Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-003884-19 Uitspraak d.d.: 12 april 2021 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 26 oktober 2015 met parketnummer 96-156109-15 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986, wonende te [woonplaats] , [woonadres] . Het hoger beroep De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 29 maart 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van de aan hem tenlastegelegde feiten tot schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw, mr. B.E.J. Torny, naar voren is gebracht. Ontvankelijkheid Openbaar Ministerie Standpunt van de verdediging Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging bij wijze van preliminair verweer niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging bepleit. Daartoe is aangevoerd dat artikel 123b Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) ertoe zal leiden dat, indien het hof verdachte voor het tenlastegelegde rijden onder invloed veroordeelt, het rijbewijs van verdachte zijn geldigheid voor alle categorieën van rechtswege verliest, aangezien verdachte in 2014 ook onherroepelijk is veroordeeld voor rijden onder invloed. Mede gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, moet het verlies van de geldigheid van het rijbewijs op basis van art. 123b WVW – ook wel de recidiveregeling genoemd – worden bezien als een criminal charge in de zin van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). De verdediging is gelet daarop van oordeel dat strafrechtelijke vervolging strijdig is met de beginselen van een goede procesorde alsmede met het ne bis in idem-beginsel. De verdediging heeft onder andere verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 3 maart 2015 (ECLI:NL:HR:2015:434) inzake het alcoholslotprogramma en betoogd dat zowel de onderhavige strafrechtelijke vervolging als het gevolg van rechtswege op grond van de recidiveregeling, voor verdachte kan leiden tot een ingrijpende beperking van de rijbevoegdheid en tot aanzienlijke kosten. Dit betekent dat, indien het hof tot veroordeling zou overgaan, er een bestraffing op grond van de recidiveregeling ‘bovenop’ een eventuele bestraffing in de onderhavige strafzaak komt, hetgeen een dubbele bestraffing ter zake van hetzelfde feit zou impliceren hetgeen strijdig is met het ne bis in idem-beginsel. De verdediging heeft eveneens verwezen naar een arrest van de Hoge Raad van 18 december 2018 (ECLI:NL:HR:2018:2350). Volgens de verdediging verschilt de onderhavige zaak echter op belangrijke punten van dit arrest. In de onderhavige zaak is namelijk sprake geweest van deelname aan een alcoholslotprogramma, met verstrekkende gevolgen. Daarnaast zal een onherroepelijke veroordeling ertoe leiden dat verdachte zijn baan zal verliezen, omdat hij afhankelijk is van zijn rijbewijs om zijn werkzaamheden te kunnen uitvoeren. Het arrest van de Hoge Raad uit 2018 moet daarnaast naar het oordeel van de verdediging thans niet meer als leidend worden beschouwd, gelet op de omstandigheid dat artikel 123b WVW niet meer als wenselijk wordt beschouwd door de uitvoerende macht en er daarom nieuwe wetgeving in de maak is. De verdediging heeft voorts gewezen op een vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 5 juni 2019 (ECLI:NL:RBNHO:2019:8886) en aangevoerd dat de rechter in die zaak van oordeel was dat de recidiveregeling geen toegevoegde waarde heeft omdat de rijgeschiktheid van de verdachte reeds door het CBR was vastgesteld. Daarbij liet de rechter eveneens meewegen dat sprake was van een groot persoonlijk belang voor behoud van het rijbewijs en het openbaar ministerie werd niet-ontvankelijk verklaard. Nu verdachte ook reeds is onderzocht en geschikt verklaard is en ook hij een zeer groot belang bij zijn rijbewijs heeft, moet tot niet ontvankelijkheid van het openbaar ministerie worden besloten, aldus de verdediging. Standpunt van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het ongeldig verklaren van een rijbewijs op grond van artikel 123b WVW niet kan worden aangemerkt als een criminal charge. Het openbaar ministerie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte. Oordeel van het hof Het hof overweegt als volgt. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging voor een met middelengebruik verband houdend verkeersdelict niet in het geding is door de enkele omstandigheid dat een onherroepelijke veroordeling tot gevolg heeft dat het rijbewijs op grond van art. 123b WVW van rechtswege zijn geldigheid verliest (HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2350). In dit arrest overweegt de Hoge Raad tevens dat een vergelijking met de uitzonderlijke situatie als bedoeld in HR 3 maart 2015 (ECLI:NL:HR:2015:434) niet op gaat, reeds omdat het daar ging om de situatie waarin, nadat de verplichting tot deelname aan het alcoholslotprogramma was opgelegd, een strafvervolging ter zake van hetzelfde feit plaatsvond. Door de raadsvrouw is aangevoerd dat de onderhavige zaak verschilt van het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad van 18 december 2018, omdat in de onderhavige zaak sprake is geweest van deelname aan een alcoholslotprogramma. Het hof stelt vast dat uit het dossier niet blijkt dat aan verdachte in het kader van de onderhavige zaak deelname aan een alcoholslotprogramma is opgelegd. Wel volgt uit de stukken dat aan verdachte in 2013 deelname aan een alcoholslotprogramma is opgelegd. Die eerdere oplegging doet aan de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de onderhavige zaak echter niet af. Dat geldt eveneens voor de gevolgen van een onherroepelijke veroordeling voor verdachte. Dat verdachte zijn baan zal verliezen omdat hij afhankelijk is van zijn rijbewijs voor zijn werkzaamheden, zoals door de raadsvrouw ook in dit kader is aangevoerd, raakt niet de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. In de onderhavige zaak kan in het kader van de straftoemeting rekening gehouden worden met het gevolg dat door de regeling van artikel 123b WVW 1994 wordt verbonden aan de veroordeling indien deze onherroepelijk wordt (HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2350). In de omstandigheid dat momenteel een wetsvoorstel aanhangig is om artikel 123b WVW te wijzigen ziet het hof geen aanleiding om af te wijken van de door het hof hiervoor aangehaalde jurisprudentie van de Hoge Raad. Het door de raadsvrouw aangehaalde vonnis van de politierechter van 5 juni 2019 geeft het hof evenmin aanleiding te komen tot het oordeel dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging. Het hof overweegt ten aanzien van dit vonnis als volgt. Uit het vonnis blijkt dat de verdachte een onderzoek naar zijn rijgeschiktheid al geheel succesvol had afgerond voordat het openbaar ministerie besloot tot vervolging over te gaan dan wel deze voort te zetten en dat de verdachte zijn rijbewijs in februari 2019 terug had gekregen op de voorwaarde dat hij een EMA cursus zou volgen, welke cursus verdachte in april 2019 had gevolgd. De politierechter stelde voorts vast dat het ging om een overschrijding van de wettelijke norm met slechts 0,01 promille waardoor verdachte binnen de recidiveregeling viel en overwoog dat het evident was dat toepassing van de recidiveregeling geen toegevoegde waarde had omdat de rijgeschiktheid van verdachte reeds was vastgesteld. Ter terechtzitting is in de onderhavige zaak aan het hof overgelegd een document waaruit blijkt dat de rijgeschiktheid van verdachte in 2017 is onderzocht, en dat hij -destijds- geschikt is bevonden. Dit onderzoek heeft plaatsgevonden nadat het openbaar ministerie besloot tot vervolging over te gaan en deze voort te zetten. In de onderhavige zaak gaat het bovendien om een zeer ruime overschrijding van de wettelijke norm voor rijden onder invloed (ademonderzoeksresultaat 860 ug/l). Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij ten tijde van het onderzoek naar de rijgeschiktheid in 2017 nog verslaafd was aan alcohol, maar dat hij sinds 25 december 2020 gestopt is met het drinken van alcohol. Voornoemde omstandigheden maken naar het oordeel van het hof reeds dat een vergelijking tussen beide zaken niet op gaat. De stelling dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging, omdat geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie had kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn, houdt in ieder geval rechtens geen stand. Het hof verwerpt het verweer. Het openbaar ministerie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte. Het vonnis waarvan beroep De politierechter heeft verdachte ter zake van de tenlastegelegde feiten veroordeeld tot een geldboete van € 1.000,- te vervangen door 20 dagen hechtenis, een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 9 maanden en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken met een proeftijd van twee jaren. Het hof zal het vonnis waarvan beroep om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen. De tenlastelegging Aan verdachte is tenlastegelegd dat: 1.hij op of omstreeks 2 augustus 2015 te [plaats] als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 860 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn; 2.hij op of omstreeks 2 augustus 2015 te [plaats] terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten Categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, [adres] , als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Overweging met betrekking tot het bewijs Verdachte heeft het tenlastegelegde ter terechtzitting van het hof bekend te hebben gepleegd en door of namens hem is geen vrijspraak bepleit. Daarom volstaat het hof, met inachtneming van het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, met een opgave van bewijsmiddelen. Deze opgave luidt als volgt. Feit 1:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.