Afdeling strafrecht AV-nummer: 000122-20 Parketnummer eerste aanleg: 18-003537-18 Uitspraak d.d.: 31 maart 2021 Beschikking van de meervoudige raadkamer op het hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Assen, d.d. 18 december 2018 op het verzoek ex artikel 591a (oud), thans artikel 530, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van: [betrokkene] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983, wonende te [adres] , voor deze zaak woonplaats kiezende ten kantore van zijn advocaat mr. K.E. Wielenga, [vestigingsplaats] , hierna te noemen appellant. Procesgang Bij een op 12 februari 2018 door de rechtbank ontvangen verzoekschrift heeft appellant gevraagd om vergoeding uit 's Rijks kas voor gemaakte kosten in een strafzaak tegen hem, zoals nader in het verzoekschrift aangegeven. Voorts is verzocht om een vergoeding voor de gemaakte kosten voor de indiening en behandeling van het verzoekschrift. De rechtbank heeft bij voormelde beschikking het verzoek afgewezen. Door of namens appellant is op hoger beroep tegen die beschikking ingesteld. Het hoger beroep is door het hof in raadkamer op 17 maart 2021 in het openbaar behandeld, waarbij zijn gehoord de advocaat-generaal en namens appellant mr. Wielenga, voornoemd. Beoordeling van het verzoek Uit het onderzoek in openbare raadkamer is -voor zover hier van belang- het navolgende gebleken: - Appellant is op 27 november 2017 aangehouden en verhoord door de politie in verband met de verdenking van een strafbaar feit. - De strafzaak, die is ingeschreven onder parketnummer 18-0003537-18, is geëindigd op 6 januari 2018 met de sepotbeslissing van de officier van justitie, waarbij als reden wordt gegeven dat de benadeelde(n) voldoende schadeloos is/zijn gesteld. - Verzoeker vraagt om een vergoeding uit ‘s Rijks kas voor de door hem in die strafzaak gemaakte kosten van de raadsman ten bedrage van € 371,63.Voorts is verzocht om een vergoeding voor de gemaakte kosten voor de indiening en behandeling van het verzoekschrift. De rechtbank heeft, zoals hiervoor is vermeld, het verzoek afgewezen. Zij heeft daartoe geoordeeld dat, gelet op de onderbouwing van de officier van justitie, niet kan worden aangenomen dat -indien tot vervolging zou zijn overgegaan – de strafzaak zonder meer zou zijn geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing zou zijn gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht en dat onder die omstandigheden de billijkheid zich verzet tegen toekenning van de verzochte vergoeding. Namens appellant is betoogd dat de rechtbank het verzoek ten onrechte heeft afgewezen. Appellant heeft van meet af aan ontkend dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit en, gelet op de onderliggende stukken, had de strafzaak tegen hem moeten worden geseponeerd wegens onvoldoende bewijs. Daarmee is sprake van een zaak die onmiskenbaar zou hebben geleid tot het niet opleggen van een straf of maatregel. De rechtbank heeft een onjuist criterium toegepast, gelet op de beschikking van dit hof d.d. 14 augustus 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2019:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.