GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN Locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.287.487/01 (zaaknummer rechtbank Overijssel 253607) beschikking van 30 maart 2021 inzake [verzoekster] , wonende te [A] ,verzoekster in hoger beroep, verder te noemen: de moeder, advocaat: mr. S.O. Zengin-Epozdemir te Den Haag, en de gecertificeerde instellingStichting Jeugdbescherming Overijssel, gevestigd te Zwolle, verweerster in hoger beroep, verder te noemen: de GI. Als overige belanghebbende is aangemerkt: [de vader] , wonende te [B] , verder te noemen: de vader. In zijn adviserende en/of toetsende taak is gekend: de raad voor de kinderbescherming, regio Overijssel, locatie Zwolle. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 23 oktober 2020, die is hersteld bij beschikking van 31 december 2020, beiden uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 12 december 2020; - het verweerschrift van de GI met productie(s);- een brief van de raad voor de kinderbescherming van 4 januari 2021; - een journaalbericht namens de moeder van 6 januari 2021 met productie(s); - een journaalbericht namens de moeder van 8 februari 2021 met productie(s). 2.2 De minderjarige [de minderjarige] , geboren [in] 2006 is in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken met betrekking tot het verzoek. Hij heeft hier gebruik van gemaakt, is op 4 maart 2021 verschenen en er is buiten aanwezigheid van partijen door de voorzitter met hem gesproken. Van de inhoud van dit gesprek is op de zitting een zakelijke weergave gegeven. 2.3 De mondelinge behandeling heeft op 4 maart 2021 plaatsgevonden. De moeder is in persoon verschenen, bijgestaan door haar advocaat. Namens de GI zijn verschenen [C] en [D] . 3De feiten 3.1 Uit de relatie van de ouders is [de minderjarige] geboren. De ouders oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over [de minderjarige] uit. [de minderjarige] is in het verleden meermalen van woonplek gewisseld waarbij ook sprake is geweest van een machtiging tot uithuisplaatsing. Hij woont nu vanaf 9 augustus 2020 bij de moeder. 3.2 Vanaf 25 oktober 2018 staat [de minderjarige] (opnieuw) onder toezicht. Deze termijn is bij de bestreden beschikking van 23 oktober 2020, zoals hersteld bij beschikking van 31 december 2020, verlengd van 25 oktober 2020 tot 25 april 2021, waarbij het verzoek om verlenging voor een langere duur is afgewezen. 4De omvang van het geschil 4.1 De moeder is met één grief in hoger beroep gekomen van de beschikking van 23 oktober 2020 (en naar het hof begrijpt:), zoals hersteld bij beschikking van 31 december 2020. Zij vindt dat hulpverlening in het vrijwillig kader volstaat. De moeder verzoekt de beschikking van 23 oktober 2020 (en naar het hof begrijpt:), zoals hersteld bij beschikking van 31 december 2020, te vernietigen en het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] per direct af te wijzen. 4.2 De GI voert verweer en verzoekt het verzoek van de moeder in hoger beroep af te wijzen. 5De motivering van de beslissing 5.1 Ingevolge het bepaalde in artikel 1:260, eerste lid, in verband met artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek kan de kinderrechter de ondertoezichtstelling van een minderjarige verlengen met ten hoogste een jaar indien een minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en: a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, in staat zijn te dragen. 5.2 Tijdens de zitting bleek dat er forse zorgen bestaan omdat [de minderjarige] erg weinig naar school gaat en dat de moeder persoonlijke problematiek heeft die zijn weerslag heeft op [de minderjarige] . Uit de stukken blijkt verder van een verontrustend verstoorde verhouding tussen [de minderjarige] en zijn minderjarige zusje
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.