haar ogen dicht gaan liggen. Bij de politie heeft verdachte verklaard dat [slachtoffer] vervolgens gewoon stil lag en een beetje aan het slapen was en dat er geen gesprek meer met haar mogelijk was. Ter zitting bij de rechtbank heeft verdachte verklaard dat ze aanspreekbaar was en dat haar laatste woorden waren dat het oké was dat verdachte even ging plassen. Ter zitting bij het hof heeft verdachte verklaard dat ze met elkaar in gesprek bleven en dat [slachtoffer] bevestigde dat hij even kon gaan plassen. Hij is een stukje bij haar vandaan gelopen om te gaan plassen. Toen hij terug kwam zag hij haar niet meer liggen. Hij heeft in het water gekeken en heeft over de pier gerend om te kijken of hij haar nog zag maar ze was weg. Verdachte heeft blijkens de letterlijke uitwerking van dit gesprek in zijn 115 melding, en ook later diezelfde nacht bij het politiebureau tegen een verbalisant verklaard dat hij een plons in het water hoorde en dat hij nog wat zwarts in het water zag. In zijn eerste verhoor op 26 juni 2015 in Suriname vertelt verdachte een geluid te hebben gehoord en dat hij in het water nog haar hoofdhaar zag. In zijn tweede verhoor in Suriname op 27 juni 2015 verklaart verdachte dat hij een geluid hoorde alsof iets in het water viel, dat hij het hoofdhaar van [slachtoffer] nog net kon zien door de verlichting die van de brug weerkaatste. Hij weet zeker het hoofdhaar te hebben gezien. Tegenover de politie in Nederland vertelt verdachte geen plons of iets dergelijks te hebben meegekregen. Dat toen hij ging kijken hij iets zwarts zag dat leek op haren en heel veel stroming. Ter zitting bij de rechtbank heeft hij verklaard dat hij niet meer weet of hij een plons hoorde en dat hij haar niet gezien kan hebben in het water gelet op de stroming in het water en de afstand die hij moest teruglopen van het plassen naar het muurtje. Ter zitting bij het hof heeft hij verklaard dat hij niets in het water heeft gezien en dat het er erg donker was. Verdachte wist dat de rivier gevaarlijk was en hij heeft angst voor donker water. Verdachte kan zwemmen. Het is een misverstand dat hij daar wisselend over heeft verklaard en dat komt door de verschillen tussen de Surinaams Nederlandse taal en de Nederlandse taal. Hij heeft bedoeld te zeggen dat hij niet in deze rivier kon zwemmen. Bij de rechter-commissaris heeft hij op een vraag waarom hij [slachtoffer] niet is nagesprongen nog verklaard dat zijn vader aan die kant van de rivier heeft gewoond en dat zijn vader vertelde dat er krokodillen in de rivier leven, dat de stroming gevaarlijk is en dat de mensen daar niet zwemmen. Op 29 juni 2015, direct zodra het onderzoek door de politie is gesloten, vliegt verdachte vanuit Suriname terug naar Nederland. Hij heeft op dat moment het door de politie gevonden lichaam van [slachtoffer] niet gezien en haar ouders niet gesproken. Bij de politie verklaart hij hierover dat hij vanwege zakelijke afspraken naar Nederland moest. Ter zitting bij het hof heeft hij verklaard dat hij zo snel mogelijk terug wilde vanwege zijn gemoedstoestand. Het hof zal hierna onder 7.1 tot en met 7.4 ingaan of en in hoeverre het hof verdachte volgt in zijn verklaringen. 7Conclusies hof De vraag waar het hof zich voor gesteld ziet is of verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het opzettelijk om het leven brengen van [slachtoffer] , al dan niet met voorbedachte raad, of dat er sprake was van een noodlottig ongeval, zoals de verdediging ter zitting van het hof heeft betoogd en zoals verdachte vanaf zijn eerste verhoor telkens heeft verklaard. Voor een ander scenario zoals zelfmoord, is geen aanknopingspunt te vinden in het dossier. Het hof heeft hiervoor reeds geconcludeerd dat [slachtoffer] op 26 juni 2015 om 01:04 uur nog in leven was, dat zij tussen 01:04 uur en 03:08 uur te water is geraakt en dat haar stoffelijk overschot drie dagen later is gevonden. Als hiervoor overwogen oordeelt het hof dat op basis van de verschillende conclusies van deskundigen niet met zekerheid kan worden vastgesteld of zij op het moment van te water raken nog in leven was. Het feit dat geen precieze doodsoorzaak kan worden vastgesteld staat een bewezenverklaring evenwel op zich niet in de weg. [slachtoffer] kon niet zwemmen. Zij is in het tijdsbestek van 01:04 uur tot ten laatste niet lang na 03:08 uur overleden. Het hof stelt vast, zoals ook hiervoor reeds overwogen, dat op basis van de mastgegevens van de telefoon van [slachtoffer] (waaruit blijkt dat zij om 01:04 uur haar telefoon nog heeft gebruikt) in combinatie met hetgeen de politie in het appartement van [slachtoffer] (telefoon [slachtoffer] ) en onder de brug (verdachte, verdachtes voertuig met daarin [slachtoffer] schoenen en armbanden) aantreft en hetgeen verdachte verklaart, dat verdachte degene is die als laatste in de nabijheid van [slachtoffer] was toen zij nog in leven was. 7.1 Beoordeling hof verklaringen verdachte Het hof overweegt dat verdachte meerdere verklaringen heeft afgelegd waarin hij telkens uitgebreid heeft verklaard. Het hof stelt vast dat verdachte wisselend, deels innerlijk tegenstrijdig en in strijd met overig bewijs heeft verklaard over belangrijke punten, zoals over zijn relatie met [slachtoffer] en de aard daarvan, over hun financiële relatie, over de redenen om een overlijdensrisicoverzekering af te sluiten op het leven van [slachtoffer] en over meerdere omstandigheden waaronder de gebeurtenissen zoals die op 26 juni 2015 hebben plaatsgevonden. Dit doet afbreuk aan de geloofwaardigheid en de betrouwbaarheid van zijn verklaringen als geheel. Dit brengt het hof er ook toe enkel op de verklaring van verdachte af te gaan wanneer daarvoor ondersteuning van ander bewijs voorhanden is. Het is het hof ook opgevallen dat verdachte voortdurend zijn verklaringen bijstelt op momenten dat zijn verhoorders doorvragen of hem onderzoeksresultaten voorhouden die strijdig (lijken
  9. te)zijn met zijn eerder afgelegde verklaringen. Op verschillende momenten in het strafproces heeft de verdediging stukken overgelegd om delen van de verklaringen van verdachte te onderbouwen. Het hof stelt vast dat deze stukken vaak pas na meerdere verzoeken daartoe van de officier van justitie, rechter-commissaris en/of rechtbank tijdens de behandeling van de rechtbank en het hof zijn ingediend. Het hof zal hieronder vaststellen dat de bij de rechtbank overgelegde overeenkomst van lening vals was. 7.2 Conclusies omtrent aard van de relatie Het hof overweegt dat verdachte heeft verklaard dat hij deels met [slachtoffer] zou gaan samenwonen. Uit de WhatsApp gesprekken blijkt ook dat hij dit samenwonen in juni 2015 op liefdevolle wijze met [slachtoffer] besprak en dat hij haar voorhield dat ze binnenkort met elkaar zouden samenwonen. De werkelijkheid was anders. Verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer] niet wist dat hij (ook) plannen had om per 1 augustus 2015 met [vriendin 1] te gaan samenwonen. Het samenwonen met [slachtoffer] wordt door verdachte tijdens verhoren zelf tegengesproken wanneer hij stelt dat [slachtoffer] op zichzelf zou gaan wonen. Bovendien blijkt nergens van feitelijke voorbereidende stappen waaruit naar voren komt dat dit samenwonen met [slachtoffer] daadwerkelijk zou gaan plaatsvinden, behalve het afsluiten van een overlijdensrisicoverzekering waarvan verdachte heeft verklaard dat dit ter voorbereiding op hun samenwonen was. De woning aan [adres 5] waar het samenwonen volgens verdachte zou gaan plaatsvinden, is door de politie onderzocht. Daaruit bleek dat de woning in het geheel niet was ingericht en derhalve niet gereed was voor bewoning. Het ontbreken van concrete stappen ten aanzien van het samenwonen met [slachtoffer] staat in schril contrast met de feitelijke gang van zaken rond het samenwonen met [vriendin 1] . Niet alleen woonde verdachte feitelijk al samen met [vriendin 1] vanaf april 2015, ook maakten zij vanaf mei/juni 2015 plannen en kochten zij meubels om samen te gaan wonen aan de [adres 2] , waar ook de zonen van verdachte dan zouden gaan verblijven. De huurders die tot dan in de woning verbleven kregen bericht dat ze er per 1 augustus uit moesten en verdachte en [vriendin 1] zijn ook daadwerkelijk vanaf augustus 2015 samen gaan wonen aan de [adres 2] . Het hof concludeert dat verdachte [slachtoffer] heeft misleid over de aard van hun relatie. Hij heeft haar voorgespiegeld dat ze zouden gaan samenwonen, maar dit zou niet daadwerkelijk gaan plaatsvinden. Zij was niet op de hoogte van zijn plannen om met [vriendin 1] te gaan samenwonen. In de maand juni 2015, waarin verdachte [slachtoffer] laat weten dat hij haar mist als hij in Suriname is, heeft verdachte een seksuele relatie met [vriendin 3] en probeert hij een relatie aan de te knopen met [vriendin 2] . Op de avond voor de dood van [slachtoffer] gaat verdachte uit eten met [slachtoffer] en haar familie om te laten zien dat hij haar vriend is. Daarna zet hij [slachtoffer] af bij het appartementencomplex en gaat zonder dat [slachtoffer] dit weet met een andere vrouw, met wie hij een relatie wil aanknopen, naar de bioscoop. Verdachte laat [getuige 4] weten dat [slachtoffer] slechts een vriendin is, terwijl hij [slachtoffer] op 18 juni 2015 zoals boven weergegeven laat weten dat ze van hem is en blijft. Illustratief voor de misleiding acht het hof dat verdachte in de WhatsApp communicatie liefkozingen telkens afwisselt met zakelijke vragen van zijn kant over de af te sluiten levensverzekering, polis of het halen van post. 7.3 Conclusies financiële kant van de relatie van [slachtoffer] en verdachte De geldelijke bezittingen van [slachtoffer] zijn in de laatste twee jaren van haar leven van een positief saldo van in totaal € 17.169,46 op 31 juli 2013 gegaan naar een schuld van € 6.653,83 ten tijde van haar overlijden. Daarnaast had zij op het moment van overlijden en in de twee jaren daarvoor meerdere leningen en contracten op naam waarvan niet is gebleken dat zij daarbij enig belang, dan wel daarvan enig voordeel heeft gehad. Van alle leningen die op [slachtoffer] naam zijn afgesloten blijkt dit ten behoeve van verdachte is geweest. Zo was de lening bij de Volkswagenbank afgesloten vanwege de aankoop van een auto die vervolgens door verdachte in gebruik is genomen. Toen de auto werd verkocht ging de opbrengst daarvan naar verdachte. De lening bij de oom en tante van verdachte werd op naam van [slachtoffer] afgesloten om deze lening bij de Volkswagenbank af te lossen. De op naam van [slachtoffer] afgesloten lening bij Santander was om een tv met toebehoren te financieren die vervolgens naar verdachte is gegaan en ook na haar dood bij hem gebleven. Ook ten aanzien van de contracten die op [slachtoffer] naam waren afgesloten is niet gebleken dat zij daarvan enig profijt in de vorm van afname van energie, water of een tv/internet abonnement heeft gehad. Uit haar dagboek en berichten naar verdachte hierover blijkt dat zij deze rekeningen hiervan ook betaalt en blijkt dat zij zich afvraagt waarom ze dit van verdachte moet betalen. Uit diezelfde berichten blijkt ook dat verdachte deze situatie laat voortbestaan en [slachtoffer] hiervoor blijft laten betalen. Ten tijde van haar overlijden had [slachtoffer] verschillende bedrijven op naam, maar is niet gebleken dat zij binnen die bedrijven enige substantiële activiteit heeft ontplooid. Een van die bedrijven betreft een Surinaams bedrijf. Uit het dossier blijkt echter niet van concrete plannen van [slachtoffer] om in Suriname te gaan verblijven. Van verdachte blijkt daarentegen dat hij concrete plannen had en ook stappen ondernam om in Suriname een zorghotel te beginnen. De vastgelegde ondernemingsactiviteiten betreffen activiteiten op gebieden waar verdachte met de bedrijven die op zijn naam staan eveneens op opereert. Het valt het hof op dat ook [vriendin 5] op verzoek van verdachte een thuiszorgbedrijf op haar naam heeft gehad. [vriendin 5] verklaart dat verdachte van die bedrijfsrekening contant geld opnam, terwijl zij met moeite en kosten het bedrijf uiteindelijk van haar naam verwijderd heeft gekregen. [vriendin 1 slachtoffer] heeft - als hierboven reeds vastgesteld - verklaard dat [slachtoffer] op het advies van [vriendin 1 slachtoffer] ermee te stoppen zei dat het te gecompliceerd was, omdat ze aan de ene kant bepaalde gevoelens had en aan de andere kant met hem in projecten zat. Dat liep allemaal door elkaar heen. Het hof houdt het ervoor dat verdachte [slachtoffer] , op een gelijke wijze als bij [vriendin 5] , ertoe bracht bedrijven op te richten die in wezen – hoe dan ook – werden gebruikt of bestemd waren om zijn eigen activiteiten mee te verrichten. Ook hier heeft verdachte [slachtoffer] misleid en gebruikt. Ten aanzien van de opnames van [slachtoffer] spaarrekening op 1 en 2 augustus 2013 van in totaal € 15.000,- concludeert het hof, gelet op het bij verdachte en [slachtoffer] nabestaanden aangetroffen certificaat dat door verdachte is opgemaakt en ondertekend en gelet op de verklaring van [vriendin 1 slachtoffer] hieromtrent, dat dit geld naar verdachte is gegaan. [slachtoffer] heeft vanaf 16 mei 2014 geld gestort gekregen op meerdere rekeningen die op haar naam staan, afkomstig van twee bedrijven waaraan verdachte gelieerd is. Verdachte spreekt over “zijn bedrijven.” Deze bedragen werden telkens dezelfde dag of binnen enkele dagen contant opgenomen, overgeboekt naar een rekening van verdachte of overgeboekt naar een andere rekening van [slachtoffer] . Uit het dossier blijkt dat deze bedragen voor een gedeelte weer rechtstreeks (giraal) naar verdachte zijn gegaan. Ten aanzien van het overige deel van deze naar [slachtoffer] rekeningen overgemaakte bedragen overweegt het hof dat er na haar overlijden niets meer van die bedragen op haar rekeningen is aangetroffen. Vaak werden deze bedragen dezelfde dag of binnen enkele dagen contant opgenomen. Van één contante opname van de bankrekening van [slachtoffer] is gebleken dat verdachte dit met een bankpasje van [slachtoffer] deed nadat hij een seintje van de direct daaraan voorafgaande storting kreeg van [ex-zakenpartner] . Van andere contante opnames is niet komen vast te staan door wie dit is gedaan. Nergens blijkt evenwel uit dat [slachtoffer] de laatste twee jaren van haar leven veel geld uitgaf of dat zij meer geld had te besteden dan daarvoor. Sterker nog, op 3 juni 2015 vraagt [slachtoffer] verdachte om geld omdat zij anders niets kan kopen. Haar beste vriendin [vriendin 1 slachtoffer] heeft verklaard dat [slachtoffer] haar geld uitgaf aan winkelen en bioscoopbezoek, maar dat dit altijd slechts kleine bedragen betrof. Verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer] grote schulden had gemaakt, ontstaan vanwege haar relatie met haar ex-vriend uit Suriname . Het hof stelt vast dat er, behoudens deze verklaring van verdachte, geen aanknopingspunten zijn om te veronderstellen dat er grote geldbedragen van [slachtoffer] richting haar vorige vriend in Suriname zijn gegaan of dat [slachtoffer] anderszins schulden heeft gemaakt vanwege deze ex-vriend. Twee vriendinnen verklaren dat [slachtoffer] wel eens spullen naar haar ex-vriend stuurde. Zij spreken in dat verband niet over een grote hoeveelheid of kostbare goederen. Zo verklaart [vriendin 2 slachtoffer] dat die man uit Suriname haar wel eens om wat vroeg en dat [slachtoffer] de doos dan aanvulde met bijvoorbeeld hagelslag. [slachtoffer] deed daar verder ook niet geheimzinnig over aldus [vriendin 2 slachtoffer] . [vriendin 1 slachtoffer] verklaart dat [slachtoffer] kleding en iets wat met een auto te maken had naar Suriname heeft gestuurd. Ze denkt niet dat [slachtoffer] dat nog deed toen de relatie met die ex uit was. Het hof ziet, ook gelet op hun verklaringen, geen aanknopingspunten om te veronderstellen dat [slachtoffer] veel geld heeft uitgegeven ten behoeve van haar ex-vriend. Het hof acht dit inhoudelijk ook niet aannemelijk, omdat uit de verklaringen van verdachte en uit het WhatsApp gesprek tussen verdachte en [slachtoffer] op 17 juni 2015 blijkt dat verdachte en [slachtoffer] al in de loop van 2013 een relatie kregen. De relatie met haar ex-vriend was blijkens de verklaring van haar vriendin [vriendin 1 slachtoffer] toen al uit. Voorgaande vindt qua tijdslijn bevestiging in gegevens van [slachtoffer] huisarts. In 2013 had [slachtoffer] (tot augustus) nog een gezonde financiële positie. In augustus 2013 nam [slachtoffer] weliswaar al haar spaargeld op, maar hiervoor heeft het hof reeds vastgesteld dat dit naar verdachte is gegaan. Het hof concludeert dat verdachte degene is die bij het opnemen van [slachtoffer] opgebouwde spaargeld en de leningen en contracten die op naam van [slachtoffer] zijn afgesloten aantoonbaar financieel voordeel heeft gehad. Op grond hiervan en op grond van de verklaringen van [vriendin 1 slachtoffer] en [getuige 4] concludeert het hof dat [slachtoffer] , afgezien van de door haar gekoesterde affectieve gevoelens voor verdachte, vanwege financiële redenen niet zomaar uit de relatie met verdachte kon stappen. Het hof concludeert dat [slachtoffer] in financieel opzicht verstrikt is geraakt in haar relatie met verdachte en dat verdachte degene is geweest die daarvan op meerdere momenten heeft geprofiteerd. 7.4 Conclusie afsluiten verzekeringen Ten aanzien van de redenen die door verdachte zijn opgegeven om een overlijdens-risicoverzekering af te sluiten op het leven van [slachtoffer] overweegt het hof dat verdachte daarover allereerst heeft verklaard dat dit was omdat [slachtoffer] en hij wilden gaan samenwonen. Het hof heeft hiervoor reeds vastgesteld dat verdachte [slachtoffer] op dit punt heeft misleid en dat verdachte niet voornemens was om met [slachtoffer] te gaan samenwonen. Tevens is gebleken dat verdachte met [vriendin 1] , met wie verdachte daadwerkelijk is gaan samenwonen, geen overlijdensrisicoverzekering heeft afgesloten. Ook heeft verdachte verklaard dat de hoofdreden voor het afsluiten van de overlijdensrisicoverzekering was dat [slachtoffer] grote sommen geld van hem had geleend. Verdachte heeft tijdens de behandeling in eerste aanleg aangekondigd dat hij die geldleningen met stukken kon onderbouwen. Mede om verdachte hiertoe in de gelegenheid te stellen werd zijn voorlopige hechtenis geschorst. Op 17 april 2018 werd een aantal kopieën van kwitanties door de verdediging aan de rechtbank overgelegd waaruit deze leningen zouden moeten blijken. Uit onderzoek door twee handschriftdeskundigen is gebleken, zoals hierna uitgebreider uiteen zal worden gezet, dat de handtekening die voor die van [slachtoffer] moet doorgaan onder de kwitantie van een lening bij verdachte van € 10.000,- is vervalst, terwijl verdachte heeft verklaard dat hij heeft gezien dat [slachtoffer] die handtekening heeft gezet. Het hof concludeert op grond hiervan dat deze verklaring van verdachte aantoonbaar onjuist en ongeloofwaardig is. De kwitanties die door verdachte zijn overgelegd kunnen niet ter onderbouwing van zijn stelling dienen. Verdachte heeft verder verklaard dat er bewijs is van geldleningen in de vorm van bankafschriften. Ook heeft hij verklaard dat er een financiering was afgesloten om ‘het’ af te lossen. Van voorgaande omstandigheden waaruit een objectieve onderbouwing van leningen zou kunnen blijken is niets gebleken. Ook dit doet afbreuk aan de geloofwaardigheid van de verklaring van verdachte dat sprake is geweest van leningen aan [slachtoffer] . Het hof stelt vast dat er geen aanknopingspunten zijn voor leningen van verdachte aan [slachtoffer] behoudens verklaringen van verdachte. Het hof acht deze verklaring van verdachte op grond van voorgaande en op grond van de conclusies die hiervoor zijn getrokken ten aanzien van de financiële kant van de relatie tussen verdachte en [slachtoffer] niet aannemelijk geworden. De verklaring van verdachte omtrent de reden voor het afsluiten van een overlijdensrisicoverzekering op zijn leven met [slachtoffer] als begunstigde, namelijk dat zij met dat geldbedrag dingen zou kunnen doen met zijn kinderen die hij dan niet meer zou kunnen doen, acht het hof niet geloofwaardig. Verdachte heeft immers ook verklaard dat [slachtoffer] geen dingen samen met de kinderen deed. Zij mocht bijvoorbeeld niet de kinderen van school halen. Dat [slachtoffer] zijn kinderen niet mocht zien blijkt ook uit een notitie die na haar dood op [slachtoffer] laptop is aangetroffen. Dit in tegenstelling tot [vriendin 1] , waarmee hij in mei/juni 2015 reeds plannen maakte om te gaan samenwonen aan de [adres 2] waar zijn kinderen dan ook zouden verblijven. Het hof acht op grond van het voorgaande de verklaringen van verdachte omtrent de redenen voor het afsluiten van de overlijdensrisicoverzekeringen niet geloofwaardig. Daarnaast blijkt uit het dossier dat verdachte, die op dat moment in Suriname verbleef, een opvallende urgentie had bij het afsluiten van de verzekeringen door kort voordat [slachtoffer] vertrok haar te vragen of ze alles had geregeld, door vanuit Suriname te bellen naar de verzekeraar of alles was geregeld voor ‘als het straks zover is’, en [slachtoffer] te vragen om de polis mee naar Suriname te nemen. 8Overige relevante feiten en omstandigheden 8.1 [ex-zakenpartner] Zakenpartner [ex-zakenpartner] heeft op 17 januari 2017 ten overstaan van de rechercheofficier verklaard dat verdachte en hij in een gesprek dat plaatsvond rond mei 2015 bespraken dat zij beiden weer naar Suriname zouden gaan. In de context van die reis naar Suriname liet verdachte toen over ‘het meisje’ vallen ‘dat zij er straks niet meer is’. Door de verdediging is ter zitting van het hof betoogd, dat de verklaringen van getuige [ex-zakenpartner] waaronder die van 17 januari 2017, onbetrouwbaar zijn en van het bewijs dienen te worden uitgesloten. De verdediging heeft daarbij gewezen op de slechte verstandhouding tussen verdachte en [ex-zakenpartner] en hun zakelijke onenigheid vanwege het feit dat [ex-zakenpartner] nog geld moest betalen aan verdachte. Ook heeft de raadsman de manier van totstandkoming van deze verklaring van 17 januari 2017 en de inconsistenties tussen zijn verschillende verklaringen aangehaald. Verdachte heeft ontkend dat hij tegen [ex-zakenpartner] heeft gezegd dat een meisje zou verdwijnen en er is geen enkele objectieve bevestiging voor de belastende verklaring van [ex-zakenpartner] . Indien het hof de verklaringen van [ex-zakenpartner] en dan met name die van 17 januari 2017 voor het bewijs zal gebruiken, verzoekt de verdediging – voorwaardelijk - om [ex-zakenpartner] als getuige ter zitting te doen horen. Het hof stelt vast dat [ex-zakenpartner] voor het eerst is gehoord door de politie op 17 december 2015. In dat verhoor heeft hij onder meer verklaard dat hij van verdachte hoorde dat ‘het meisje’ in Suriname was overleden. Hij dacht toen bij zichzelf: ‘Als hij er maar niets mee te maken heeft.’ Op 25 februari 2016 wordt getuige [getuige 7] gehoord. [getuige 7] verklaart dat hij eind 2015 [naam ex-vrouw] tegenkwam en dat zij hem vertelde dat verdachte het meisje had vermoord. [getuige 7] belde daarop naar [ex-zakenpartner] en vertelde hem dat hij over verdachte had gehoord dat het meisje dood was en dat verdachte dat waarschijnlijk gedaan had. [ex-zakenpartner] vertelde hem toen dat hij er met verdachte over had gepraat en dat verdachte zei dat hij er niets mee te maken had. [ex-zakenpartner] dacht echter dat verdachte er wel wat mee te maken had want in een gesprek tussen [ex-zakenpartner] en verdachte had verdachte iets laten doorschemeren: “ Dit meisje gaat waarschijnlijk verdwijnen.” [ex-zakenpartner] zei tegen [getuige 7] dat hij denkt dat verdachte ‘het gedaan heeft.’ Daarna is [ex-zakenpartner] op 11 maart 2016 gehoord. Hij wordt tijdens dat verhoor geconfronteerd met de verklaring van [getuige 7] , zoals hiervoor kort weergegeven. [ex-zakenpartner] wil hierop geen verklaring afleggen, naar eigen zeggen vanwege zijn eigen veiligheid. Op 14 april 2016 spreekt [getuige 7] weer met de politie. Hij verklaarde dat [ex-zakenpartner] hem had gebeld en hem had gevraagd waarom [getuige 7] had verklaard wat [ex-zakenpartner] hem had verteld over dat het meisje ging verdwijnen. [ex-zakenpartner] zei tegen [getuige 7] dat [getuige 7] hem daarmee had belast. Toen [getuige 7] vervolgens tegen [ex-zakenpartner] zei dat hij [ex-zakenpartner] daarmee niet had belast en hem vroeg wie er nu daadwerkelijk wordt belast, antwoordde [ex-zakenpartner] volgens [getuige 7] : “Had ik het dan kunnen voorkomen?” [ex-zakenpartner] wordt daarna meerdere keren benaderd door de politie, maar hij weigert om een verklaring in het onderzoek naar verdachte af te leggen. Op 13 mei 2016 wordt [getuige 8] gehoord door de politie. Hij verklaart dat hij van [ex-zakenpartner] heeft gehoord dat er een meisje is vermoord in Suriname en dat dit meisje een contact is van verdachte. Als [ex-zakenpartner] in het kader van een andere kwestie in mei 2016 met een verbalisant spreekt, vertelt hij dat verdachte met hem heeft gesproken en dat als hij iets zou zeggen over die moordzaak van dat meisje, direct duidelijk zou zijn dat die informatie van hem afkomstig is en dat hij bang is dat hem of zijn familie iets zal overkomen. Dat hij heeft besloten dat hij niet verklaard over de moord op het meisje omdat hij dan gevaar loopt. [ex-zakenpartner] is in het kader van onderhavige zaak op 3 juni 2016 en 14 juni 2016 nog door de politie gehoord. Op 17 januari 2017 wordt [ex-zakenpartner] door de rechercheofficier gehoord en legt hij de hiervoor weergegeven verklaring af. Dit verhoor is uitgewerkt en de audio opname bevindt zich bij het dossier. Het hof heeft deze opname zelf uitgeluisterd en stelt vast dat de uitwerking in het proces-verbaal van verhoor van de rechercheofficier overeenkomt met de audio opname. Op 29 november 2017 is [ex-zakenpartner] door de rechter-commissaris in bijzijn van de toenmalige raadsman van verdachte gehoord. Hij is in dat verhoor niet teruggekomen op zijn verklaring van 17 januari 2017, maar heeft verklaard dat hij eerder heeft verklaard wat hij zich toen herinnerde. Door de verdediging is ten aanzien van [getuige 7] nog aangevoerd dat hij geen objectieve getuige is, omdat [getuige 7] ervan overtuigd is dat verdachte schuldig is en hij bij de politie heeft verklaard een hekel te hebben aan verdachte. De raadsman verzoekt daarom om zijn verklaringen uit te sluiten van het bewijs. Het hof overweegt hieromtrent allereerst dat het enkele feit dat iemand een hekel aan een ander heeft en denkt dat diegene schuldig is, niet op voorhand betekent dat verklaringen niet betrouwbaar (kunnen) zijn. Bovendien is [getuige 7] op 1 november 2017 bij de rechter-commissaris door de toenmalige raadsman van verdachte bevraagd onder meer over zijn uitlatingen bij de politie dat hij een hekel aan verdachte heeft. [getuige 7] heeft daarop een genuanceerde verklaring gegeven die er op neerkomt dat hij verdachte in de kern geen slechte jongen vindt. Het hof zal dan ook geen gevolg verbinden aan de eerdere uitlating van [getuige 7] dat hij een hekel aan verdachte heeft. Ten aanzien van de verklaringen van [getuige 7] overweegt het hof verder dat deze helder, gedetailleerd en specifiek zijn. Het hof ziet geen redenen om aan de betrouwbaarheid van zijn verklaringen te twijfelen. Het hof gebruikt zijn verklaringen dan ook voor het be

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.