Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-005011-19 Uitspraak d.d.: 12 april 2021 TEGENSPRAAK Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 19 september 2019 met parketnummer 96-085537-19 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vorderingen tot tenuitvoerlegging met parketnummers 96-244703-16 en 21-005819-16, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994, wonende te [woonplaats] , [woonadres] . Het hoger beroep De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 29 maart 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde en oplegging van een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier weken. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd de vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 96-244703-16 af te wijzen, omdat hij de tenuitvoerlegging van deze straf reeds in een andere zaak van verdachte heeft gevorderd, en de vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 21-005819-16 toe te wijzen. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsman, mr. U. van Ophoven, naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep De politierechter heeft verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier weken. Voorts heeft de politierechter de vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 96-244703-16 geheel toegewezen, te weten een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden, en de vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 21-005819-16 afgewezen. Het hof zal het vonnis waarvan beroep om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen. De tenlastelegging Aan verdachte is tenlastegelegd dat: hij, op of omstreeks 10 april 2019 te [plaats] , terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten AM en B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de [adres1] , als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd. Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Overweging met betrekking tot het bewijs Ter terechtzitting van het hof heeft de raadsman vrijspraak van het tenlastegelegde feit bepleit. Daartoe heeft hij aangevoerd dat verdachte ontkent de auto te hebben bestuurd. De waarneming van verbalisant [verbalisant1] , die heeft verklaard dat hij zag dat verdachte de auto bestuurde, wordt betwist. Uit het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant1] blijkt niet hoe de waarneming heeft plaatsgevonden en hoe [verbalisant1] verdachte ambtshalve heeft herkend. Het hof is van oordeel dat het namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Het hof overweegt daartoe in het bijzonder als volgt. Blijkens een proces-verbaal opgemaakt door verbalisanten [verbalisant1] en [verbalisant2] heeft verbalisant [verbalisant1] verdachte op 10 april 2019 als bestuurder van een Volkswagen Golf zien rijden op de [adres1] in [plaats] . Blijkens een aanvullend proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant1] en [verbalisant2] reed [verbalisant1] op voornoemde datum omstreeks 16.15 uur in een onopvallend dienstvoertuig op de [adres1] . Hij zag dat achter hem een zwarte Volkswagen Golf reed, voorzien van het kenteken [kenteken] . Hij zag dat voornoemd voertuig bestuurd werd door de hem ambtshalve bekende [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte). Het was [verbalisant1] bekend dat het rijbewijs van verdachte ongeldig was verklaard. Hij zag dat verdachte de auto parkeerde ter hoogte van de [adres1] , dat hij daar uitstapte en vervolgens het buurtcentrum ‘ [naam] ’ in liep. Verdachte werd even later, om 16.45 uur, aangehouden bij de [adres2] . Tijdens een huishoudelijke fouillering op het bureau werd de sleutel van het voertuig met kenteken [kenteken] in de kleding van verdachte aangetroffen. Naar het oordeel van het hof is er geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid en de betrouwbaarheid van het door de verbalisant [verbalisant1] op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van bevindingen. Niet alleen heeft [verbalisant1] gerelateerd dat hij verdachte ambtshalve heeft herkend, de sleutel van de auto met het kenteken waarin hij verdachte had zien rijden, werd een half uur later bij verdachte aangetroffen. Dat [verbalisant1] niet nader heeft omschreven hoe hij verdachte heeft waargenomen doet daar niet aan af. Voor zover de raadsman heeft betoogd dat verdachte niet wist of redelijkerwijs kon weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard, overweegt het hof als volgt. Uit het dossier blijkt dat het CBR op 3 mei 2018 een aangetekende brief heeft verzonden naar verdachte waarin is medegedeeld dat verdachte een rijvaardigheidsonderzoek moet doen en voorlopig niet meer mag rijden. In de bijlage bij deze brief is vermeld dat indien de uitslag van het onderzoek niet goed is, het rijbewijs ongeldig wordt. Het dossier bevat daarnaast een aangetekende brief van het CBR aan verdachte van 4 juli 2018 waarin is medegedeeld dat verdachte een rijvaardigheidsonderzoek heeft gedaan, dat de uitslag is dat hij niet voldoende rijvaardig is en dat hij een tweede rijvaardigheidsonderzoek kan doen. Verder bevat het dossier een aangetekende brief van het CBR d.d. 24 september 2018, waaruit blijkt dat verdachte een tweede rijvaardigheidsonderzoek heeft gedaan met een auto (categorie B), dat hij dit onderzoek niet heeft gehaald en dat zijn rijbewijs daarom vanaf 1 oktober 2018 ongeldig is verklaard. Gelet op het voorgaande overweegt het hof dat verdachte redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Bewezenverklaring Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij, op 10 april 2019 te [plaats] , terwijl hij redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten AM en B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de [adres1] , als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie heeft bestuurd. Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.