GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN locatie Leeuwarden nummers 18/00891 en 18/00892 uitspraakdatum: 13 april 2021 Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 11 september 2018, in de zaken met nummers LEE 17/2005 en 17/2006, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Eindhoven (hierna: de Inspecteur). 1Ontstaan en loop van het geding 1.1 Aan belanghebbende is over het jaar 2008 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 44.
(2010)afgewezen. Belanghebbende heeft hiertegen geen bezwaar gemaakt.”. 3Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen 3.1 In geschil is of de Rechtbank de beroepen van belanghebbende terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard en, zo dat niet het geval is, of de bestreden navorderingsaanslagen en beschikkingen heffingsrente terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd. 3.2 Belanghebbende beantwoordt deze vragen ontkennend en concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vernietiging van de bestreden navorderingsaanslagen en beschikkingen heffingsrente. 3.3 De Inspecteur beantwoordt de hiervoor – onder 3.1 – vermelde vragen bevestigend en concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. 3.4 Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting. 4Beoordeling van het geschil 4.1 Ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken. Ingevolge artikel 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen vangt de termijn voor het instellen van beroep aan met ingang van de dag na die van dagtekening van de uitspraak op bezwaar, tenzij de dag van dagtekening gelegen is vóór de dag van de bekendmaking. Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is een beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Ingevolge het tweede lid van dit artikel is een beroepschrift bij verzending per post tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. 4.2 De Inspecteur stelt dat de uitspraken op bezwaar met dagtekening 7 april 2015 uiterlijk op die datum zijn verzonden naar het adres Postbus [000] , [Z] . 4.3 In hoger beroep heeft belanghebbende gesteld de uitspraken op bezwaar niet tijdig te hebben ontvangen. 4.4 De Rechtbank heeft in eerste aanleg vastgesteld dat tussen partijen de verzending van de – naar blijkt uit de stukken van het geding in één geschrift vervatte – uitspraken op bezwaar van 7 april 2015 niet in geschil is. Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende desgevraagd verklaard dat hij niet betwist dat de Inspecteur de uitspraken op bezwaar uiterlijk 7 april 2015 naar het hiervoor – onder 4.2 – bedoelde, door hem opgegeven, postadres heeft verzonden. Hij stelt deze evenwel niet te hebben ontvangen. Anders dan hij eerder bij de Rechtbank heeft verklaard (zie 2.7 hiervoor), heeft belanghebbende ter zitting van het Hof verklaard dat hij de hiervoor – onder 2.4 – bedoelde vooraankondigingen van de uitspraken op bezwaar wel tijdig heeft ontvangen. Voorts heeft belanghebbende verklaard dat hij ongeveer twee maanden na de verzending van zijn hiervoor – onder 2.5 – bedoelde brief van 18 juli 2015 alsnog een afschrift van de uitspraken op bezwaar in zijn postbus heeft aangetroffen. Anders dan hij ter zitting van de Rechtbank heeft verklaard, verklaarde belanghebbende ter zitting van het Hof dat hij niet door zijn advocaat op de hoogte is gebracht van het bestaan van de uitspraken op bezwaar, maar dat hij zelf zijn advocaat heeft gebeld naar aanleiding van een telefoongesprek met [C] van de Belastingdienst, die hem op of omstreeks 13 april 2015 erop heeft gewezen dat er inmiddels uitspraken op zijn bezwaar waren gedaan. 4.5 Nu belanghebbende niet betwist dat de uitspraken op bezwaar, die deel uitmaken van de gedingstukken, door de Inspecteur zijn verzonden aan het door belanghebbende – voor de desbetreffende periode – opgegeven postadres, staat die verzending vast, waaraan een weerlegbaar bewijsvermoeden van ontvangst wordt ontleend. 4.6 Naar vaste jurisprudentie, ligt het vervolgens op de weg van belanghebbende het bewijsvermoeden van ontvangst dat volgt uit de verzending van de bedoelde uitspraken op bezwaar te ontzenuwen. Belanghebbende is daarin, naar het oordeel van het Hof, niet geslaagd. De verklaringen die belanghebbende dienaangaande achtereenvolgens bij de Rechtbank en het Hof heeft afgelegd zijn niet eenduidig en innerlijk tegenstrijdig. Zo heeft belanghebbende bij de Rechtbank verklaard dat zijn advocaat hem erop heeft gewezen dat er een uitspraak op bezwaar lag, terwijl hij later bij het Hof heeft verklaard dat hij zelf contact met zijn advocaat heeft opgenomen. Bij de Rechtbank heeft hij voorts verklaard de uitspraken op bezwaar nooit te hebben ontvangen, terwijl belanghebbende bij het Hof heeft verklaard de uitspraken op bezwaar pas later te hebben ontvangen in zijn postbus, en wel in een periode dat hij inmiddels een ander postadres aan de Inspecteur had opgegeven. Ten aanzien van de vooraankondigingen van de uitspraken op bezwaar heeft belanghebbende bij de Rechtbank verklaard deze niet te hebben ontvangen, terwijl hij later bij het Hof heeft verklaard deze wel (en tijdig) te hebben ontvangen. Belanghebbende heeft voorts ook nog verklaard dat hij zijn postbus in de betreffende periode helemaal niet heeft geleegd door zijn psychische toestand en zijn alcoholverslaving. 4.7 Het vorenoverwogene brengt het Hof tot de slotsom dat de hiervoor – onder 4.2 – bedoelde aan belanghebbende uiterlijk op 7 april 2015 verzonden uitspraken op bezwaar door of namens hem zijn ontvangen. 4.8 Naar het oordeel van het Hof, is daarmee sprake van een juiste wijze van bekendmaking. Nu niet in geschil is dat de Inspecteur de uitspraken op bezwaar uiterlijk 7 april 2015 door verzending bekend heeft gemaakt, is de laatste dag van de beroepstermijn 19 mei
- 4.9 In hoger beroep heeft belanghebbende voor het eerst een met de hand geschreven – als beroepschrift aan te merken – bezwaarschrift met dagtekening 13 april 2015 overgelegd, gericht tegen de hiervoor – onder 1.1 – bedoelde navorderingsaanslag in de IB/PVV over het jaar 2008, en gesteld dat hij deze brief op 13 april 2015 per gewone post naar de Inspecteur heeft verzonden. De Inspecteur heeft deze verzending gemotiveerd bestreden, mede gelet op de omstandigheid dat het bestaan van dit beweerdelijke beroepschrift pas in hoger beroep naar voren is gebracht. Het ligt dan op de weg van belanghebbende om de bedoelde verzending aannemelijk te maken. Daarin is belanghebbende niet geslaagd. Hij heeft volstaan met de blote bewering dat hij op 13 april 2015 in een restaurant het beroepschrift heeft opgesteld, daarvan een kopie heeft gemaakt en dat beroepschrift na frankering op de bus heeft gedaan. Voor de omstandigheid dat hij in eerste aanleg niet heeft gewezen op een eerder beroepschrift en voor de inconsistenties in zijn verklaringen omtrent de gang van zaken, heeft belanghebbende geen geloofwaardige verklaring gegeven. Het moet er daarom voor worden gehouden dat het beweerdelijke beroepschrift van 13 april 2015 niet aan de Inspecteur is verzonden. 4.10 Gelet op het vorenoverwogene, heeft belanghebbende, zo blijkt uit de gedingstukken, voor het eerst op de uitspraken op bezwaar gereageerd bij brief van 18 juli 2015, gericht aan de Inspecteur, welke door de Inspecteur is ontvangen op 21 juli
- De Rechtbank heeft deze brief terecht als beroepschrift in aanmerking genomen. Vaststaat dat belanghebbende dit beroepschrift pas bij de Inspecteur heeft ingediend toen de beroepstermijn al was verlopen, zodat het beroepschrift niet tijdig is ingediend. 4.11 Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Belanghebbende heeft gesteld dat hij niet in verzuim was, omdat hij destijds leed aan psychische problemen en kampte met een alcoholverslaving. Naar het oordeel van het Hof, is niet komen vast te staan dat belanghebbende psychische problemen had die van dien aard waren dat belanghebbende niet in staat was – eventueel pro forma - een rechtsmiddel in te dienen. Voor het overige moeten de aangevoerde omstandigheden voor rekening van belanghebbende blijven. Het Hof merkt daarbij overigens nog op dat belanghebbende, blijkens de stukken van het geding, contact had met een advocaat die hem bijstond in de onderhavige procedure en voorts dat belanghebbende in de bedoelde periode wel heeft gecorrespondeerd met de Inspecteur. Het Hof acht daarom de termijnoverschrijding niet verschoonbaar. 4.12 Het Hof acht, gelet op het hiervoor overwogene, de beroepen niet-ontvankelijk. Slotsom Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond. 5Proceskosten en griffierecht Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten of vergoeding van het griffierecht. 6Beslissing Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank. Deze uitspraak is gedaan door mr. P. van der Wal, voorzitter, mr. J.W. baron van Knobelsdorff en mr. G.B.A. Brummer, in tegenwoordigheid van mr. H. de Jong als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 april
- De griffier is verhinderd de De voorzitter, uitspraak te ondertekenen (P. van der Wal) Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl. Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
- bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.